We kennen alleen nog historische uitslagen

Cort van der Linden, wie kent hem nog, was de laatste premier van liberalen huize. Het is niet het enige ‘historische’ feit dat de uitslag van de jongste verkiezingen kenmerkt....

Voor de twintigste keer sinds 1945 werden woensdag Kamerverkiezingen gehouden. In het licht van die geschiedenis, springen enkele trends in het oog.

Historische uitslag

Een partij met extreme opvattingen over integratie is erin geslaagd om van elke zes stembusgangers er één voor zich te winnen en de derde partij van het land te worden. De uitslag is ook uitzonderlijk omdat niet eerder de grootste partij zó klein (31 zetels) was en niet eerder de VVD de minister-president kon leveren.

‘Historische uitslagen’ maakten we vaker mee, vanaf de jaren negentig zelfs continu. Ook in 1994 verloor het CDA twintig zetels. De confessionelen werden naar de voor hen onbekende oppositiebanken verwezen en het eerste paarse kabinet was een feit. In 2002 werd Pim Fortuyn vermoord; diens verweesde partij kwam met 26 zetels de Kamer binnenzeilen en mocht meteen door naar de Trêveszaal. Met de verkiezingen van 2003 werd de LPF weer gedecimeerd en herstelde de PvdA zich miraculeus. Nieuw in 2006 was de harde, op de persoon gespeelde campagne: ‘Meneer Bos, u draait en u bent niet eerlijk.’ En voor het eerst kreeg een kleine christelijke partij regeringsverantwoordelijkheid.

Maar ook langer geleden kenden wij historische verkiezingen. In 1967 bijvoorbeeld haalde het nieuws over de uitslag – D’66 nieuw de Kamer binnen met zeven zetels – de voorpagina van de New York Times.

Verval confessionelen

De klap kwam hard aan bij het CDA. Partijleider en premier Balkenende verbond er, nog voordat de officiële uitslag binnen was, consequenties aan en trad terug. Sinds 2002 de trotse leider van de grootste partij van Nederland, nu een teleurgesteld man die door drie concurrenten was gepasseerd. De teruggang van christelijke politieke partijen is echter, met ups en downs, al merkbaar sinds het midden van de jaren zestig.

In de daaraan voorafgaande jaren beschikten de confessionelen steeds over een gerieflijke meerderheid. En nog in 1963 bekleedden zij 80 (van de 150) Kamerzetels. Maar daarna was de neergang van de confessionele partijen, met name van de katholieke partij (KVP), onstuitbaar. En dus werd besloten te fuseren tot het Christen Democratisch Appèl. In 1977 deed het CDA voor het eerst mee aan de Kamerverkiezingen. Onder aanvoering van Van Agt werd met één zetel winst de neergang een halt toegeroepen. Hoewel de latere CDA-leiders Lubbers en Balkenende nog opmerkelijke verkiezingszeges boekten, bleef de structurele neergang zich doorzetten. Deze week werd een nieuw dieptepunt bereikt: samen beschikken CDA, CU en SGP nog maar over 28 zetels. Vier meer dan de PVV.

Krimp van het midden

Nederland beschikt niet langer over grote middenpartijen. De grootste fractie, die van de VVD, heeft afgelopen woensdag slechts 31 zetels veroverd. Een historisch dieptepunt. PvdA en CDA volgen met respectievelijk 30 en 21 zetels.

Lange tijd namen de drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek – confessionelen, sociaal-democraten en liberalen – vanzelfsprekend tezamen een sterke middenpositie in. De liberalen hadden lang het kleinste aandeel. Pas vanaf begin jaren zeventig begonnen zij, onder Wiegel, gestaag aan een opmars. Van de twee grootste middenpartijen, CDA en PvdA, bezat altijd tenminste één minimaal 40 zetels. Het politieke midden bleef nog tot in de jaren zeventig en tachtig zeer sterk, met een omvang die in 1986 zelfs opliep naar 133 zetels (CDA 54, PvdA 52, VVD 27).

De krimp begon in 1994. Het was niet langer vanzelfsprekend dat twee middenpartijen samen een meerderheid behaalden. Kleine partijen op de flanken sloegen steeds grotere bressen. Alleen in 1999 en 2003 waren twee middenpartijen samen nog goed voor een meerderheid. Nu hebben de verkiezingen het midden verder versmald en het gebracht tot het historische dieptepunt van 82 zetels.

Premiersverkiezing

Bij nationale verkiezingen kiest de burger zijn volksvertegenwoordiging. Sinds 1922 is het gebruikelijk dat een kabinet aan de vooravond van Kamerverkiezingen zijn ontslag aanbiedt, zodat er tegelijkertijd met een nieuwe Kamer ook een nieuw kabinet komt. Bij de vorming van een nieuw kabinet is de samenstelling van de nieuwe Kamer het uitgangspunt. Sinds 1939 staat immers vast dat een kabinet niet kan bestaan zonder het vertrouwen van een parlementaire meerderheid. In dat jaar stuurde de Kamer zonder pardon, wegens gebrek aan vertrouwen, het vijfde kabinet-Colijn naar huis dat drie dagen daarvoor was beëdigd. Hoewel Kamer en kabinet dus gekoppeld zijn, heeft de kiezer geen directe bemoeienis met de premierkeuze.

De praktijk lijkt anders geworden. Miljoenen Nederlanders zaten deze week tot diep in de nacht aan de buis gekluisterd om te kijken naar de bloedstollende wedstrijd tussen Rutte en Cohen. Het was het hoogtepunt van een ontwikkeling die in ons politieke bestel is geslopen: het idee dat de Nederlandse burger óók – of in de eerste plaats – zijn premier kiest. Die trend is begonnen met Den Uyl die in 1977 campagne voerde met de leuze ‘Kies de minister-president’. In 1986 deed de toen zittende premier er nog een schepje bovenop ‘Laat Lubbers z’n karwei afmaken’. En Balkenende bekroonde dit proces toen hij zover ging zich uitsluitend verkiesbaar te stellen voor het premierschap. Waarom worden voorstellen tot invoering van de gekozen minister-president toch altijd zonder pardon naar de prullenbak verwezen?

Liberale premier

Opeens is die historische naam overal weer te horen: Cort van der Linden! De laatste premier van liberale huize die Nederland heeft gekend. Mensen die al jaren in de Cort van der Lindenlaan wonen, realiseren zich nu opeens naar wie hun straat is genoemd. Deze Cort van der Linden, overigens niet aangesloten bij een liberale partij maar wel tot die politieke stroming behorend, leidde een kabinet in de jaren 1913-1918. Waren vóór hem liberale premiers niet ongewoon, na hem kwamen ze niet meer voor. De confessionelen rukten op naar het centrum van de macht en leverden doorgaans ook de premier; overigens niet per se van de grootste partij. Ook de relatief kleine protestantse ARP leverde minister-presidenten (Colijn, Zijlstra en Biesheuvel). Ook Drees werd trouwens – de eerste socialistische – premier zonder dat zijn partij (PvdA) de grootste was. Pas sinds 1986 levert de grootste partij de premier. Maar nergens staat geschreven dat dat moet.

Het onder Cort van der Linden ingevoerde algemeen (mannen)kiesrecht pakte niet goed uit voor de liberalen. De nieuwe groepen stemgerechtigden, snel gevolgd door de vrouwen die ook stemrecht verwierven, bleken eerder op socialistische en confessionele partijen te stemmen. Maar eens, zo hoopten de liberalen, zouden zij het voortouw weer kunnen nemen.

Ze moesten lang wachten. In 1998 gloorde er een kans toen Bolkestein de strijd aanbond met Kok. Hoewel de VVD-leider het ongeëvenaarde record haalde van 38 zetels, bleef de PvdA de grootste. Vier jaar later waagde Dijkstal een nieuwe poging. Hij poogde Melkert af te troeven maar toen gooide Fortuyn roet in het eten. Nu lijkt het dan toch eindelijk te gaan lukken. Voor het eerst sinds haar oprichting in 1948 is de VVD erin geslaagd de grootste partij van Nederland te worden en uit dien hoofde de de premier te leveren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden