We worden verliefd op de grootste idioot

Steven van Watermeulen heeft eigenlijk geen zin in dit interview. Maar hij denkt: 'Ik moet het doen, het is goed voor Het Zuidelijk Toneel....

Mensen moeten in theater geloven. Vindt Caligula. Hij zegt, niet zonder spot: 'Het is ieder mens toegestaan de hemelse tragedies te spelen en god te worden.' Steven van Watermeulen (28) schudt het hoofd. 'Nee, nee - zoals het niet iedereen gegeven is te schilderen of huizen te bouwen.' Hij speelt de Romeinse heerser in Caligula van Albert Camus, vanavond in Eindhoven in première bij Het Zuidelijk Toneel - regie: Ivo van Hove. 'Als acteur moet je bereid zijn tot een zekere transparantie van het palet van gevoelens.' Dat is mooi gezegd. Nu concreter: 'Je zet jezelf in het volle licht te kijk.'

Caligula is na de dood van zijn geliefde uitzinnig van verdriet. Niets doet er nog toe, alles is even (on)belangrijk. Hij zal voortaan compromisloos en ongevoelig zijn, hij legt zich toe op een schrikbewind. Caligula pakt de vrouwen van zijn vrienden, hij laat zijn onderdanen doden. 'Ik kan me heel goed voorstellen dat ik iemand zou vermoorden. Maar ik dóe het niet.'

Van Watermeulen grijnst, de keizer was, toen hij zo grimmig en wreed was, even oud als hij nu is. 'Op gruwel staat geen leeftijd. Er zijn kinderen die elkaar afschieten'

Caligula is onverbiddelijk. 'Het voormalige prinsenkind kiest, als zijn geliefde gestorven is, rigoureus. Alle rituelen - liefde, religie - verklaart hij dood.'

Die situatie kent Van Watermeulen wel. Ooit verliet hij Sint Laureins, een piepklein dorpje van driehonderd inwoners in Oost-Vlaanderen. Zijn ouders waren er populair, ze hadden een schoenenzaak in de hoofdstraat. 'Het leven was geborgen en traditierijk. En ik was super-gelovig. In het bidden en misdienaarschap ging ik voor honderd procent op.'

Maar hij mocht mee als zijn vader en moeder in Brussel schoenenbeurzen bezochten, en hij snoof er aan het grootstedelijke leven. Hij vertrok naar Antwerpen om er aan het Conservatorium, de toneelopleiding, door Dora van der Groen binnenstebuiten te worden gekeerd. Geen vaste patronen meer, maar de chaos en het ongewisse. Wat was het jaarlijkse Paasspel in zijn geboortedorp dan overzichtelijk, hoe talrijk waren de blijken van erkenning. 'Ik speelde Jezus en was de star van de school. Als ik voor het kruis stond en Maria naar me keek vóelde ik de pijn.'

Maar onzekerheid is spannender. In Caligula komt Van Watermeulen aan zijn trekken. De levensvragen lokken bespiegelingen uit. Over vergankelijkheid: 'Drie jaar koesterde ik een bananeplant, en nu, na mijn verhuizing, verkommert hij. 'So what, ik koop straks een nieuwe. Ik ben een leeuw, als ik mijn manen schud ben ik het kwijt.' Hij filosofeert over de absolute eenzaamheid: 'Ooit zwierf ik, helemaal alleen, door de woestijn van Marokko. Geen aanspraak, geen mensen - slechts de herinneringen die je eindeloos herkauwt. Goed voor de zelfreflectie.' Van Watermeulen denkt na over schuldgevoel: 'Ik heb geen zin in dit interview met jou, maar denk: ik moet het doen, het is goed voor Het Zuidelijk Toneel. Fout, je schuldig voelen heeft geen zin, ban dat besef uit je leven.'

Hij laat stiltes vallen, formuleert omzichtig - 'Wacht, nee' -, is bang voor clichés. Van Watermeulen spreekt met de handen en met vorsende blikken, hij is een beetje een sfinx. 'Ik investeer niet zo snel diepgravend in nieuwe contacten, de waterval reserveer ik voor een paar goede vrienden. Er is een drang om banden los te maken. Als mensen na een enkele ontmoeting suggereren dat we bevriend zijn, ben ik verbijsterd. Je moet toch veel verder gaan vooraleer je dat zeggen kunt?'

Waar hij ook last van heeft: 'Angsten. De angsten die je je niet bewust bent zijn de ergste. Die confronteren je met je schaduwzijden. Hoe kun je daar hygiënisch mee omgaan?'

Voorbeeld van zo'n angst, tien jaar geleden in Gent: 'Ik zie twee mannen kussen, een confrontatie met seksualiteit zoals ik die nog niet heb meegemaakt. Vragen borrelen op waar ik nog nooit bij heb stilgestaan. Soms zie en zoek je in een ander wat je in jezelf haat.'

De mannen die hij speelde delen geen lieve zoenen uit. Ze beschouwen de vrouw als bron van alle kwaad (Hippolytus in Phaedra, 1995), ze willen zich vergrijpen aan een kuise novice (Angelo in Maat voor maat, 1996). 'Op zijn minst voel ik affectie voor ze. Er is altijd enige sympathie voor de karakters die je speelt. Hoe zou het anders kunnen. Je verheerlijkt facetten van jezelf en die zet je vervolgens dik in de verf.' Trouwens: 'Ik permitteer me geen oordeel. Het oordeel moet rijzen in de zaal.'

In Splendid's (1994) was hij een angstaanjagende agent die zich bij gangsters verschanst, bloedgeil, broek op de knieën. 'Alles voor de kunst. Nee, ik heb daar geen problemen mee.' Het voelde zelfs als een bevrijding. 'Thuis liepen wij nooit naakt, mijn moeder heeft er nu wel eens spijt van. Mijn vader zag ik één keer naakt onder de douche - ja, hoor eens, dat bracht natuurlijk nogal een schok teweeg.'

Dat riekt naar een bekentenis, Van Watermeulen houdt zijn mond. Hij wil alles van iedereen weten zonder zichzelf prijs te geven. 'Dat is de sport, wachten tot iemand iets loslaat. Je moet je keuken kruiden - zodat het leven niet te saai is.'

Nieuwsgierigheid is een groot goed. 'De jacht moet in stand worden gehouden. We worden verliefd op de grootste idioot.'

Huh? Bedoelt Van Watermeulen dat hij, zoals hij eerder vertelde, uit liefdesverdriet desnoods de gordijnen van de ramen trekt? En het dan op een zuipen zet? Nee, hij houdt het zakelijk: 'Verliefdheid valt, als er eenmaal contact is geweest, heel simpel op te wekken. Daar zijn handige trucjes voor, daar ben ik van overtuigd.'

De passie als mechanisme, verleiding met voorbedachten rade. 'Nee zeg, hou op, ik heb nu genoeg sluiertjes opgetild.'

Hij glimlacht bedaard, de handen voor een moment gevouwen. Moet je 'm na afloop van een voorstelling in het café zien - wapperende shawl, grote hoed, lange jas, duidelijk aanwezig. 'Je overdondert me een beetje. Is dat het beeld dat ik oproep? Zo verlekkerd ben ik toch niet op mezelf.'

Hij is voor even van zijn stuk gebracht, de oren zijn rood. 'Het zal een decadent trekje zijn. Het toneel dat we spelen is zo integer en weloverwogen, zo gespeend van flauwekul, dat ik in de kroeg het sterretje in mezelf compenseer. Ik zal wel een narcist zijn. Het heeft geen zin om je daartegen te verzetten, ik schaam me er ook niet voor. Het is wat het is. En het maakt het leven pikanter.'

Ze zeggen ook altijd dat hij zo recht loopt. 'Ik hoef er gelukkig zelf niet naar te kijken.' En dat hij van die merkwaardige hoofddeksels draagt. 'Een hoed staat mooi. En zonder hoed is het in de winter koud. Ik word kaal. Nu kan me dat niet meer schelen - vroeger dacht ik dat ik zou imploderen.'

Alles is vergankelijk, zaligmakend besef, hij citeert Caligula: 'Ik weet dat niets blijft duren! Of hij mij een handje geholpen heeft? Waarschijnlijk heeft hij een steentje bijgedragen.'

Er valt niets te klagen, Van Watermeulen is een zondagskind. Tot nog toe kreeg hij mooie rollen te spelen die hem de ogen openden. Voor zijn rol in Thyestes (1991) werd hij genomineerd voor een Arlecchino, hij werkte met regisseurs als Dora van der Groen en Ivo van Hove, hij kreeg bij Het Zuidelijk Toneel een contract voor vijf jaar. Voorlopig is het schrikbeeld nog lang geen werkelijkheid. Hij hoort wel eens van die verhalen. 'Van theater kun je heel ongelukkig worden. Schraal kan het zijn als je voortdurend in die kluwen van ego's verkeert. Er zijn er die het alleen maar goed voor zichzelf willen doen en zich van de groep niks aantrekken.'

Van Watermeulen heeft er geen ervaring mee, hij kan slechts spreken over voorspoed. Toch voelt hij een zekere schroom als mensen mooie verhalen van hem verwachten. In zijn door het katholicisme gedomineerde geboortedorp heerst een besef van schuld en zonde, daar moet je je niet vergalopperen. Als hij er af en toe terugkomt, houdt Van Watermeulen zich gedeisd. 'Ik ben bang dat ze me zullen verheerlijken als die jongen die theater doet.'

Hij kruipt liever weg. 'Ik realiseer me dat dat onnozel klinkt. Maar als ze vragen wat ik doe, zou ik willen zeggen: ik ben chauffeur op een grote truck.'

Want dit is de grootste angst: 'Het mysterie van het acteurschap wordt blootgelegd.' En dit het alternatief: 'Laat maar sudderen, het is een kacheltje dat ik koester. Als ik mijn passie tot op het bot zou analyseren, zou ik het toneel misschien moeten laten vallen. Ik ben bang dat ik dan tot de conclusie kom dat het niet genoeg voorstelt.'

Zo. Klaar. Tijd voor een doorloop. Hij wandelt gedecideerd en kaarsrecht de deur van het restaurant uit, zonder shawl, zonder hoed.

Voor de goede orde: zijn ouders zijn gepensioneerd, ze hebben geen schoenenzaak meer. Hij wijst naar zijn voeten, schoeisel van het modernste soort. Steven van Watermeulen heeft haar op zijn schoenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden