We wachten nog op de ware 11-septemberroman

Drie dagen na dato opperde Michaël Zeeman in de Volkskrant dat de gebeurtenissen van 11 september 2001, dat de 'rake klappen' die het terrorisme de Verenigde Staten hadden toegebracht, het einde aankondigden van 'het lamme cultuurrelativisme van anything goes'. In de nasleep van de aanslagen liet menige schrijver in interviews of essays inderdaad weten deze gebeurtenissen als een waterscheiding te ervaren, of op zijn minst als een aanleiding tot herbezinning op de eigen positie.


Jay McInerney, vooraanstaand vertegenwoordiger van een generatie auteurs wier werk als de belichaming van 'anything goes' kan worden getypeerd (hoewel in zijn geval telkens ook met een moralistische ondertoon), liet in een essay weten dat veel schrijvers na de aanslagen een periode doormaakten van zelfonderzoek en zelfhaat. Hij had het gevoel dat het opvoeren van verzonnen personages 'triviaal, frivool en plotsklaps vreselijk achterhaald' was. Gaandeweg ontstond er bij hem de overtuiging dat de samenleving juist van zijn schrijvers verwacht dat zij gebeurtenissen als die van 11 september 2001 duiden.


McInerney deed hiertoe een poging met zijn roman The Good Life (Het goede leven, 2006). Hij laat het boek beginnen op 10 september en schetst op de eerste pagina's een veelkleurig beeld van het zelfvoldane bestaan van zijn hoofdpersonen.


Vervolgens slaat het boek een dag over en vervolgt het op 12 september. We zien hoe personages zich aanmelden als hulpverlener bij de geïmproviseerde soepkeuken nabij Ground Zero, hoe ze steeds nadrukkelijker de belichaming worden van een nieuw bewustzijn, een nieuwe levenshouding na de waterscheiding van 9/11. Weg is de ironie die in eerdere boeken een van McInerneys sterkste wapens was. Het resultaat is een roman waarin pogingen tot ernst en oprechtheid regelmatig de grens van de sentimentaliteit dreigen te overschrijden, compleet met gezwollen frasen als: 'Er staat bij ons teveel op het spel om niet eerlijk tegenover elkaar te zijn'.


Johnathan Safran Foer gooide het met Extremely Loud and Incredibly Close (Extreem luid en ongelooflijk dichtbij) over een geheel andere boeg. Hij koos voor een kind als hoofdpersoon: de negenjarige, hyperintelligente Oskar Schell, wiens vader bij de aanval op het World Trade Center om het leven is gekomen. Wanneer Oskar een geheimzinnige sleutel vindt, is dat voor hem het startsein van een speurtocht die tot doel heeft de dood van zijn vader te duiden.


Door te kiezen voor een jonge, veel zaken volstrekt niet begrijpende verteller, heeft Foer gepoogd de zoektocht in zijn roman een zekere lichtheid te geven en zo de sentimentaliteit te voorkomen waar McInerney af en toe wel aan ten prooi valt. Tegelijkertijd levert deze benadering een zekere vrijblijvendheid op. Oskars onbevangenheid is aanstekelijk, maar leidt niet echt tot verheldering of duiding.


Don DeLillo geldt als een van de boegbeelden van het literaire postmodernisme. Van hem kun je zeggen dat hij zijn 9/11-romans al vóór 11 september schreef, met onder meer White Noise (1985) en Mao II (1991). Zijn korte roman Falling Man (Vallende man, 2007) is opgebouwd rond een advocaat die kantoor heeft in het WTC en de ramp ternauwernood overleeft. Hij is een van de mensen die in de nasleep van de ramp op zoek zijn naar structuren die houvast bieden. Hij faalt. In zijn grimmigheid en ontluistering is Falling Man niet zozeer een roman die wil aantonen hoezeer 9/11 onze wereld heeft veranderd. Voor DeLillo zijn de aanslagen van die dag de finale belichaming van wat allang gaande was.


Navrant is het beeld van de performance artist dat DeLillo in dit werk laat opduiken: een kunstenaar die zich op drukke plaatsen van gebouwen en bruggen laat vallen en vervolgens ondersteboven aan een nauwelijks zichtbaar koord blijft hangen, als een overduidelijke referentie aan zij die het inferno van het WTC poogden te ontvluchten. Het is een ongemakkelijk beeld dat de lezer aan het twijfelen zet.


Misschien de krachtigste verwerking van het post-9/11 gevoel is te vinden in Saturday (Zaterdag, 2005) van Ian McEwan. Op de eerste bladzijden ziet hoofdpersoon Henry Perowne een brandend vliegtuig boven de Londense skyline en vraagt zich vertwijfeld af of hier een ongeluk of een aanslag gaande is. De gebeurtenis belichaamt namelijk iets waarvan de hele roman is doortrokken en dat volgens Perowne kenmerkend is voor ons hele bestaan sinds 11 september: een voortdurend aanwezige dreiging, het niet-ophoudende besef dat er iets gruwelijks staat de gebeuren.


McEwan transponeert die sfeer van dreiging vervolgens naar een incident in het leven van zijn hoofdpersoon. In de verwikkelingen die volgen, is voor ironie en relativering geen ruimte, een gegeven dat zijn hoogtepunt bereikt wanneer het gewelddadige optreden van een indringer wordt beëindigd door het voorlezen van een gedicht. De pen is machtiger dan het zwaard.


Er zijn sinds 9/11 tientallen romans verschenen die de gebeurtenissen van die dag en hun gevolgen probeerden te duiden. Een enkele auteur, zoals de Fransman Frédéric Beigbeder, koos voor een zeer rechtstreekse benadering. Zijn roman Windows of the World (2003) volgt van minuut tot minuut de gebeurtenissen in de noordelijke toren, van vlak voor de vliegtuiginslag tot het moment van instorten.


Verreweg de meeste schrijvers opteerden voor een meer perifere opzet, die grotere artistieke vrijheid biedt en minder hoeft te concurreren met de realiteit, die zo genadeloos nauwgezet is vastgelegd dat je je kunt afvragen wat literatuur er nog aan toe te voegen heeft.


Ondertussen is de literaire duiding van een nieuw tijdperk in volle gang. Maar hoe knap Ian McEwan het gevoel van dreiging ook tot leven wekte, hoe integer bijvoorbeeld ook Claire Messuds The Emperor's Children (De kleren van de keizer, 2006) en Joseph O'Neills Netherland (Laagland, 2009) gestalte gaven aan hun visie op de wereld na de aanslagen, een terugblik op tien jaar 9/11-literatuur suggereert toch vooral dat de ultieme roman over dit thema het licht nog moet zien.


Enfin, het grote meesterwerk over de absurditeit van de Tweede Wereldoorlog -Catch-22 van Joseph Heller - verscheen pas in 1961, en Kurt Vonneguts Slaugherhouse Five acht jaar daarna.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden