Column

We luisteren samenzweerderig toe en inhaleren het stiekeme stinkstokkie mee

Boekenweek

Aan de hand van dialogen die hij vond bij J.D.Salinger en Henry Roth hoopt Arjan Peters het einde van een hardnekkig verschijnsel te bevorderen: explicatiezucht.

Beeld Harshagen&Hrastar

Een goede dialoog maakt veel overbodig, zoals beschrijvingen van gemoedsgesteldheden. Een gesprek kan goed zónder 'sprak hij vertoornd', 'prevelde zij bedeesd', of 'riep ik enthousiast'. Toch vertrouwen de meeste schrijvers er niet op dat notuleren volstaat. Daarom nu twee voorbeelden die het einde van de explicatiezucht hopen te bevorderen.

Allereerst J.D. Salinger, van wie Drie vroege verhalen zijn gebundeld (Arbeiderspers; euro 12,50). In 'De jongelui' uit 1940 praten een jongen (Jameson) en een meisje (Edna) op een cocktailavondje met elkaar. Eigenlijk zou ik niet gekomen zijn, zegt de jongen, want 'ik moet nog een essay voor maandag'.

Edna vraagt waar dat essay over gaat. 'O, weet ik niet. Over de beschrijving van een of andere kathedraal. Ergens in Europa. Geen idee.' 'Ik bedoel, wat moet je doen?' 'Geen idee. Het moet een bespreking worden, min of meer. Ik heb 't ergens opgeschreven.' 'Een bespreking? Dus je hebt hem gezien?' 'Wat heb ik gezien?' 'Die kathedraal.' 'Ik? Schei uit.' Om hen heen gelach en getinkel van glazen.

Edna: 'Naar wie kijk je? Ik ken bijna de hele club die er is.' 'Ik? Naar niemand. Ik denk dat ik iets ga drinken.' 'Hé! Je haalt me de woorden uit de mond.'

Ze stonden tegelijk op. Salinger: 'Edna was groter dan Jameson en Jameson was kleiner dan Edna.' De laatste zes woorden zijn geniaal, want ze maken het van meet af aan voelbare verschil nog hopelozer.

Dialogen kunnen daarentegen ook verbondenheid tonen. Die vond ik bij Henry Roth in Call It Sleep (uit 1934, vertaald door René Kurpershoek in 1996, nu herdrukt; Prometheus; euro 15,-). De kleine jongen David vlucht in New York naar de school (cheider) om bij zijn vrienden te zijn, om niet te hoeven denken; alleen luisteren, alleen vergeten.

Daarom houdt hij er ook van dat zijn vriendje Benny slist, dat geen woord erin slaagt diens lippen te bereiken, omdat het naar buiten spat 'via zijn ontbrekende tanden'; dan heb je al je zintuigen hard nodig om hem te verstaan.

'A'slj ik 'em slje heslje sjooj geesj, sja' sljaasj ie me mesjlien nie' sljo'. Als ik hem de hele zooi geef, dan slaat hij me misschien niet zo, vermoed ik dat hij wil zeggen. Benny, die bang is voor de rebbe (die slaat altijd als hij hem niet verstaat), heeft dunne rietjes die je als een sigaar kunt roken. Hoeveel hij er heeft? 'Esjl 'eljeboesjl.' 'Hoeféél?' 'Sljesfleljesljwinsleg.' 'Sefene twinteg?'

Dan geef je d'r zesentwintig aan de rebbe, en dan roken wij er nu eentje, stellen de vrienden voor. Benny aarzelt: 'Ljaasje mêslj dljenlj ook sljoke?' 'Tuu'lek!'

'Eénsjle danlj.'

Natuurlijk wil hij ee'sjl.

We luisteren samenzweerderig toe, net zo blij als David, en inhaleren het stiekeme stinkstokkie mee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.