We hebben meer gemeen dan we denken

De woorden verdraagzaamheid en diversiteit zijn dooddoeners geworden, maar de intellectuele elite moet wel invulling geven aan een moderne moraal, vindt Gabriël van den Brink....

De intellectuele elite van Nederland lijkt toe aan bezinning. In elk geval konden we de laatste weken van 2007 een verandering in het opinieklimaat vaststellen. Deels in reactie op de negatieve toon die het publieke debat tot nu toe kenmerkte, werden pleidooien gehouden voor een meer positieve opstelling.

Volgens sommigen zijn we ons gevoel van richting kwijt en zouden we meer historisch besef moeten ontwikkelen (het Betoog, 22 december). Zij werden op hun wenken bediend door socioloog Paul Schnabel, die in een interview uitlegde dat het vroeger helemaal niet beter was.

Anderen spraken over moraliteit. Koningin Beatrix besteedde haar kersttoespraak aan de noodzaak van verdraagzaamheid en naastenliefde. Even later plofte het manifest van Doekle Terpstra op de mat. Hij stond een meer constructieve aanpak van de huidige problemen voor.

Daarnaast viel de herwaardering van maatschappelijke elites op. Dat sluit aan bij de roep om krachtig leiderschap die al langer hoorbaar is. Een van de opiniebijdragen pleitte voor meer politieke moed. Verder verweet Jos de Beus het kabinet geen eigen rol te spelen in het debat en zich te verschuilen achter raadgevers.

Met andere woorden: er lijkt iets te veranderen in de manier waarop leden van de elite tegen de problemen aankijken. Ze beseffen dat er een grote behoefte aan richting, moreel houvast of leiderschap bestaat en zoeken naar woorden om aan die behoefte te voldoen. Zelf vind ik dat ze veel te abstract blijven. Het zou goed zijn als deze vraagstukken op een meer fundamentele manier werden doordacht.

Vooruitgang

Laten we eerst vaststellen dat er inderdaad vooruitgang is geboekt. Denk aan de economische ontwikkeling die onze welvaart vanaf 1970 verdubbelde of denk aan de werkelijk imposante toename van het opleidingspeil.

Vele Nederlanders hebben zich bevrijd uit de soms benauwende controle van de eigen sociale groep, kerk of familiekring.

Tenslotte is in politiek opzicht vooruitgang merkbaar in die zin dat moderne burgers beter geïnformeerd en mondiger geworden zijn. Kortom: je bent wel blind als je ontkent dat er veel in positieve zin is veranderd.

Toch heeft modernisering ook nadelen. Het is mooi dat het kennisniveau van de gemiddelde werknemer zo hoog is geworden, maar inmiddels zit ongeveer een miljoen veelal laag opgeleide mensen zonder werk thuis. Je kunt juichen over de economische ontwikkeling, maar deze vormt tevens een bedreiging voor het milieu. Schiphol is zowel economische motor als milieuprobleem.

Je kunt de mondige burger waarderen, maar wat te denken van het feit dat hij het gezag van de politieman, leerkracht of EHBO-arts niet meer erkent? Hoe moeten jongeren op seksueel of moreel gebied grenzen aanleren als hun jeugdcultuur volledig in het teken van grensoverschrijding staat, terwijl hun ouders niet bij machte zijn om grenzen te trekken of te handhaven?

Dat soort schaduwzijden zijn nauw verbonden met de modernisering van ons bestaan. Mede daarom zal de elite zich niet tot het oude verhaal van de vooruitgang kunnen beperken.

Een ander probleem is dat de nadelen van modernisering op een ongelijke manier over de bevolking zijn verdeeld. Nederland is nog steeds een klassenmaatschappij, zij het dat ongelijkheid tegenwoordig niet zozeer van economisch maar van cultureel kapitaal afhangt. Hoog opgeleide Nederlanders hebben een beter inkomen, ze wonen in betere buurten, ze leven langer, vinden gemakkelijker hun weg naar instellingen en nemen in het algemeen een open, dynamische en tolerante houding aan. Voor laag opgeleiden geldt doorgaans het tegendeel. Daarom kan men de eerste groep als bedrijvige en de tweede als bedreigde burgers aanmerken.

De bestuurlijke elite sluit qua denkbeelden vooral aan bij de belevingswereld van bedrijvige burgers. Het is dan ook geen wonder dat veel bedreigde burgers zich niet interesseren voor politiek, vaak het nodige cynisme aan de dag leggen of – als ze toch aan verkiezingen deelnemen – kiezen voor radicale stromingen ter linker of ter rechterzijde van het politieke spectrum. De elite onderkent het risico, maar blijkt tot op heden niet in staat om bedreigde burgers van een overtuigend antwoord te voorzien.

Dus is het niet vreemd dat ook de elite op zoek is naar een nieuwe koers. Daarbij valt op dat men de oorzaken van het onbehagen bij voorkeur in de buitenwereld zoekt. Men verwijst naar globalisering die de nationale staat bedreigt. Men wijst op de rol van migranten die de Nederlandse samenleving minder homogeen maken. Of op aanslagen die gevoelens van onveiligheid versterken. Natuurlijk speelt dat allemaal een rol.

Maar daarnaast kunnen toch ook ‘binnenlandse’ oorzaken genoemd worden. Ik doel op de processen van modernisering die op gezette tijden debat of ongenoegen oproepen. Een belangrijke vraag is uiteraard wat men onder moderniteit verstaat. Gaat het vooral om een technisch-economische ontwikkeling of om morele en filosofische beginselen?

Ik denk dat we moderniteit het beste kunnen omschrijven als een levenswijze die zich rekenschap geeft van de vier grote revoluties die zich in de geschiedenis van het Westen hebben voorgedaan. De eerste voltrok zich in de 17de eeuw en wordt als wetenschappelijke revolutie aangeduid. De tweede speelde tegen het einde van de 18de eeuw en heeft betrekking op de politiek. Eind 19de eeuw zette zich de industriële revolutie door en ten slotte vond in de tweede helft van de vorige eeuw een seksuele revolutie plaats.

In feite hanteren wij in het alledaagse leven talrijke idealen of waarden die met deze vier omwentelingen verband houden. De intellectuele revolutie zorgde ervoor dat wij een ideaal als redelijkheid van groot belang vinden. We voelen ons verantwoordelijk voor de gevolgen van ons handelen, we willen zorgvuldig met de waarheid omspringen en zijn te allen tijde tot redelijk overleg bereid. Het is evident dat we dit ideaal niet altijd waarmaken, maar als ideaal is het voor moderne mensen van groot belang.

Als tweede noem ik gelijkwaardigheid. Dit beginsel vloeit voort uit de ontplooiing van het democratisch denken na de Amerikaanse en Franse revolutie. Wij geloven dat mensen in wezen gelijkwaardig zijn, geven hoog op van de menselijke waardigheid en willen elkaar met respect bejegenen.

Het derde ideaal is zelfwerkzaamheid en dat houdt vooral verband met het dynamische karakter van de markteconomie. Je moet een eigen weg vinden en voor je belangen opkomen.

Ten vierde noem ik betrokkenheid, een klassieke waarde die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw opnieuw actueel is geworden. Daardoor zijn wij bereid rekening te houden met de gevoelens van anderen en aandacht te hebben voor intermenselijke betrekkingen.

Mijn stelling is dat de massale verbreiding van deze idealen dubbelzinnige effecten heeft. Ze leidt enerzijds tot onbehagen als de balans tussen deze waarden wordt verstoord. En dat is tegenwoordig volgens velen het geval. Ze houdt anderzijds ook in dat het onbehagen alleen kan worden opgelost door mensen die zulke idealen serieus nemen. Cynisme of zogenaamd realisme, waarbij men doet alsof het moderne bestaan wel zonder idealen kan, maakt de zaak alleen maar erger. De Nederlandse elite zou er dan ook goed aan doen deze idealen met verve te verdedigen.

Nu is er met de hier genoemde waarden wel iets bijzonders aan de hand. Om te beginnen gaat het niet om hoge religieuze of ethische beginselen, maar om verwachtingen die in het alledaagse leven een rol spelen. Redelijkheid betekent bijvoorbeeld niet dat we elkaar met wetenschappelijke theorieën om de oren slaan. Het gaat om zo eenvoudige maar beslissende zaken als het gebruiken van je verstand, onderscheid maken tussen feiten en meningen, voor- en nadelen tegen elkaar afwegen en de bereidheid om te luisteren als iemand een afwijkend standpunt heeft.

Man en vrouw

Bovendien kunnen deze waarden op een breed draagvlak rekenen. Neem de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Nog maar een halve eeuw terug waren velen ervan overtuigd dat vrouwen hun leven beter konden besteden aan het opvoeden van kinderen. En nog steeds kiest een behoorlijk deel van de bevolking daarvoor. Maar dat man en vrouw principieel gelijkwaardig zijn wordt door vrijwel niemand meer betwist. Onder autochtonen Nederlanders is de aanvaarding van gelijke behandeling en andere democratische beginselen dan ook zeer breed.

Tot slot is relevant dat deze waarden in religieus of levensbeschouwelijk opzicht een zekere neutraliteit hebben. Neem de betrokkenheid zoals die in het geven aan goede doelen tot uiting komt. De een zal over solidariteit spreken, de ander over naastenliefde of over humanitaire hulp. Het doet er weinig toe welke namen je aan die actie geeft (dat is voer voor dogmatici) zolang er adequate hulp wordt geboden.

Al met al denk ik dat er – niet in het filosofische debat maar wel op het niveau van praktisch handelen – onder de Nederlandse burgerij een behoorlijke overlap is. De betekenis daarvan wordt door onze elite onvoldoende beseft. Ze lijkt volledig in de ban van diversiteit en toenemende variatie te zijn. Die variatie mag niet worden ontkend, maar tegelijkertijd is er een morele orde aan het werk die – hoewel minder zichtbaar en voor velerlei uitleg vatbaar – voor tegenwicht zorgt. Daarvan uitgaande kan een nieuw verhaal over het moderne bestaan worden verteld.

Dat verhaal lijkt me urgent, nu we op de grenzen stuiten van drie paradigmata die het publieke leven van de afgelopen decennia hebben bepaald. Het neoliberale verhaal dat naar de verabsolutering van één moderne waarde neigt, namelijk het zelfwerkzame individu met zijn private voorkeuren. Het postmoderne verhaal dat waarden in hoge mate relativeert. En het pragmatische verhaal dat de vraag naar achterliggende waarden niet eens stelt.

In reactie daarop zien we de betekenis van morele beginselen, sociaal gedragen waarden en historisch gevormde idealen in hoog tempo terugkeren. De bestuurlijke elite kan haar geloofwaardigheid alleen terugwinnen als zij die op een moderne wijze vorm geeft. Je kunt het algemeen belang niet zomaar in de realiteit aanwijzen. Daarvoor is altijd een vorm van politieke verbeelding vereist.

We zijn toe aan een nieuwe geestelijke habitus. Ten eerste moeten wetenschappers en journalisten zich bevrijden van het cynisme dat momenteel het publieke denken bepaalt. Laten we niet voortdurend herhalen dat moderniteit op het najagen van geld (Marx), macht (Nietzsche) of lage driften (Freud) neerkomt.

Geef, ten tweede, voldoende ruimte aan de vele professionals die uit ideële motieven in de publieke sector werkzaam zijn. Daarbij moeten we ook meer waardering hebben voor de normatieve kanten van hun beroep. En de overheid dient, ten derde, meer realisme aan de dag te leggen door recht te doen aan de morele dimensie van het bestaan. Soms stellen moderne mensen zich inderdaad als calculerende burgers op, maar vaak hebben waarden of idealen een veel groter gewicht.

Deze complexe opdracht moet de elite tot zich door laten dringen, wil ze verder komen dan het overbekende pleidooi voor meer verdraagzaamheid, openheid of diversiteit. Die begrippen zijn inmiddels zo sleets geworden dat ze de publieke zaak meer kwaad dan goed doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden