We gaan terug naar een sobere sociale zekerheid

Met zijn hervorming van de zorg keert staatssecretaris Van Rijn terug naar de peetvader van de sociale zekerheid, zijn bijna-naamgenoot Van Rhijn.

Beeld Lauren Hillebrandt

Wedden dat u Aat van Rhijn niet kent? En dat is eigenlijk een schande. Want niet alleen is Aat van Rhijn (1892- 1986) de peetvader van de Nederlandse sociale zekerheid. We zijn vandaag de dag ook weer terug bij de ideeën over de sociale zekerheid die Van Rhijn tijdens de oorlog als topambtenaar in opdracht van de regering in ballingschap in de grondverf zette.

Dat we daar aanbelanden is dan weer het werk van Martin van Rijn. Die kent u wel, van die moeder in het verpleeghuis, en die vader die daarover klaagde. Maar misschien ook van de grootste hervorming in de langdurige zorg ooit.

Van Rhijn - met h - formuleerde zijn kernidee in 1943 met een, nu ietwat archaïsch klinkende zin: 'De gemeenschap, georganiseerd in den Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde, dat deze leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.' De zin is lang. Misschien dat daarom het laatste deel wat vergeten raakte. Juist het deel waarop nu de nadruk komt te liggen.

Van Van Rhijn naar Van Rijn in vier stappen.

1. Wederopbouw en gas

Hoewel hij van huis uit lid is van de protestants-christelijke CHU, een van de voorlopers van het CDA, bekent Van Rhijn zich in 1945 als 'doorbraakpoliticus' tot de PvdA. Dat is geen calculerende overstap om tegen de macht aan te schurken - in de CHU is dan weinig steun voor zijn ideeën over de sociale zekerheid.

Het maakt dat Van Rhijn nauw betrokken wordt bij de opbouw van de sociale zekerheid, tot 1950 als topambtenaar op Sociale Zaken, daarna tot 1958 als staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Het opbouwen van een nieuwe maatschappij was het doel, de schrijnende herinneringen aan de crisisjaren voor de oorlog lagen nog vers in het geheugen. Toen was oud synoniem aan arm, werklozen en zeker armlastige zelfstandigen kregen nauwelijks steun. Armen waren afhankelijk van de willekeur van de charitas - de liefdadigheid van kerken, gegoede burgerij, soms de gemeente.

Terwijl het land de schouders eronder zet en zich aan de wederopbouw wijdt, begint ook de opbouw van de sociale zekerheid. Oorspronkelijk voorziet Van Rhijn drie soorten verzekeringen: voor werknemers, voor het hele volk en aanvullende 'voorzieningen' voor als iemand zichzelf niet kan redden. Daar blijven de werknemers- en volksverzekeringen van over. Volksverzekeringen gelden ook voor zelfstandigen. Wetten bieden op papier iedereen dezelfde rechten. Voorzieningen klinken te veel naar de willekeur en rechtsongelijkheid van de vooroorlogse charitas.

Van Rhijn verliest nog een gevecht. Niet de overheid gaat de regelingen uitvoeren, maar vakbeweging en werkgevers. 'De staat moet zich onthouden van al datgene wat door gemeenschappen van belanghebbenden goed kan worden gedaan', vinden de sociale partners, gesteund door de christelijke partrijen in het parlement.

De sociale partners doen dat per bedrijfstak waardoor ook in de uitvoering van de werknemersverzekeringen verschillen ontstaan.

De Duitsers hebben tijdens de bezetting al vernieuwingen doorgevoerd - de kinderbijslag, de arbeidsbureaus en de ziekenfondsen. Na de oorlog bieden politieke partijen tegen elkaar op met uitbreidingsplannen. De bescheiden opzet die Van Rhijn voor ogen stond, verdwijnt naar de achtergrond.

Alles kan zo'n beetje, dankzij extreme loonmatiging, die de economische groei nog eens aanblaast. Het zijn de jaren van 'geleide loonpolitiek'. Het kabinet stelt de loonstijging vast. Die is veel lager dan de economische groei, waardoor 'ruimte' overblijft om de opbouw van de sociale zekerheid te financieren. Neem de AOW. Van de ene dag op de andere moeten ruim 440 duizend AOW-uitkeringen worden betaald.

Als de loonmatiging op zijn laatste benen loopt, wordt in 1959 in Groningen aardgas gevonden. Dat brengt jarenlang gratis geld in de schatkist, waarmee de sociale zekerheid betaald kan worden. Dus gaat het hard met de opbouw van de verzorgingsstaat.

Beeld Lauren Hillebrandt

2. Crisis en vrouwen

Gratis gasgeld en economische groei maken misschien gelukkig, maar ook lui. Overal wordt op groei gerekend. Volgens cao's worden de lonen steeds verhoogd met de inflatie uit voorafgaande maanden. Plus wat extra's. De uitkeringen stijgen mee met de cao-lonen door de 'koppeling'. De rijksoverheid, elk ministerie, rekent jaar in jaar uit met groei.

Het systeem stokt in de jaren zeventig. De economische groei slaat om in krimp. De automatische stijging van de lonen met het inflatiepercentage is het recept voor een 'loon-prijsspiraal': als de lonen omhoog gaan, gaan de prijzen omhoog en daarmee de lonen en daarna de prijzen en zo voort en zo verder.

Vrouwenemancipatie - dit klinkt naar - verergert het probleem. De verzorgingsstaat gaat uit van de man als kostwinner die het gezin onderhoudt. Tot halverwege de jaren vijftig worden vrouwen op de huwelijksdag ontslagen, omdat zij dan geacht worden zich te richten op baren, het gezin en het huishouden. Met het huwelijk verliezen vrouwen ook voor de wet hun zelfstandigheid. In de jaren zeventig gaan mondjesmaat ook getrouwde vrouwen werken en doen zij, vaak tevergeefs, een beroep op de werknemersverzekeringen. Pas halverwege de jaren tachtig krijgen vrouwen volledig gelijke rechten in de sociale zekerheid.

Het duurt nog even voordat in Den Haag doordringt dat het systeem onhoudbaar wordt. Nog in 1977 wordt de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet aangenomen. Die biedt bijvoorbeeld huisvrouwen die pijnlijk van een keukentrapje vallen levenslang een uitkering - zonder herkeuring. Daarmee is de kerstboom die verzorgingsstaat heet voltooid en topzwaar opgetuigd.

3. Lubbers en Donner

De economische crisis rond 1980 maakt ingrijpen onontkoombaar. In 1982 begint Ruud Lubbers als premier (wat hij was tot 1994) aan een karwei dat met horten en stoten voortgaat en nu vrijwel is afgerond, met de onttakeling van de AWBZ, die de zorg voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten regelt. Horten en stoten, want in Den Haag wordt een lek in de begroting pas gedicht als het echt crisis is.

Lubbers begint met het zogenoemde kaasschaven - verlagen van uitkeringen, aanscherpen van toekenningseisen. De uitvoering van de werknemersverzekeringen is dan nog in handen van vakbonden en werkgevers en die doen dat in de bouw heel anders dan het bankbedrijf, de detailhandel of overheid. In de jaren negentig gaat daar een parlementaire enquête overheen die uiteindelijk leidt tot nationalisatie van de uitvoering. En daar is het UWV. Denk hier al even aan de oude Aat van Rhijn, die vanaf het begin voor staatsuitvoering was.

Hele wetten sneuvelen of worden sterk versoberd tot een minimumniveau. De gemeenten worden verantwoordelijk voor de bijstand.

Twee koekoeksjongen resteren rond de eeuwwisseling nog op de rijksbegroting, de WAO en de AWBZ. Koekoeksjongen, omdat het om blanco cheques gaat - in Haags jargon: openeinderegelingen. De kosten stijgen ongebreideld, jaar in jaar uit meer dan gedacht.

Al in 1989 heeft Lubbers betoogd: 'Nederland is ziek', vanwege het hoge ziekteverzuim en de hoge langdurige arbeidsongeschiktheid, de WAO. De schaafjaren hebben nog niet het gewenste resultaat opgeleverd. Het aantal afgekeurden nadert rond de eeuwwisseling het miljoen - op een beroepsbevolking van ruim zes miljoen. Ingrijpen is politiek brisant, want dat zijn wel een miljoen stemgerechtigden. Maar de uitgaven zijn onbeheersbaar.

Hetzelfde geldt voor de AWBZ. Daar is zoveel 'onder' gebracht, dat de uitgaven in het eerste decennium van deze eeuw onbeheersbaar worden. Iedere hulpbehoevende kan aanspraak maken op een wettelijk recht in de AWBZ, van begeleiding voor kerk of moskeebezoek tot een gratis scootmobiel.

Voor de WAO moet een commissie een list verzinnen onder leiding van Piet Hein Donner, dan nog een anoniem lid van de Raad van State, later onder meer minister van Sociale Zaken en nu vicevoorzitter van de Raad van State - 'onderkoning' - naast voorzitter koning Willem-Alexander.

Wie het bedacht heeft, is niet meer te achterhalen - succes heeft vele vaders en moeders -, maar die commissie vindt het Ei van Columbus: niet langer kijken wat iemand niet meer kan, maar naar wat iemand nog wel kan. Die perspectiefwisseling wordt de basis voor de vervanging van de WAO door de veel strengere Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Ruud Lubbers. Beeld anp

4. Van Rijn en Van Rhijn

Die perspectiefwisseling wordt nu door staatssecretaris Martin van Rijn weer gebruikt bij de onttakeling van de AWBZ. Gemeenten, die verantwoordelijk worden voor zorg aan zelfstandig wonende hulpbehoevenden, kijken niet meer waar de hulpbehoevende recht op heeft maar wat iemand zelf nog kan of kan regelen. Pas daarna springt de gemeente zonodig nog bij met professionele hulp.

Dat strookt met de op de achtergrond geraakte, tweede helft van wat ooit Van Rhijns oergedachte was: 'dat deze leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.'

Sociale zekerheid zoals die ooit bedoeld was, zou je kunnen zeggen.

Maar simpele oplossingen bestaan niet. Met de terugkeer naar de oergedachte spelen ook de oerkwesties op, uit de tijd van Van Rhijn.

Voor hem was een prangende vraag hoe met zelfstandigen moest worden omgegaan. Daar waren volksverzekeringen een oplossing voor, zoals de Algemene Arbeidsongeschiktheidwet - maar die is afgeschaft. Dat is nu, met ruim een miljoen zelfstandigen zonder personeel, opnieuw een kwestie. Daarnaast komen willekeur en rechtsongelijkheid weer op de agenda. Die waren voor de oorlog schering en inslag bij de charitas. Nu worden gemeenten verantwoordelijk voor arbeidsgehandicapten, voor de jeugdzorg en voor de zorg aan hulpbehoevende inwoners. De ene gemeente doet dat anders dan de andere.

Rechtsongelijkheid is in wezen inherent aan de visie van Van Rhijn. Hij had bij het formuleren ervan de vooroorlogse ordening in het achterhoofd. De kerken waren toen almachtig in de armenzorg en kort na de oorlog nog vaak heer en meester in gehandicapteninstellingen, verpleeg- en verzorgingshuizen.

De kerken zijn nu geen doorslaggevende factor meer. De gemeente wordt cruciaal bij het verlenen van zorg. Die is verantwoording schuldig aan de burgers, landelijk en lokaal. De welvaart van de burgers en hun mondigheid zijn onvergelijkbaar met voor of vlak na de oorlog. Wanneer een burger zich misdeeld voelt, weet die internetfora, de media, de rechter of een politicus te vinden. Zo komen we misschien wel dichter in de buurt van Van Rhijns ideale model dan in zijn eigen tijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden