We hebben al een ministerie van Veiligheid

Een ministerie van Veiligheid of een nationale politie is geen goed middel voor verbetering van het veiligheidsbeleid, zeggen Ed Nijpels en Ivo Opstelten....

Zo nu en dan duikt het idee weer op: samenvoeging van het departement van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en dat van Justitie tot een ministerie van Veiligheid. Wij zijn daar tegen. Een centraal ministerie leidt tot een meer justitiële politie (zie interview minister Remkes in het Vervolg van 22 januari, red). Het vergroot bovendien de afstand tussen het veiligheidsbeleid op landelijk en lokaal niveau, terwijl voor een effectief veiligheidsbeleid aansluiting tussen beide lagen juist cruciaal is.

Bovendien kennen wij in dit land feitelijk al een veiligheidsministerie, dat wellicht verder versterkt zou moeten worden. Dat is het departement van Binnenlandse Zaken (BiZa), verantwoordelijk voor crisisbeheersing en de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD). BiZa is bovendien het politiedepartement en verantwoordelijk voor het openbaar bestuur. Die combinatie tussen veiligheid en openbaar bestuur is niet voor niets: de verbinding tussen beide is van groot belang. Doordat dit onder één ministerie valt, versterken ze elkaar. Het departement van Justitie heeft een geheel eigen positie en verantwoordelijkheden: wetgeving, Openbaar Ministerie, de rechterlijke macht, gevangeniswezen en reclassering.

De departementen horen naast elkaar te bestaan. Dat is de kracht van ons stelsel: een glasheldere verdeling van posities en verantwoordelijkheden en een uitstekende balans daartussen. Deze checks and balances worden door samenvoeging van beide departementen verstoord. Dat is onwenselijk.

Waar het in de kern om gaat, is de vraag hoe we ons veiligheidsbeleid zo effectief mogelijk organiseren. Dat hoort in de discussie voorop te staan. De burger zit niet te wachten op structuurdiscussies, maar wil veiligheid in zijn straat. De burger eist van de overheid, van zijn burgemeester, van politie en justitie, dat criminaliteit en terrorisme stevig worden aangepakt.

Een effectief veiligheidsbeleid vereist allereerst een sterk nationaal niveau. Dat vergt een sterk ministerie van BiZa, dat nauw samenwerkt met Justitie. De coördinatie op landelijk niveau van de aanpak van onveiligheid, criminaliteit en terrorisme ligt idealiter bij de minister van Binnenlandse Zaken, hét veiligheidsdepartement.

Daarnaast is voor een effectief veiligheidsbeleid aansluiting noodzakelijk tussen dat nationale en het lokale niveau. Dat is echt cruciaal. Ons huidige bestel zit wat dat betreft goed in elkaar. De minister van Binnenlandse Zaken is beheerder van het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) en voert het beheer op afstand van de 25 regiokorpsen. Hij sluit beheers- en prestatiecontracten met de korpsen en heeft een aanwijzingsbevoegdheid richting de korpsbeheerders. In aansluiting daarop is voor het lokale veiligheidsbeleid het lokaal bestuur verantwoordelijk. Het gezag inzake de openbare orde en veiligheid ligt bij de burgemeester; de hoofdofficier van justitie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving. De verdeling van verantwoordelijkheden tussen het nationale en lokale niveau is helder, maar vereist nauwe samenwerking. In de eerste plaats tussen de minister van Binnenlandse Zaken, de korpsbeheerders en het lokaal bestuur (de burgemeester) - en natuurlijk ook met de minister van Justitie gelet op diens taken.

Een derde onderdeel van effectief veiligheidsbeleid ligt op het lokale en regionale niveau zelf. Allereerst is een professioneel politieapparaat nodig dat slagkracht en maatwerk kan leveren. Dat apparaat hebben we nu, onder meer door de wijziging van het politiebestel in 1993. Onder leiding van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales, werden de 148 gemeentelijke politiediensten en 17 districten Rijkspolitie omgevormd tot de huidige 25 regiokorpsen en het KLPD (dat aanvankelijk onder Justitie viel, maar in de loop der tijd - logischerwijs - is overgeheveld naar BiZa). Het doel van deze ingrijpende bestuurlijke reorganisatie was verbetering van de effectiviteit en efficiëntie van de politie, onder andere door middel van schaalvergroting.

De vorming van deze regiopolitie is een uitermate verstandige keuze geweest. Een regionaal korps kan flexibel inspringen op regionale veiligheidsproblematiek. Die couleur locale is van groot belang. Immers, in een regio als Rotterdam-Rijnmond is een andere aanpak vereist dan bijvoorbeeld in Friesland. Door centralisering van de politie, zoals Cees Fasseur bepleit (Forum, 21 januari), verliezen we die couleur locale. Een regionaal georganiseerd politieapparaat sluit bovendien aan op al die andere onderdelen van de veiligheidsketen, die eveneens lokaal en regionaal van aard zijn: onderwijsbeleid, jeugd, zorg en welzijn, fysieke infrastructuur, het beheer van de openbare ruimte, et cetera. Veiligheidsbeleid is immers integraal beleid.

Effectief veiligheidsbeleid op lokaal niveau kan ook niet zonder de koppeling tussen aansturing van de politie enerzijds en de zeggenschap over de daarbij behorende instrumenten anderzijds. De burgemeester van de centrumgemeente is dus verantwoordelijk voor zowel gezag als beheer. Dat is ook logisch. Het zou knap lastig zijn om de door hem lokaal en regionaal gestelde prioriteiten te realiseren, als hij geen invloed kan uitoefenen op de bijbehorende verdeling van inzet. Door centralisatie van beheer ontneem je de burgemeester zijn middelen. Hij verliest daarmee grip op de inzet van de politie in zijn gemeente en wordt een soort scheidsrechter zonder fluitje. Ook in de toekomst hoort de burgemeester van een centrumgemeente, zeker in een stad als Rotterdam, korpsbeheerder te zijn. Hij heeft samen met de andere leden van de beheersdriehoek een goed en compleet beeld van de veiligheidsproblematiek in de regio. De komst van de gekozen burgemeester verandert daar niets aan. Het zou een gotspe zijn wanneer hij zijn invloed op het beheer kwijtraakt.

Dat de discussie over effectief veiligheidsbeleid wordt gevoerd, is geheel terecht. Daarbij gaat het wat ons betreft in het geheel niet over de posities; laat daar geen misverstand over bestaan. Het is niet meer dan logisch dat ministers bepaalde garanties eisen dat landelijke prioriteiten op lokaal en regionaal niveau worden uitgevoerd. Dat gebeurt ook, middels het Openbaar Ministerie en door beheers- en prestatiecontracten. Wij vinden ook dat de positie van het ministerie van BiZa op bepaalde beheerspunten van de politie verder zou kunnen worden versterkt: CAO's, ICT en management development. Maar we moeten wel oppassen dat we niet de verkeerde discussies aangaan.

Een effectief veiligheidsbeleid bereiken we niet door een ministerie van Veiligheid of centralisering van de politie, maar door handhaving - en waar nodig versterking - van het huidige bestel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden