Column

We zijn medeplichtig aan Griekse crisis

Kwijtschelding van de Griekse staatsschuld staat dankzij de nieuwe premier Tsipras hoog op de Brusselse agenda. Dat werd tijd. Want hoewel economie geen exacte wetenschap is, kun je er wel prima totaal onhoudbare situaties mee identificeren. Een schuld van 180 procent voor een land met 25 procent werkloosheid waar de corruptie welig tiert is er zo een.

Het kwijtschelden van overheidsschulden is historisch gezien niet ongebruikelijk. De ironie is dat het de laatste keren in Europa steeds Duitse schulden betrof. Zeker na 1945 gebeurde dit snel en ruimhartig.

Griekenland krijgt nu een heel andere behandeling. Toen het land in 2010 de toegang tot de kapitaalmarkt verloor ging het niet failliet, waarbij de andere Europese landen de verliezen van hun eigen banken hadden kunnen opvangen, maar werd het 'geholpen' met nieuwe leningen. Meer schuld als oplossing voor te grote schulden. Zo kwam de rekening helemaal terecht bij de Griekse staat. Een beperkte kwijtschelding van de nog resterende schuld aan private schuldeisers in 2011 daargelaten.

Economische uitzichtloosheid destabiliseert iedere samenleving. Europa mag zich gelukkig prijzen dat de Grieken kiezen voor het linkse Syriza in plaats van de rechts-extremistische Gouden Dageraad. Waarom laat de EU, toch opgericht om het nationalisme op het oude continent te beteugelen, het nu zo afweten? Waarom is de uitweg uit de crisis taboe verklaard? Want wat je ook van het Griekse gesjoemel vindt, het komt niet in de buurt van de Duitse oorlogsmisdaden die destijds veel grotere schuldkwijtscheldingen niet in de weg stonden.

Natuurlijk is schuldkwijtschelding lastig te verkopen voor noordelijke politici. Zij zouden echter moed dienen te putten uit het feit dat de electorale pijn van het 'eerlijke verhaal' alleen maar toeneemt met het voortetteren van de eurocrisis. Interessanter is de vraag waarom ook centrale bankiers en ministeries van financiën het probleem ontkennen? Voor deze steile rekenaars zouden de cijfers heilig moeten zijn. Wat blokkeert het denken van de financiële elite?

De huidige financiële beslissers zijn opgeleid en groot geworden in een tijd dat het geloof in perfect werkende financiële markten absolutistische proporties aannam. Wim Duisenberg noemde een bank 'een computer met een marmeren poort'. De verleidelijke illusie was dat we met drie cijfers achter de komma kunnen doorrekenen welk pensioen we in 2050 zullen ontvangen.

Die idylle is door de financiële crisis ruw verstoord. Op hol geslagen markten laten prijzen lang en ver van hun eigenlijke waardes afdwalen. Het laatste geloofsartikel dat nog overeind staat is dat overheden hun schulden aan andere overheden altijd zullen voldoen. Aan dat anker klampt de financiële elite zich nu krampachtig vast.

Dit ondanks een lange geschiedenis van overheidsfaillissementen en een Europees verdrag dat expliciet stelt dat eurolanden elkaar niet financieel mogen bijstaan. Dat de overheidsschuld van alle eurolanden risicovrij is, werd voor 2008 zelfs in de kapitaalregels vastgelegd. Hierdoor kon vrijwel onbeperkt geld worden geleend aan Griekenland, wat tot 2010 dan ook ruimhartig gebeurde.

De belofte van de expanderende financiële sector was dat met ongekende (en ondoorgrondelijke) financiële innovaties elke onzekerheid was bedwongen. De oncomfortabele werkelijkheid is dat de financiële sector net zo onvoorspelbaar is als de wereld die het financiert. De bankier heeft meer weg van de ploeterende ondernemer die op hoop van zegen een ongewisse toekomst tegemoet gaat, dan van een alleswetende computer. Het woord krediet stamt af van het Latijnse credere, dat 'geloven' betekent. Een concept waar de seculiere technocraten die ons besturen zich ongemakkelijk bij voelen.

Gelukkig kunnen we wat leren van de godsdiensten die het verstrekken van leningen van oudsher problematisch vonden. Waar het christendom zijn bezwaren simpelweg heeft ingeslikt, is via het islamitisch bankieren een interessant model ontwikkeld dat is gebaseerd op het delen van risico's tussen crediteur en debiteur.

Vanuit dat principe kunnen we onze medeplichtigheid aan de Griekse problemen onderkennen. Het waren onze banken en pensioenfondsen die Griekenland en andere eurolanden de mogelijkheid boden een onhoudbare schuldenlast op te bouwen. Onze financiële sector sloot haar ogen voor de risico's, daartoe aangemoedigd door onze regelgevers en toezichthouders.

Laat daarom na Je suis Charlie deze week (ik ben een Griek) in de Europese straten klinken. Pas als we de Griek in onszelf durven benoemen laten we deze crisis achter ons.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden