We zijn geen grabbelton

Dat je nog een beetje doorleeft na je dood kan een troostrijke gedachte zijn bij orgaandonatie. Maar zo'n beslissing hoef je niet snel te nemen, schrijft Désanne van Brederode. Ook niet onder druk van wervingscampagnes.

De televisiespotjes voorafgaand aan de Olympische Spelen waren duidelijk: niets is makkelijker dan aangeven dat je je organen na je dood beschikbaar stelt voor transplantatie. Atleten als Rea Lenders en de Vrouwen Acht trainden verbeten, maar met een tablet achteloos in de hand - om zichzelf, tussen sierlijke sprongen of roeislagen door, op de website JaofNee.nl als donor aan te melden.


De kijker begreep: wie registratie nu nog nalaat, is een luie en vooral onsportieve egoïst. Die niet eens snapt dat dit nu een gul gebaar betreft, dat zich nooit zal laten voelen. Niet in je portemonnee, noch aan enig litteken achteraf. Zelfs bloed afstaan is pijnlijker. Wie levend een nier wil doneren, zet echt wat op het spel. Maar een overledene zal tegenslagen, zoals het afgestoten worden van het gegeven orgaan, niet hoeven meemaken.


Wat weerhoudt mensen nog?


Geregeld klinkt het voorstel, onlangs nog vanuit D66, om burgers automatisch als orgaandonor te registreren, waardoor alleen ferme tegenstanders hun bezwaren, door middel van uitschrijving, kenbaar hoeven te maken. Te denken valt aan christenen die geloven in lichamelijke wederopstanding op de Jongste Dag of spirituele mensen die menen dat ziel en geest ook na het sterven nog losjes met het lichaam verbonden blijven en tijd nodig hebben om uit het ondermaanse op te stijgen naar ijlere oorden; een proces dat wordt bemoeilijkt als het lichaam al als onbezield materiaal wordt opgevat én dienovereenkomstig wordt behandeld.


Overigens valt onder deze laatste groep nog een wereld te winnen, denken neurowetenschappers. Bijvoorbeeld als nog duidelijker wordt uitgelegd dat de verhalen over Bijna-Doodervaringen altijd afkomstig zijn van mensen die in een diepe coma waren, dus zeker niet volledig dood, of zelfs maar hersendood. Hoewel... na het recente nieuws over het Deense meisje dat ontwaakte uit een coma, terwijl artsen op het punt stonden haar organen te transplanteren, rijst toch de vraag: hoe exact is de exacte wetenschap?


Dat is belangrijk, want het hersendoodcriterium speelt een grote rol bij orgaandonatie.


Willen lever, nieren, longen, alvleesklier, dunne darm, hoornvlies en hart nog bruikbaar zijn, dan moet de donor wél al hersendood, maar nog niet helemaal dood zijn; de andere organen moeten kunstmatig worden doorbloed en nog zodanig functioneren dat ze hun activiteit, hoe minimaal ook, kortstondig buiten het vertrouwde lichaam, en later op volle kracht in het nieuwe gastlichaam kunnen voortzetten.


Transplantatie

Iedere seconde telt. Dus ook die seconden waarin chirurgen moeten beslissen of transplantatie mogelijk is en of er onmiddellijk mag worden geopereerd.


Natuurlijk gelden hiervoor protocollen die streng worden gehandhaafd.


Maar kent ieder ziekenhuis dezelfde criteria?


Wat gebeurt er met een donor die in het buitenland verongelukt?


Op de genoemde website is alle informatie te vinden, tot en met het meest recente hersendoodprotocol, zoals dat in Europa grotendeels wordt nageleefd. Maar precies dat woordje 'grotendeels' roept vragen op.


Dat geldt ook voor de interviews met nabestaanden op de site. Hieruit leer je dat registratie niet doorslaggevend is, maar dat een kundige coördinator overleg heeft met de familie alvorens er tot transplantatie (of niet) wordt overgegaan. Er is voor hen bovendien goede begeleiding tot lang na de uitvaart.


Maar hoe verhoudt een opmerking als: 'Pas na iemands dood wordt gekeken of hij of zij zich ooit als donor heeft aangemeld' zich tot het gegeven dat men alleen iets kan aanvangen met organen van een hersendode die kunstmatig in leven wordt gehouden? Kennelijk wordt geen post mortem-situatie bedoeld. Is dat ook verteld aan de geëmotioneerde familieleden wier toestemming zo gewenst was? En begrepen zij de subtiele, maar belangrijke verschillen wél meteen?


Zelfs als er geen bewustzijn buiten onze hersenen bestaat en we inderdaad uitsluitend ons brein zijn, is een mensenleven met meer verbonden dan een hoopje zachte grijze cellen. Hoewel onzichtbaar voor het oog, is het nauw verbonden met de levens van anderen.


Iemands dood is nooit van hemzelf alleen - en dat geldt ook voor zijn stoffelijk overschot. Verwanten willen erbij kunnen zijn als 'hun' dode nog net niet helemaal morsdood lijkt. Als de deur met een zachte schok of zucht in het slot wordt getrokken, of anders op het eerste moment daarna. Doodgaan is het meest passieve work in progress denkbaar. Er lijkt niets aan te beleven, maar de dierbaren willen iedere trilling in zich opnemen.


Kersverse nabestaanden zijn soms verbaasd over de veranderingen die een ontzield lichaam in de loop van een paar etmalen nog kan ondergaan; diep ingevallen wangen krijgen hun vlezigheid weer terug, samengeknepen, blauwige lippen ontspannen en er lijkt zelfs een glimlach te verschijnen. Zwellingen verdwijnen, wonden lijken kleiner, vager; alsof de natuur ze vakkundig wegschminkt, om te verhinderen dat de allerlaatste, soms macabere beelden de toegang tot eerdere mooie herinneringen blokkeren.


Kan dit nog beleefd worden wanneer de gestorvene eerst het materiaal van wildvreemde anderen is, een grabbelton waaruit wordt weggenomen wat het meest van pas komt?


Het kan een hoopgevende, troostrijke gedachte zijn dat er na je dood nog iets tastbaars van je voortleeft.


Maar hoe gaan je nabestaanden om met de wetenschap dat er nog een deel van jou functioneert, en dan ook nog eens heel intiem, in het binnenste van een onbekende ander?


Is deze persoon dat vitale deel van jou wel waard? Betreft het iemand die iets bijzonders van zijn of haar bestaan probeert te maken, die er een zelfde visie en leefwijze op nahoudt?


Een enkele keer proberen nabestaanden van een orgaandonor in contact te komen met de ontvanger en diens familie. Of omgekeerd. Makkelijk wordt het hun niet gemaakt. Terwijl de pogingen kunnen leiden tot een ontroerende ontmoeting, waarin naast dankbaarheid plaats is voor eerlijke, meerduidige gevoelens - bij beide partijen. Zowel de Nederlandse als de Vlaamse televisie zond daar reeds documentaires over uit.


Maar hoe gewoon, of juist: hoe zeldzaam zijn zulke geslaagde ontmoetingen?


Of het nu terecht is of niet, de vraag leeft in hoeverre niet ook organen een zeker vaag geheugen hebben, omdat ze zijn gaan 'staan' naar bepaalde neigingen en gewoonten, voedingsmiddelen, bewegingspatronen, dag- en nachtritmes en emotionele impulsen?


In de film 21 Grams uit 2003, van regisseur Alejandro Innárritu (de titel verwijst naar het verschil in gewicht tussen een levend en een dood lichaam en zou aldus het gewicht van de ziel zijn) gaat een wiskundige na een levensreddende harttransplantatie op zoek naar de weduwe van zijn donor. Ze raken schoorvoetend bevriend, er ontstaat een verhouding, maar als de man onthult dat hij gered is dankzij het hart van de in een verkeersongeluk omgekomen geliefde, voegt dit geen romantiek toe. Integendeel. Dat het hart van haar gestorven echtgenoot haar zelfs over de dood heen trouw is, raakt de weduwe amper. Teleurstelling overheerst: de nieuwe man is niet zelf verliefd op haar geworden, maar louter speelbal van het reeds voorgeprogrammeerde donorhart.


Begrijpelijk dat neurowetenschappers om dit product van de verbeelding zullen lachen.


Maar hoe onvoorstelbaar ook: het acteerwerk is zo levensecht, dat je jezelf toch opeens concrete 'Wat zou ik zelf doen als...'- vragen stelt. Je verzint nieuwe scenario's, en belandt in een gesprek dat je voordien vermeden hebt of veilig abstract hebt gelaten. Bijvoorbeeld in de overtuiging dat we met zijn allen steeds ouder worden en een lever van iemand van 86 waarschijnlijk toch niet meer bruikbaar is.


'Als je ooit zelf een nieuw hart nodig hebt, hoop je toch ook dat iemand Ja heeft ingevuld?!' Het werd in de spotjes ditmaal niet opgemerkt. Hoe terecht deze scherpe vraag ook is, iedere wervingsactie die mensen die niet meedoen op voorhand diskwalificeert, miskent het principe van keuzevrijheid.


Deze miskenning schuilt bovendien ook in de aanprijzing 'Snel & Simpel', terwijl bij zulke belangrijke keuzen een gezonde twijfel best mag worden aangemoedigd.


Liever geen: 'Tussen de bedrijven door', maar ruimte voor bezinning.


Hoog tijd dat potentiële donoren voor vol worden aangezien, door ze ook openhartig te informeren over onderzoek, onzekerheden en onduidelijkheden in het hersendoodprotocol. Pas dan kunnen mensen een afgewogen keuze maken, samen met hun naasten. Niet al monddood gemaakt door morele oordelen vooraf, maar goed getraind.


Wervingscampagne krijgt ook kritiek


Maandag start de Donorweek. De overheid, belangengroepen en bedrijven werven dan orgaandonoren (jaofnee.nl). Désanne van Brederode schreef dit stuk met het oog op een aankomend congres van de Stichting Bezinning Orgaandonatie, die kritiek heeft op dit soort voorlichting (orgaandonatie.biz).


DÉSANNE VAN BREDERODE


(1970) is schrijfster. Zij geeft vaak lezingen over levensbeschouwelijke thema's.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden