‘We vochten een gentlemens war’

Zestig jaar geleden greep Nederland militair in op Indonesië om de uitgeroepen onafhankelijkheid te bevechten...

Van onze correspondent Michel Maas

JAKARTA Het is rond zes uur in de ochtend. Op een onhoorbaar commando beginnen machinegeweren de stelling van de jonge Sukotjo Tjokroatmodjo te bestoken. Hij ligt met veertig kadetten aan de Porong-rivier. Hij hoort het geronk van de ‘Bren Carriers’ die de grote Porong-brug oversteken. Die brug hebben de Nederlanders in januari al veroverd, en van daaruit lanceren zij nu de aanval.

Het is 9 augustus 1947. Nederlandse troepen hebben bij het aanbreken van de dag de eerste ‘politionele actie’ ingezet, die in Indonesië steevast ‘de agressie’ wordt genoemd. De Nederlanders overdonderen in een mum van tijd de Indonesische stellingen.

Een van Sukotjo’s kadetten moet het eerste slachtoffer van de actie zijn geweest. ‘Hij leende mijn kijker om de opmars van de Nederlanders te verkennen. Hij werd getroffen door een mitrailleur, en kreeg vier kogels, één midden in zijn hart.’ Sukotjo trekt zich terug met zijn kleine peloton, en slaagt erin de komende twee jaar uit handen van de bezetters te blijven.

Hij is nog geen twintig als de gevechten losbarsten. Hij is zeventien als hij in 1945 voor het eerst een Japans geweer in zijn handen gedrukt krijgt. De Japanners hebben na de capitulatie vijftigduizend geweren en machinegeweren achtergelaten voor de Indonesiërs.

‘Toen ik dat geweer kreeg ben ik maar gaan vechten’, zegt Sukotjo, zestig jaar later, laconiek. Op 9 augustus 1947 heeft hij net zijn officiersopleiding afgerond, hij is vaandrig, bijna luitenant, en pelotonscommandant. Hij wordt lid van de lijfwacht van Soekarno, is erbij als deze Yogyakarta en zichzelf overgeeft. ‘Ik wil doorvechten, zodat hij kan ontsnappen. Maar hij zegt tegen mij, alsof hij een toespraak houdt: ‘Merah Puti (rood wit, de Indonesische vlag) zal zich nooit overgeven. Maar dit huis (Yogyakarta) geven wij nu even aan de Nederlanders.’

Sukotjo Tjokroatmodjo zit nu, zestig jaar na het begin van ‘de agressie’, nog bijna dagelijks tot over zijn oren in die oorlog. Hij is vicevoorzitter van de nationale veteranenvereniging van Indonesië, en voorzitter van ‘Paguyubang Wehrkreis III Yogyakarta’, de organisatie van veteranen die bij Yogyakarta hebben gevochten. Hij noemt dat zijn ‘sociale plichten’.

Elke dag hangen bij zijn kantoor wel wat oude mannen rond die het verleden maar moeilijk kunnen loslaten. ‘Ik doe dit werk voor deze mannen, he? Ik ben een van de jongsten, ziet u?’ ‘Pak Kotjo’, zoals hij wordt genoemd, werkt aan een boek en schrijft elke week wel een of twee toespraken, nog altijd in het nette handschrift dat hij ooit van de Nederlanders heeft geleerd.

Hij spreekt vlekkeloos Nederlands, en heeft daar geen enkele moeite mee. ‘Vijandschap tegen de Nederlanders? Nee. Dat heb ik helemaal niet. Tijdens de oorlog ook niet. Er waren Nederlanders waar wij zelfs bewondering voor hadden.

En nu zijn er onder mijn vrienden mannen die vrienden hebben in Nederland, maar natuurlijk zijn er ook nog wel mannen die vijandschap voelen tegen de Nederlanders. Maar hun aantal neemt af, naarmate wij ouder worden he? Velen zijn er al gestorven.’

De schaamte die in Nederland soms nog bovenkomt over wat er destijds in Nederlands-Indië is gebeurd, wordt op Sukotjo’s veteranenkantoor in Jakarta niet begrepen. Sukotjo: ‘Wij hebben een oorlog gevochten. Dat was een oorlog tussen soldaten.’ Bijna komen woorden als ‘fatsoenlijk’ of ‘sportief’ over zijn lippen.

Mede-veteraan Sri Kresnan Parsid vertelt dat hij zelfs tijdens de oorlog nog bij zijn Nederlandse vrienden, militairen, op bezoek ging. ‘Toen zij wisten dat wij niet zomaar een groepje raddraaiers waren, geen opruiers, maar dat wij serieus voor onze vrijheid vochten, respecteerden zij dat.’

In de bejaarde ogen van deze mannen vochten zij destijds een ‘gentlemen’s war’. Dat neemt natuurlijk niet weg dat er vreselijke dingen zijn gebeurd. Talrijk zijn de verhalen van Nederlanders over de ‘pemoeda’s’ (jeugdbendes) die in Surabaya plunderend en moordend rondgingen na de capitulatie van de Japanners in 1945. Sukotjo zucht diep als dat ter sprake komt. ‘Er zijn daar vreselijke dingen gebeurd. Aan beide kanten.

Op Oost Java, in Basuki, werden dertig Indonesische gevangenen in een bagagewagon gestopt. Toen de trein aankwam in Probolinggo waren zij allemaal gestikt. Wij noemen die trein de ‘kereta maut’, de ‘dodentrein’.

‘En na de aanval van de Nederlanders op onze positie vonden wij slachtoffers die waren gedood met het blanke wapen. Wij vonden een man die was doodgestoken met een sabel. In zijn armen hield hij een klein kind, met gespleten schedel. Hoe kan iemand het hart hebben zoiets te doen? Achteraf begrijpen wij dat wel. De Nederlanders wilden ons geruisloos omsingelen. Er mocht geen schot gelost worden. Wij mochten niet weten dat zij er waren. En als u ons vraagt wat wij in die omstandigheden zouden doen... Ik weet het niet.’

Van ‘pak Kotjo’ hoeft niemand in Nederland zijn excuses te maken voor wat destijds gebeurde. ‘Het was oorlog. Maar als iemand behoefte heeft om persoonlijk zijn excuses aan te bieden, moet hij dat doen, natuurlijk.’

Zestig jaar na dato zijn alle vechters van weleer hoogbejaarde veteranen. De oorlog is een verre, maar belangrijke herinnering, een herinnering die zij samen delen. Aan welke kant de veteranen stonden wordt steeds minder belangrijk. Tegenstanders van weleer gaan de laatste jaren steeds vaker samen naar de plekken waar zij elkaar bevochten hebben. Sukotjo: ‘Is dat niet prachtig?’

De veteranen delen aan weerszijden ook dezelfde frustraties. Sukotjo: ‘Wij hebben het motto van de Nederlandse veteranen overgenomen: ‘Eer en nazorg’. Dat proberen wij onze mannen te geven: eer, dat is de erkenning van hun strijd, en de nazorg: een pensioen voor allemaal.

In Nederland heb ik gezien dat veteranen met zo’n creditcard in de trein stappen en gratis mogen reizen, of 50 procent korting krijgen. Dat is mooi. Dat willen wij ook.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden