We zijn bang voor robots omdat we vrezen dat ze iets doen wat wij niet kunnen

'Wij worden ingezet als laatste redmiddel om de democratie te herstellen. Wij zijn getraind om te doden. Martelen. Een strot doorbijten als het moet. Wij zijn killers. Na ons is er niemand meer.'

Het interview met twee oud-mariniers dat gisteren in deze krant stond, zal veel lezers de koude rillingen hebben bezorgd. Als je de mariniers erop afstuurt, vertellen de twee, dan vallen er in principe doden. Daar trainen ze voor. Hun schietschijven hádden niet eens benen.

Bij de Molukse kapingen in 1977 waren ze bovendien bewapend met uzi's: als je één keer de trekker overhaalt, vuren die meteen een paar kogels achter elkaar af - 'prrrrrt' - zo zijn ze gemaakt. Om te doden.

Je weet dat het zo werkt, en toch schrik je ervan. Mensen zijn te 'programmeren' om meedogenloos te zijn. Dat moet trouwens ook wel, want anders kun je geen oorlog winnen: een leger van gevoelige intellectuelen die zich fantastisch kunnen inleven in de menselijke beweegredenen van de vijand is waardeloos. Harde vechtmachines heb je nodig. Die treinkapers waren in staat om mensen te doden, en dus moesten de mariniers dat ook zijn: killers zonder angst of empathie, ongehinderd door welke emotie dan ook.

Zo beschouwd ligt het redelijk voor de hand om soldaten te vervangen door robots. Die hebben geen last van emoties en ook geen vrouw of kinderen aan wie je het slechte nieuws moet vertellen als ze kapot zijn geschoten.

Onbemande drones zijn een stapje in de goede richting, al worden ze nog altijd op afstand bestuurd door mensen. Mensen die fouten maken, die slecht slapen als ze iemand hebben gedood, ook al is het iemand aan de andere kant van de wereld. Hopelijk is het een overgangsfase: in de toekomst zijn buitenlandse strijders óók robots.

De huidige weerstand tegen geautomatiseerde oorlogsvoering is vooral emotioneel. Er zijn ook terechte zorgen, bijvoorbeeld over hackers die met één muisklik een heel leger zouden kunnen overnemen, maar voor elk nadeel van robots kun je tien nadelen van mensen opnoemen.

Het grootste bezwaar tegen robot-mariniers blijft dat wij mensen het een eng idee vinden. Precies zoals wij het eng vinden dat mensen zich in oorlogstijd gedragen als machines, zo vinden wij het ook geen prettig idee als machines zich als mensen gedragen. Blijf bij je soort, zegt ons gevoel.

Robotpoppen, zelfs als ze krankzinnig goed zijn gemaakt, wekken bij proefpersonen nog steeds een angstige giecheligheid op. Niet omdat we bang zijn dat ze ons zullen begrijpen of onze baantjes zullen inpikken, maar juist omdat we vrezen dat ze iets doen wat wij níét kunnen: hoe meer een pop op een mens lijkt, hoe enger de gedachte dat hij vanbinnen uit metaal bestaat, dat je zijn arm kunt breken zonder dat het pijn doet, dat hij opeens keihard kan gaan piepen terwijl zijn hoofd langzaam rondjes draait.

Dat wantrouwen jegens robots zit diep. Je ziet het ook bij de zelfbedieningskassa in de supermarkt. De rij bij de gewone kassa is langer, je wéét dat dat ene kassameisje extreem sloom is, en tóch sluit je braaf achteraan. Ik wel. Want als zij een fout maakt, dan snap ik tenminste wat er misgaat.

Als zij met een collega kletst, weet ik dat ik elk moment 'Hee, hallo!' kan roepen, en dat ze dan schrikt. Terwijl: als de zelfscanner hapert, ga ik meteen op tilt, wil ik dat hele ding slopen, uit machteloosheid en onbegrip.

Hetzelfde geldt voor de robotchirurg. Die kan preciezer snijden dan een mens, is nooit doodmoe of dronken. Allemaal voordelen. Maar wie zegt mij dat hij niet opeens doordraait of het Windowslogo uit mijn voorhoofd snijdt?

Ook de robotrechter, waarmee in Amerika al wordt geëxperimenteerd, zal daar voorlopig op stuklopen. Niet gehinderd door enige vorm van empathie zal zo'n systeem uiteindelijk rechtvaardiger zijn dan het huidige. Robotrechters, mits goed geprogrammeerd, zijn niet racistisch, apolitiek en volstrekt consequent.

Maar rechtspraak draait ook om vertrouwen. Noem mij ouderwets, maar ik word nog liever veroordeeld door een dronken gek dan door een veredelde zelfscankassa.

Meer over