'We hebben elkaar gewaarschuwd: niet té verliefd worden'

Liefde maakt gelukkig, hoe oud je ook bent. Mevrouw Pijnenburg (77) en meneer De Bont (82) hebben elkaar een jaar geleden ontmoet in bejaardencentrum De Annenborch in Rosmalen....

HIJ: 'In het dorp ligt een hele grote vijver. Daar voeren we de eendjes.'

Zij: 'We snijden de korstjes van ons brood, en als we een builtje vol hebben, brengen we die naar de eendjes.'

Hij: 'Alle boodschappen doen we met elkaar. Dan wandelen we naar de Super de Boer. Prima Bossche Bollen hebben ze daar. Die eten we samen op.'

Zij: 'Vorige week heb ik nog nieuwe schoenen gekocht met meneer De Bont. Weet u hoe duur ze waren? Maar 24 gulden!'

Hij: '24 gulden 75.'

Zij: 'Ik brei veel. Ik ben nu een sjaal aan het breien.'

Hij: 'Voor het Rode Kruis. Ik zit er altijd naast. Anders ben ik toch maar alleen.'

Zij: 'We trekken de hele dag samen op. Als we niks te doen hebben beneden, zitten we boven op de gang, te buurten. Meneer De Bont in de stoel en ik ernaast in de stoel. Dan kunnen we kijken wie er langsloopt en wat er allemaal gebeurt. Zo schiet de dag ook op .'

Hij: 'In het begin viel het nog niet mee. Je denkt dat je dingen doet die je niet zou mogen doen. We hebben elkaar gewaarschuwd om. . . nou ja, om niet té verliefd te worden.'

Zij: 'Het is gewoon vriendschap. Anders niks.'

Hij: 'Het sloeg goed aan tussen ons. Maar niet dat we echt getrouwd willen zijn.'

Zij: 'We wonen niet op dezelfde kamer. Wel op dezelfde verdieping, gang 5.'

Hij: 'James Bond noemen ze me nu. Daar gaat James Bond, de knapste van Annenborch.'

Zij: 'Roddelen kunnen ze goed hier. Bububububub. Het personeel niet hoor, maar de bewoners kletsen over ons. Ze zitten de hele tijd naar ons te kijken.'

Hij: 'Ja. Maar ik trek me daar niet zoveel van aan hoor.'

Zij: 'Ze zijn jaloers. Dat weet u net zo goed als ik, meneer De Bont.'

Hij: 'Ik til daar niet zo zwaar aan. Ik zeg weleens tegen mevrouw Pijnenburg: ''Als je 's ochtends opstaat begin je al over die mensen te praten''.'

Zij: 'We doen niks wat niet mag.'

Hij: 'Je moet zorgen dat je geen aanstoot geeft aan anderen hè.'

Zij: 'We zijn wijs zat.'

Hij: 'Die kleinkinderen van mevrouw Pijnenburg, wat zeggen die ook alweer? Over dat beertje?'

Zij: 'Och, ik heb zo'n klein beertje gekocht. Dat heb ik op bed gelegd, met zijn armpjes om een kussen. ''Daar ligt meneer De Bont'', zeggen mijn kleinkinderen. Maar dat gebeurt toch niet. Zo ver komen we niet. Nee-nee hè?

Hij: 'Nee, dat geloof ik ook niet.'

Zij: 'We doen al gek genoeg, af en toe.'

Hij: 'Ik heb al zoveel achter de rug. En zij is een stuk jonger.'

Zij: 'Voor mij is het hier nu de hemel.'

Hij: 'Toen ik kwam, ging het me slecht, na een dubbele herniaoperatie. Ik kon bijna niet lopen. Zo zijn we samen de eerste boodschapjes gaan doen. Pakte ze me bij de arm: ''Kijk uit, een auto!''.'

Zij: 'We kennen mekaar nu een jaar hè, meneer De Bont?'

Hij: '14 Maart vorig jaar.'

Zij: 'Door meneer De Bont ben ik veranderd. In het begin had ik schrik. Ik was bang voor al die vreemde mensen. Met één mevrouw ging ik om. Sinds meneer De Bont is dat afgelopen.'

Hij: 'Die mevrouw viel niet zo bij mij in de smaak. Toen ze ook nog jaloers werd, hoefde het van mij niet meer.'

Zij: 'Ik was niet zo vriendelijk tegen haar als tegen meneer De Bont hoor. Ik heb haar ook niet verteld wat ik hem allemaal heb verteld.'

Hij: 'Ik vertel haar natuurlijk veel over vroeger.'

Zij: 'Wat ik heb meegemaakt gun ik niemand. Ik was 9, stierf mijn moeder. 11 Jaar, stierf mijn vader. Ik heb in het weeshuis gezeten, pleegouders gehad. Er gaat niks boven je eigen ouders, dat kan ik u wel vertellen. Voor mijn huwelijk en sinds de dood van mijn man was mijn leven helemaal niks. Totdat ik hier kwam, en meneer De Bont leerde kennen.'

Hij: 'Mijn vrouw heeft zeven jaar in een instelling gelegen, dementie. Zeven jaar lang bezocht ik haar élke morgen, van 10 tot 12 uur. Steeds verder ging ze achteruit. Ze kende onze vijf kinderen niet meer, ze kende de kleinkinderen niet meer. Verschrikkelijk. Als een kaars is ze uitgegaan, vlak voor onze diamanten bruiloft.'

Zij: 'Doe eens rustig met die hand. Ik zie het wel. Hou die hand eens rustig. Zo ja.'

Hij: 'Ik zit een beetje te rillen. Dat komt door hetgeen ik allemaal heb meegemaakt natuurlijk.'

Zij: 'Je moet er toch doorheen. Je kunt niet anders.'

Hij: 'Ik heb een grote doos. Die zit hartstikke vol met foto's. Daar kijken we samen nog weleensin.'

Zij: 'Dat vind ik leuk. Dat ie het toch goed en gezellig heeft gehad in zijn huwelijk. Net zo goed als ik hè.'

Hij: 'Ik was leidinggevende in een schildersbedrijf. Ik had een zeilboot van 7,5 meter. We gingen er zo mee de Oosterschelde op, hup naar de Noordzee. Aan het Veerse Meer had ik een caravan van 10 meter lang en 3,5 meter breed. Alles heb ik moeten verkopen. Werk je je hele leven om later mooie dingen voor jezelf te hebben, moet je ze wegdoen. Het ergste was om mijn auto te verkopen, voordat er ongelukken zouden gebeuren. Het nieuwste model Toyota Corolla, 33 duizend gulden. Als ik nu naar buiten kijk, staat er geen auto voor de deur.'

Zij: 'We praten veel over het varen. Ik was een schippersvrouw, heb sinds mijn huwelijk op het water gezeten, met vijf kinderen. Zand, grint en stenen vervoerde mijn man. Dag en nacht ging dat door.'

Hij: 'De campingbeheerder zei altijd tegen mij: ''Meneer De Bont, u heeft gouden handen.'' Als er iets was met de boot ging ik aan de slag. Al dat hobbyen ben ik ook kwijt.'

Zij: 'Als je eenmaal hier zit, gaat er van alles door je heen hè.'

Hij: 'Mijn korte geheugen is slecht, sinds de operatie. Dat valt soms ineens weg, dan kan ik de eindjes niet meer aan elkaar knopen. Maar van vijftig, zestig jaar terug weet ik het allemaal nog precies.'

Zij: 'Ik ben van geboorte een Duitse. Mijn ouders waren Duits. Ik heb lang in Keulen gewoond. Köln war eine schöne Stadt. Toen zijn we naar Amersfoort vertrokken. Daar overleden mijn ouders, nog voor de oorlog. Alles viel uit mekaar.'

Hij: 'Ik heb twee jaar ondergedoken gezeten. Ik zat in het verzet voordat ik het in de gaten had. Je begint ergens aan, stiekem brieven bezorgen en krantjes rondbrengen, en het wordt steeds erger.'

Zij: 'Ik weet er niks meer van, van die oorlog. Níks-níks.'

Hij: 'Ze was nog te jong.'

Zij: 'Ik was al groot.'

Hij: 'Mijn oudste broer hoorde bij de andere kant. Hij vocht mee met de Duitsers, heeft heel Rusland meegemaakt, bij de SS, aan het Oostfront.'

Zij: 'Die hele oorlog interesseert me niks meer.'

Hij: 'Ik werd van mijn bed gelicht, op verdenking van ondergrondse activiteiten. ''Als u ook bij de SS gaat, laten we u vrij'', zeiden ze. Ik vertelde ze dat dat niet overeen kwam met mijn gevoel. Omdat ik uit een richtige familie kwam, met een broer bij de SS, kreeg ik veertien dagen bedenktijd. In die periode ben ik ondergedoken. Doordat mijn bróer bij de SS zat, kon ík ontsnappen.'

Zij: 'Als er weer zo'n oorlog komt, mag ik lijden dat ze me páts wegmaken en zo in een kuil douwen. Ik hoop dat nooit meer mee te maken.'

Hij: 'Na de oorlog uitte ik dingen die niet zo mooi waren.'

Zij: 'Nog steeds voel ik dat ze het over me hebben. Duitse mof. Dat voel ik nog steeds. Dat gaat niet over.'

Hij: 'Ik weet niet meer zo precies wat ik toen allemaal heb gezegd.'

Zij: 'Zég het nou maar. Dat mag gerust.'

Hij: 'Ik ben even de draad kwijt.'

Zij: 'Laat maar zitten, jongen.'

Hij: 'Ik had me nooit kunnen voorstellen dat ik ooit met een Duitse zou omgaan. Maar ja, dit is niet die kalverliefde van vroeger. Dat maakt een groot verschil.'

Zij: 'Het uitschelden was het ergste. Ik kon er toch niks aan doen, dat ik Duits was?'

Hij: 'Toen haatte ik ze. Toen wel ja.'

Zij: 'Maar nu zitten we hier, meneer De Bont. Petje af voor het personeel hè?'

Hij: 'Er zitten ook andere aardige mensen hoor.'

Zij: 'Mijn buurvrouw. Daar deel ik de krant mee. Eerst lees ik 's ochtends de overlijdensadvertenties om te kijken of er geen bekende tussenzit, en dan geef ik 'm aan haar.'

Hij: 'In korte tijd zijn er hier op Annenborch ook vier of vijf gevallen.'

Zij: 'Als het je tijd is, is het je tijd.'

Hij: 'Die vriendschap zou wegvallen.'

Zij: 'Zonder meneer De Bont zou ik weer allenig zitten. Dat valt tegen hoor.'

Hij: 'We noemen elkaar nooit bij de voornaam.'

Zij: 'Ik ben dat niet gewoon. Zo was mijn opvoeding. Altijd met twee woorden spreken.'

Hij: 'In het begin maakte ik nog weleens een fout. Mevrouw De Bont, noemde ik haar. Maar die is er niet meer.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden