'We praten nooit over wat het kabinet met sport beoogt'

Jan Rijpstra verlaat de Tweede Kamer, maar zijn stem zal blijven doorklinken in de Sportnota die deze zomer wordt verwacht....

Zijn gezicht verdwijnt uit de landelijke politiek, maar zijn stem zal nog wel even blijven doorklinken in het nationale sportbeleid. Vrijwel gelijktijdig met het vertrek van Jan Rijpstra uit de Tweede Kamer wordt de Sportnota verwacht, waarin de visie van de overheid op de toekomst van de sport in kaart wordt gebracht.

Onvermijdelijk zullen daarin de discussies doorklinken die de VVD'er met regelmaat heeft aangezwengeld. Elf jaar hamerde Rijpstra, nu burgemeester van de Drentse gemeente Tynaarlo, vanaf zijn politieke kansel op de ongemakken in de sport en lichamelijke opvoeding, de terreinen die hem na aan het hart liggen.

Hij was zelf sport- en verenigingsman en als vakleerkracht langdurig werkzaam in het gymnastiekonderwijs. Bovendien liet hij zich gelden als warm pleitbezorger van mindervalidensport.

De verbazing die zijn optreden soms kenmerkte, spreekt hij ook uit bij zijn afscheid van de Kamer. 'Het is tijd voor een fundamentele discussie over overheidsbemoeienis met sport. We praten over de taken van de overheid, nooit over wat het kabinet met sport voor ogen heeft.'

Rijpstra (bijna 50) spitte in eerder verschenen nota's en zet de feiten op een rij: 'Meestal begon het met een vraag van de sport: We willen geld, kan u dat regelen? Soms leidde dat tot krachtige impulsen, zoals in de jaren zestig, toen er in korte tijd veel sporthallen zijn gebouwd. Pas in de jaren negentig, toen sport ook met naam op het departement kwam, is er een visie op sport ontwikkeld.

Hij combineerde aanvankelijk de portefeuilles asielbeleid en sport. Dat laatste was bijna vanzelfsprekend, sport was zijn wereld. Nog steeds trouwens, als voorzitter van de honk-en softbalbond. 'Wat me in het onderwijs het meest heeft aangesproken, is de wijze om kinderen iets aan te leren waarvan ze dachten dat ze het niet zouden beheersen. Datzelfde heb ik bij mensen met een motorische handicap.'

Jan Rijpstra was de gangmaker achter het nog steeds niet verwezenlijkte idee een Sportwet te creëren. 'Ik wilde alles wat met sport te maken had onder één noemer brengen. Ook het betaalde voetbal en zijn uitwassen. Maar de mensen die het niet met me eens waren, vonden dat alles al in het strafrecht geregeld is.

'Op zich is dat juist, maar met een Sportwet zijn we duidelijker en directer. We hebben de minister eindelijk bereid gevonden het civielrechtelijk stadionverbod te koppelen aan de meldingsplicht.

'De politiek te afwachtend? Ik vind van niet. In de Kamer hebben we vaak voor meer handelingssnelheid gepleit, maar als de minister op juridische haken en ogen stuit, kunnen wij niet zeggen dat het toch moet worden uitgevoerd. Je stuurt de minister niet weg omdat het stadionverbod niet wordt nagekomen.'

Tevreden constateert Rijpstra dat 'we nu zijn waar we willen zijn.' Nuancerend: 'Maar de Sportwet hoort verder te gaan, daar moet ook doping onder vallen. Daar is weliswaar in de geneesmiddelenwet in voorzien, maar de Kaderwet Sport zou ook in dat geval meer op zijn plaats zijn.'

Met zijn collega Atsma (CDA) maakte hij zich sterk voor de Raad voor de Sport. Het idee leidde tot een storm van protesten uit de georganiseerde sport.

Rijpstra: 'Koudwatervrees. Ik heb tegen NOC*NSF-voorzitter Erica Terpstra gezegd: Jullie behartigen de belangen van de bonden en dat is ook jullie primaire taak. Maar het betekent dat je bij alles wat je doet een belang hebt.

'Soms is het beter de belangen van de sport te laten verdedigen door mensen die afstand bewaren. Mensen van wie advies zwaar weegt in het kabinet. Waarom wel een Gezondheidsraad en geen Raad voor de Sport?'

Aan zijn bezoek aan Australië heeft hij het idee overgehouden dat Down Under de ideale sportcultuur bestaat. 'De mensen zijn geïnteresseerd in topsportprestaties, maar ook in de sport op zich. Bewegen maakt deel uit van hun leven. Dat kennen we nog niet in ons land. Nederland telt vijf miljoen actieve sporters, maar de sport zit niet aan tafel bij de Sociaal-Economische Raad. Dat zou anders moeten.

'Overheid en lagere overheden steken gezamenlijk 600 miljoen euro in de sport. Ik zou één procent van het Bruto Nationaal Product beschikbaar willen stellen voor sport.

'Maar we moeten ook kijken of het geld niet verkeerd wordt gebruikt. In de lichamelijke opvoeding gaan honderden miljoenen euro's om. Dat is een veelvoud van het sportbudget. Mijn voorstel is dat geld weg te halen bij de scholen en elk kind in de leerplichtige leeftijd te verplichten mee te doen aan bewegingsonderwijs.

'Daarvoor moet een rechtspersoon in het leven worden geroepen die vakleerkrachten in dienst kan nemen en deze mensen tegelijkertijd ook kan inzetten bij activiteiten na schooltijd en voor de sportvereniging in de avonduren.

'Scholen moeten dan weliswaar een deel van hun budget afstaan, maar dan zijn ze ook af van de exploitatie van de gymlokalen.

'Het is mij een doorn in het oog dat slechts veertig procent van de scholen in het Nederlandse basisonderwijs een leraar lichamelijke opvoeding heeft. Als we niet snel wat doen, zullen de gevolgen rampzalig zijn. We zullen steeds meer dikke kinderen krijgen en als topsportland kunnen we het op den duur ook wel schudden.'

Rijpstra is overtuigd van de heilzame wisselwerking tussen breedte- en topsport. 'Topsportprestaties zijn stimulerend en een visitekaartje voor het land. De medische begeleiding van topsporters leidt bovendien tot nieuwe inzichten. Wat mij steekt is dat ik er niet in ben geslaagd van sportgeneeskunde een erkend medisch specialisme te maken. De medische wereld houdt dat tegen. Onbegrijpelijk.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden