We zijn een niet bijster tolerant land

Wat herdenken we, nu de meesten van ons de Tweede Wereldoorlog niet meer hebben meegemaakt? En hoe herdenken we in een niet bijster tolerante samenleving? Robert Vuijsje zoekt een antwoord.

De Herdenking van vorig jaar op de Dam. Beeld anp

Mijn vader kondigde een paar weken geleden aan dat hij een verrassing had. Een dvd die hij had laten maken van de homevideo's die waren opgenomen tijdens mijn jeugd. Filmpjes van toen ik net zo oud was als mijn kinderen nu zijn. De dvd bekeek ik met mijn twee zoons.

Mijn oudste zoon (8) heeft een moeder die oorspronkelijk uit Brazilië komt en min of meer dezelfde huidskleur heeft als ik. Mijn oudste zoon lijkt als twee druppels water op mij toen ik zo oud was als hij - al denkt zijn moeder dat hij meer op haar lijkt. De moeder van mijn jongste zoon (5) heeft haar wortels in Suriname. Hij ziet er creools uit - al denk ik dat hij meer op mij lijkt, maar dan in een creoolse variant.

Mijn oudste zoon keek aandachtig, het was de eerste keer dat hij bewegende beelden zag van zichzelf, maar dan in mijn gedaante, 35 jaar eerder. Mijn jongste zoon keek niet langer dan een paar seconden, al kan dat ook liggen aan het voor zijn leeftijd en generatie zo kenmerkende gebrekkige concentratievermogen.

Ik keek naar mezelf als kind en dacht aan het leven dat daarop volgde. En ik keek naar mijn kinderen en dacht, zoals wel vaker, aan het leven dat op hun jeugd zal volgen. De oudste is blank met donker haar, de jongste is niet blank. Zullen zij daardoor verschillende levens krijgen? De oudste keek naar een dvd van zijn vader als kind en zag hoeveel ik op hem leek. De jongste zag binnen een paar seconden dat ik niet op hem leek toen ik zo oud was als hij - voor zover hij dat nog niet wist. Hadden mijn jongste zoon en ik daardoor een andere relatie dan ik had met mijn oudste zoon? Was het belangrijk hoeveel ze op mij leken?

Ook moest ik denken aan een andere gebeurtenis. Een paar jaar geleden, zijn moeder en ik waren nog samen, bezocht ik met mijn oudste zoon Brazilië. Mijn voormalige schoonfamilie beslaat alle kleuren die ze in Brazilië beschikbaar hebben. Ik hoorde een gesprek tussen twee neefjes van mijn oudste zoon. Een van die neefjes was Leandro, de donkerste van de hele familie. Ze bespraken de huidskleur van alle neefjes en nichtjes en stelden een ranglijst op, alsof het een Top40-hitparade was. De uitslag luidde: Leandro was de donkerste van allemaal en Sonny, mijn zoon, de lichtste. Al begrepen ze ook dat dit kwam doordat hij in Europa woonde, waar de zon nooit schijnt.

Dit was hoe ze in Brazilië naar afkomst kijken. Binnen één familie bestonden vele verschillende kleuren. En die kleuren betekenen iets, dat wisten zelfs deze jonge kinderen. Zoals over de hele wereld geldt, en vooral in de zogeheten Derde Wereld van gekleurde mensen: hoe lichter het kind, hoe groter de kans op een succesvol leven. Dat is in Brazilië de context. De Nederlandse context is zo ver weg dat die in Brazilië in het geheel niet bestaat.

Nederlanders zijn er in alle kleuren. Het land is veranderd ten opzichte van vijftig jaar geleden. Dit zijn wij nu. Beeld Angélica Dass

Hitler als voornaam

De Tweede Wereldoorlog is daar een geschiedkundige gebeurtenis die zich bijna honderd jaar geleden afspeelde aan de andere kant van de planeet. De gemiddelde Braziliaan kent de details niet, die hele oorlog speelt geen enkele rol in zijn leven. Een vriend van mijn ex-echtgenote heet Hitler van zijn voornaam. Zijn ouders wisten niets meer over deze historische figuur dan dat hij een krachtige Europese staatsman was. Zoiets als Churchill of Gorbatsjov. Zijn ouders hadden Hitler net zo goed Stalin of Mussolini kunnen noemen. De enige keren dat hij last heeft van zijn voornaam is wanneer Hitler naar Europa reist en het douanepersoneel met verbazing zijn paspoort bekijkt.

Dat is de context aan de andere kant van de wereld. Onze context is dat ik keek naar een filmpje van mezelf uit de jaren zeventig, ik zag mijn zwarte haren en het uiterlijk dat zo lijkt op dat van mijn oudste zoon en onbewust dacht ik: o ja, dat was een andere tijd. Een tijd waarin de oorlog pas vijfentwintig jaar voorbij was en veel nadrukkelijker aanwezig dan nu. Een tijd waarin miljoenen Nederlanders de oorlog nog hadden meegemaakt. Een tijd waarin de oorlog niet, letterlijk, een onderwerp was geworden waarover alleen heel oude mensen uit eigen ervaring konden meepraten. Een tijd waarin de Marokkaan in Nederland niet bestond. Een tijd waarin een jongen met zwarte haren en een onbestemd mediterraan uiterlijk iets anders betekende dan vandaag. In de jaren zeventig betekende het namelijk: een Jood.

Een militair tijdens de Nationale Dodenherdenking. Beeld anp

Ook waren de jaren zeventig een tijd waarin de Nederlandse rol in de slavernij niet bestond en niet werd herdacht. Een tijd waarin geen discussie werd gevoerd over het afschaffen van de subsidie voor de herdenking van die Nederlandse slavernij -terwijl de 4-mei-herdenking gewoon gesubsidieerd blijft. Een tijd was het waarin wij als Joden het alleenrecht hadden op leed en mishandeling en gediscrimineerd worden. Een tijd waarin we op dat gebied geen wedloop hoefden te houden met andere minderheden. Een tijd waarin ik mezelf tijdens discussies niet de volgende argumenten hoorde gebruiken: ja, maar de oorlog was veel recenter dan de slavernij, de daders en slachtoffers zijn nog in leven, en bovendien vond het plaats hier op de straat waar wij nu staan, terwijl in Nederland nog nooit een slaaf heeft rondgelopen.

Het was een tijd waarin 4 mei nog geen verdedigingslinie hoefde op te bouwen om te voorkomen dat de herdenking werd uitgebreid naar alle oorlogslachtoffers aller tijden - en ook nog tot alle deelnemers aan alle oorlogen. Tot de Duitsers aan toe, want die hebben het er zo moeilijk mee.

Ten slotte waren de jaren zeventig een tijd waarin Joden nog gewoon oorlogsslachtoffers waren. Een bevolkingsgroep die uit hun huizen was gehaald en als vee op transport gezet om te worden afgeslacht. In Nederland, het land met het laagste percentage Joodse overlevenden van heel Europa, gebeurde dat met volledige medewerking van de overheid, de politie en het openbaar vervoer, inclusief de spoorwegen. In Europa volgden de jaren zeventig zo kort op de Tweede Wereldoorlog dat de Joden niet waren getransformeerd naar een volk van rijke stinkerds die achter de schermen alles stiekem regelden en de macht over de hele wereld in handen hadden. Een volk dat niet collectief verantwoordelijk was voor het beleid van de Israëlische regering. In de jaren zeventig waren de Joden nog niet een volk dat werd verweten: als slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog zijn jullie zulke grote experts geworden in oorlogsmisdaden dat jullie beter zouden moeten weten.

Naoorlogs verzet

Mijn 4 mei-gevoel heeft dezelfde complicatie als het leed van andere bevolkingsgroepen dat is gebaseerd op een geschiedenis van voor wij werden geboren. In Nederland zitten wij in 2015 allemaal in het naoorlogs verzet, tenzij wij ouder zijn dan 90 jaar en daadwerkelijk tijdens de oorlog in het verzet hebben gezeten. Het blijft enigszins kunstmatig tegen elkaar opbieden. De Joodse Nederlander zegt: ja, maar onze oorlog was erger dan die slavernij van jullie en ook zoveel recenter. De zwarte Nederlander zegt: nee hoor, onze slavernij was erger en ook zoveel grootschaliger en langduriger. De Marokkaanse Nederlander zegt: die shit van jullie was misschien erger, maar jullie hebben het niet zelf meegemaakt, het is van vroeger, wij kunnen nú geen stageplek krijgen en ook geen baan.

De complicatie ligt erin dat het niet onze eigen pijn is en toch ook weer wel. Het voelt alsof het niet van ons is omdat we het leed niet zelf hebben doorstaan, maar toch voelt het ook weer wel van ons. Of het nu de Tweede Wereldoorlog is of de slavernij, het werkt door in de huidige tijd. Als ik voor mezelf mag spreken: de Tweede Wereldoorlog heeft invloed op hoe ik kijk naar de Nederlandse overheid en hoe ik me voel tussen de Nederlandse autochtone bevolking. Hoewel sommige van mijn beste vrienden blonde Hollanders zijn die net zo lang na de oorlog werden geboren als ik, blijf ik toch onbewust in mijn achterhoofd houden: als ze het toen hebben laten gebeuren, kunnen ze het nu ook weer laten gebeuren.

Koning Willem-Alexander en koningin Maxima op de Dam. Beeld anp

Wanneer ik vertel dat ik niet geloof in religie, dus ook niet in de joodse variant, vragen mensen mij wel eens: maar hoe kun je dan Joods zijn? Wat betekent Joods zijn als de religieuze kant voor jou niet bestaat? Voor mij is het een gevoel van verbondenheid met andere Joden. En dat gevoel heeft voor een substantieel deel te maken met de Tweede Wereldoorlog. Nederlandse Joden bestaan in alle soorten en maten. Daar zitten ook textieljoden bij en geldjoden, met wie ik verder weinig tot niets gemeenschappelijk heb. Maar wanneer ik voor het eerst een Nederlandse Jood ontmoet, wie het ook is en hoeveel wij van elkaar verschillen, voel ik automatisch een onuitgesproken verbondenheid. Zonder de details van elkaars familiegeschiedenis te kennen, weten wij van elkaar dat die historie vergelijkbaar zal zijn. Geen enkele Joodse Nederlandse familie is aan de Tweede Wereldoorlog ontkomen. Wij weten van elkaar: dit is met onze familie gebeurd en wij wonen nog steeds in het land waar het is gebeurd, tussen de nakomelingen van de mensen die het hebben laten gebeuren. Of ik die automatische en onvoorwaardelijke verbondenheid net zo sterk zou voelen als de Tweede Wereldoorlog niet had plaatsgevonden? Dat betwijfel ik.

Het is een van de mysteries van het tegen elkaar opbieden wie het grootste leed heeft ondergaan. Normaal zou je zeggen dat het niet een club is waar je bij wil horen. Wat is er aantrekkelijk aan onheil en dood en verderf? Waarom zou je een afstammeling willen zijn van oorlogsslachtoffers of slaven? Waarom zou je Joods willen zijn? Zoals mijn beste vriend ooit tegen mij zei: jij bent iets, je hoort ergens bij. Zelf was hij een onbestemde kaaskop, hij hoorde nergens bij. In zijn eigen beleving hoorde hij alleen bij de mensen die schuldig waren, tot het tegendeel werd bewezen. Als Jood krijg je een verhaal en een identiteit er gratis bij. Als nakomeling van slachtoffers van misdaden tegen de menselijkheid is het overzichtelijk: één ding is zeker, je staat sowieso aan de goede kant van het verhaal. Al heb je dat verhaal niet per definitie zelf meegemaakt.

Mijn particuliere 4 mei-gevoel is ontstaan door de verhalen van de familie van mijn vader. Mijn opa en drie broers van hem overleefden de oorlog. De helft van het gezin was intact gebleven, in Nederland een bovengemiddeld goede score. Iedere familiebijeenkomst tijdens mijn jeugd, of het nu een verjaardag was of Sinterklaas of Nieuwjaar, kende hetzelfde patroon. De broers van mijn opa kwamen binnen, gingen zitten en begonnen te praten over de oorlog. Mijn opa sprak er geen woord over. In onze familie bestonden twee varianten: overlevenden die er nooit over praatten, zoals mijn opa, of mensen die over niets anders praatten, zoals zijn broers. Tussen de broers bestond een hiërarchie op dit gebied. Oom Nathan stond bovenaan, hij had Auschwitz overleefd. In de keuken van het huis van mijn opa stroopte hij zijn overhemd omhoog en liet me zijn kampnummer zien - voor mij de reden om nooit een tatoeage te nemen. Na Nathan kwamen Bram en Jaap, die op diverse plekken in het land zaten ondergedoken. Onderaan stond mijn opa. Hij was in Amsterdam gebleven bij zijn vrouw, mijn niet-Joodse oma, en had daar een paar jaar in een kast doorgebracht.

Niet volwaardig Joods

Dat mijn oma niet Joods was, betekent dat mijn vader het officieel ook niet is. Over dit diepe onrecht zal ik verder niet uitwijden, mijn vader heeft het al moeilijk genoeg rond 4 mei. Hij is keurig geboren in 1942 en heeft als peuter de hongerwinter meegemaakt, maar toch mag hij niet volwaardig meedoen als Jood. Gelukkig is mijn moeder wel netjes van beide kanten Joods, waardoor ik probleemloos door de ballotage kom, maar dat betekent niet dat zich verder geen problemen hebben voorgedaan.

De vader van mijn moeder werd geboren in Petach Tikva, een buitenwijk van Tel Aviv, in een land dat destijds Palestina heette. De moeder van mijn moeder werd geboren in Alexandrië. Hun families waren de pogroms ontvlucht in Rusland, Oekraïne en Polen. Tegen de tijd dat mijn moeder werd geboren, woonden haar ouders in New York. Haar familie woonde verdeeld over Amerika en Israël, of het was ze aan het eind van de negentiende eeuw niet gelukt de pogroms te ontvluchten. Voor zover ze in 1940 nog in Oost-Europa woonden, waren hun overlevingskansen niet groot, maar dit speelde zich af buiten het gezichtsveld van de familie die een halve eeuw eerder uit dat deel van de wereld was ontkomen.

Voor mijn moeder in het veilige New York was het verhaal van de pogroms en de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa ver weg. En voor mij in Amsterdam was het al helemaal ver weg. De oorlogsverhalen van de familie van mijn vader had ik mijn hele leven gehoord, hun ervaringen waren voor mij tastbaar. Ik had ze uit de eerste hand gehoord van mijn eigen familie. Wanneer ik aan de Tweede Wereldoorlog denk, of erover schrijf, gaat het over deze verhalen, uit Nederland.

Ik heb een Joodse moeder die zich graag overal mee bemoeit en een sterke mening heeft. Het was niet één keer, niet twee maal en ook na de derde keer hield ze niet op met vragen: waarom heb je het altijd over die oorlog in Nederland? In Europa bestaan andere landen en een andere helft van jouw familie, waar ook veel verhalen in de aanbieding zijn over moord en doodslag en vluchten en onderduiken en Joden en oorlog. Het is geen exclusief privilige van Nederlandse Joden. Wat is er zo speciaal aan die familie van je vader? Waarom heb je het nooit over mijn familie?

Mijn eigen context. Waar denk ik aan om acht uur op 4 mei? Sinds 2001 denk ik aan de reis die ik naar Auschwitz maakte in het jaar ervoor. Mijn ome Nathan was vijf jaar eerder overleden. Zijn zus Alida, de zus van mijn opa, haar man Gerrit en hun kinderen Marcus en Jeannette zijn in 1942 in Auschwitz vergast. Een jaar later gebeurde hetzelfde met Louis, een andere broer van mijn opa. Wij zijn een echte Auschwitz-familie. Alleen voor de ouders van mijn opa, Isaac en Schoontje, had de trein Sobibor als eindpunt, in 1943.

Op 4 mei denk ik om acht uur aan wat ik zag in Auschwitz. Tegenwoordig schijnt het een Disney World-achtig attractiepark te zijn geworden, vijftien jaar geleden was het vrij sober. Wat ik zag: een enorm terrein omringd door bossen, afgesloten van de rest van de wereld, zodat niemand kon zien wat daar gebeurde. Ik zag een spoorbaan die stopte midden op het grote grasveld - waren het tien voetbalvelden bij elkaar of twintig of dertig? Overal houten barakken. Ook de gaskamers mochten worden bezichtigd. Bij het einde van de spoorbaan begon ik met lopen. Ik keek om me heen en dacht: dit hebben zij ook gezien, hetzelfde grasveld, dezelfde bomen eromheen, dezelfde barakken. Mijn oom Nathan is hier geweest, hem heb ik gekend. Mijn andere familieden die hier hebben gelopen niet. Ze zijn aan onze familie onttrokken. Werden ze vanaf de trein direct naar de gaskamer gebracht of verbleven ze eerst in de barakken, en hoe lang dan? Wisten ze wat er ging gebeuren toen ze uit de trein stapten? Op 4 mei om acht uur zie ik Auschwitz voor me, zoals ik er in oktober 2000 heb rondgelopen.

Geen hulptroepen nodig

Ik behoor tot de stroming die vindt dat 4 mei exclusief voorbehouden moet blijven aan het herdenken van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. De Tweede Wereldoorlog heeft geen hulptroepen nodig van ander onrecht om een eigen herdenking te rechtvaardigen. Maar dat betekent niet dat wat relatief zo kort geleden in ons land is gebeurd niet in een breder perspectief kan worden bestudeerd.

De homevideo's uit de jaren zeventig waren van mijn broertje en mij. Ook toen al had mijn broertje bruin haar en was dat van mij zwart. Ik vermoed dat mijn broertje de homevideo's bekeek en twee spelende kinderen zag. Wat ik zag: twee spelende kinderen met verschillende kleuren haar. Het deurtje dat in mijn hoofd automatisch werd geopend: wat voor invloed had dat op de rest van ons leven? Mijn theorie is dat ik me meer dan mijn broertje heb geïdentificeerd met andere zwartharige mensen. Omdat ik zwart haar had en hij eruit zag als een autochtone Hollander. Het is geen parmantige aanstellerij, maar de realiteit voor, denk ik, alle zwartharige Nederlanders: om bijna alles te zien in kleur en afkomst - ook een oude homevideo van twee spelende kinderen.

Het bredere perspectief: waar zwartharige Nederlanders overal kleur en afkomst zien, daar zien autochtone Hollanders die nergens. Ze hebben nooit een reden gehad om erover na te denken. Zo lang zijn ze cultureel dominant geweest dat hun eerste reactie over raciale kwesties meestal is: waar heb je het over?

In de Verenigde Staten hadden ze slavernij en daarna segregatie en tegenwoordig blanke politieagenten die zwarte burgers doodschieten. In Frankrijk is moderne en keiharde segregatie ontstaan tussen de banlieus en de rest van het land. In ons land zijn de verhoudingen blootgelegd door Zwarte Piet. Dat past bij ons. In 1940 gaven wij ons binnen vijf dagen over aan de Duitsers, vanaf 2013 voeren wij voor het eerst een openlijke en nationale discussie over de raciale verhoudingen in ons land - en de aanleiding is een zwart geschminkt personage bij een kinderfeest. In andere talen bestaat geen equivalent van het woord kneuterig.

Om het bredere en actuele perspectief te bestuderen van wat wij op 4 mei herdenken, ben ik vorig jaar begonnen aan een interviewserie in de Volkskrant. Elke week spreek ik een Nederlander die ook nog een andere afkomst heeft. Het zijn geen hangjongeren die op een pleintje staan te schreeuwen dat ze worden gediscrimineerd en buitengesloten. Dit zijn succesvolle mensen.

Na veertig afleveringen zie ik een aantal patronen.

Eén. Ongeacht wat hun afkomst precies is: die speelt altijd een grote rol in hun leven. Dat staat los van politieke correctheid en geldt ook voor zogeheten allochtonen met een rechtse politieke voorkeur.

Twee. Zonder uitzondering zijn ze het erover eens: discriminatie en racisme bestaan in Nederland. Dat is een gegeven, een uitgangspunt waar ze vanaf hun jeugd mee te maken hebben. De vraag is: hoe ga je ermee om? En hoe zorg je dat je niet in een slachtofferrol komt? Meestal heeft de oplossing iets te maken met de les die ze van hun ouders kregen: dat ze harder moeten werken dan een autochtone collega.

Drie. Ze herkennen zich niet in het beeld van Nederland op de televisie en in kranten en tijdschriften. Voor zover ze zelf in de media werken is dat in een situatie waarin ze per definitie anders zijn en buiten de standaard vallen.

Vier. Ze zijn geboren of wonen bijna hun hele leven in een land waarvan ze weten dat de meeste inwoners ze niet als echte Nederlanders beschouwen.


Vijf. Wanneer ze om zich heen kijken, zien ze een land in ontwikkeling. Een land dat er wat samenstelling betreft radicaal anders uitziet dan vijftig jaar geleden. Of dat nu als positief of negatief wordt gezien, het ís zo. Tegelijkertijd zien ze dat veel autochtone landgenoten, bewust of onbewust, blijven doen alsof deze ontwikkeling niet bestaat. Alsof dit hetzelfde land is als vijftig jaar geleden. En iedereen die hier te gast is, alsof ze een middag op een verjaardagspartijtje zijn uitgenodigd, zich maar moet aanpassen. En anders oprotten naar hun eigen land.

FC Utrecht-Ajax

Op 5 april, werd de voetbalwedstrijd FC Utrecht-Ajax gespeeld. Hoe je dit aan buitenlander moet uitleggen is een raadsel, maar tijdens die wedstrijd richtten de supporters van FC Utrecht op de Bunnikside zich tot de supporters van Ajax, die niet Joods zijn, maar roepen dat ze het wel zijn. De tekst luidde als volgt:

Mijn vader zat bij de commando's
Mijn moeder zat bij de SS
Samen verbrandden zij Joden
Want Joden die branden het best

Is dit lied antisemitisch? Ja. Het is verbijsterend hoe een tribune vol volwassen mensen deze tekst kan zingen in een land waar slechts zeventig jaar geleden de Tweede Wereldoorlog was afgelopen. Maar ook: nee, het is niet antisemitisch, want de bedenkers van het lied wisten dat ze zich niet richtten tot echte Joden, maar tot voetbalsupporter die slechts roepen dat ze dat zijn. Wat mij vooral raakt is de achteloosheid waarmee dit lied in de openbare ruimte door een zo grote groep mensen wordt gezongen. Het is deze achteloosheid die dit, gezien de toch best recente geschiedenis, zo pijnlijk maakt.

Lees hier de peiling van Frank Hettinga over hoe antisemitstische spreekkoren voorkomen kunnen worden.
De peiling werd gehouden naar aanleiding van de wedstrijd tussen FC Utrecht en Ajax.

Wanneer het over antisemitisme gaat, wordt de laatste jaren vaak de nadruk gelegd op moslims. Alsof zij dit hiervoor niet-bestaande fenomeen naar Europa brachten. Gezien de manier waarop in het Midden-Oosten en Noord-Afrika over Joden en Israël wordt gesproken, kan het niet anders dan dat in Nederland vele duizenden moslims wonen die Joden haten. Alleen hebben zij nooit een Jood naar een concentratiekamp gebracht. Zij hebben nooit met medewerking van de overheid, de politie, het openbaar vervoer, met medewerking van de complete infrastructuur van Nederland ervoor gezorgd dat zoveel mogelijk Joden werden afgevoerd naarde gaskamer.

Ook in 2015 zullen ze dat niet doen. Omdat ze simpelweg niet de machtspositie hebben om zoiets voor elkaar te krijgen. In de Nederlandse politiek hebben moslims niets te vertellen, bij de politie niet, bij de overheid niet. In Europa vormen zij niet een potentieel machtsblok van het type waar wij nu bij stilstaan. Het enige middel dat ze hebben, en ook daadwerkelijk gebruiken, is dat van de desperate terreuraanslag. Hoe ontwrichtend en verschrikkelijk ook, het blijft van incidentele aard en is niet zo beangstigend als een land dat zich massaal mobiliseert.

Die massale mobilisatie en ook de achteloosheid waarmee mensen zonder na te denken ergens in meegaan of gezamenlijk een lied zingen, zonder de historische beladenheid daarvan te beseffen - voor mij betreft is dat wat wij herdenken.

Herdenkingslezing: Tolerantie anno nu

Dit is een verkorte versie van de herdenkingslezing 'Tolerantie anno nu' die Robert Vuijsje zal uitspreken op 4 mei bij Studium Generale van de Universiteit Utrecht. Live meekijken kan hier.

Dit artikel kwam mede tot stand met ondersteuning door het Dialoog Verhalenfonds.

Een inventaris van al onze kleuren

Rood, geel, blank, zwart: die huidskleur heeft niemand laat Angélica Dass zien in haar project Humanæ. Daarvoor portretteerde ze honderden vrijwilligers en zette hen tegen een achtergrond van Pantone-kleuren, een systeem van kleurcoderingen dat in de grafische industrie wordt gebruikt. Op die manier wil Dass alle schakeringen van de menselijke huid laten zien.

humanae.tumblr.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden