We blijven leren

Na de Bijlmerramp tien jaar geleden schoot de hulpverlening in veel opzichten tekort. Die les kwam later van pas in Enschede en Volendam.

Lang na de ramp, zelfs de Bijlmer-enquête was al op tv geweest, greep toch nog een bewoner naar het broodmes. 'Ik ga me zelf wat aandoen!', riep hij tegen de dominee die op visite kwam. Het slachtoffer voelde zich niet begrepen door de hulpinstanties. 'Ik ben toen heel, heel boos geworden', zegt traumapastor Otto Ruff. 'Maar op een vaderlijke manier, zoals dat alleen kan als je er al zeven jaar over de vloer komt.'

De dominee wil maar zeggen: de effecten van een ramp ijlen langer na dan menigeen denkt. Ook vandaag, als nabestaanden zich tien jaar na de Bijlmerramp verzamelen rond 'De Boom Die Alles Zag', kan een deel van de slachtoffers nog steeds niet vooruitkijken. Zelden werd een pijnlijke gebeurtenis zo lang levend gehouden door mysterieuze verhalen, onderzoek, een onderzoeksenquête en nu weer een grootse herdenking.

Daar zal Ruff ook weer van de partij zijn, met slachtoffers die hij al die jaren is blijven bezoeken. De eerste anderhalf jaar op kosten van de kerk, daarna op eigen initiatief. Hij sloot zich 2,5 jaar na de ramp aan bij de Stichting Nabij (Nabestaanden Bijlmerramp), opgericht door twee moeders die hun kinderen verloren. Samen zijn ze naar Enschede en Volendam geweest om in volle zalen hun ervaringen te delen.

'De verwerking duurt minstens tien jaar', zegt Marlène Truideman, die twee kinderen verloor. Dat besef is volgens haar nu wel doorgedrongen bij hulpverleners. 'De eerste paar jaar besef je niet eens wat er is gebeurd. Je bent verdoofd. Als je uiteindelijk hulp gaat zoeken zijn de meeste faciliteiten alweer afgebouwd.'

Het is een van de lessen van de Bijlmerramp: de nazorg duurt langer en is omvangrijker dan gedacht. Een tweede les heeft te maken met de informatievoorziening na de ramp. Die was tien jaar geleden chaotisch en vooral tegenstrijdig. Dat wekte argwaan en woede onder de slachtoffers en belemmerde hun herstel. In Enschede en Volendam verscheen daarom één loket om de zogeheten secundaire gevolgen van de ramp te minimaliseren.

'We hebben veel geleerd van de Bijlmerramp', zegt hoogleraar psychiatrie Berthold Gersons van het Amsterdamse AMC, tevens adviseur van het ministerie van Volksgezondheid op het gebied van zorg na rampen. 'Een ramp lijkt op een uitbraak van een virus: je moet meteen één organisatie opzetten om de gevolgen te bestrijden.' In de Bijlmer, stelt Gersons, ontbrak die aanpak om vragen centraal te beantwoorden, mensen aan woonruimte te helpen, gegevens te verzamelen en slachtoffers op lange termijn te volgen.

Op het symposium Lessen leren van rampen die afgelopen week in de Bijlmer werd gehouden, adviseerden hulpverleners en wetenschappers voortaan meteen een informatie- en adviescentrum op te zetten. Daar beantwoorden hoogopgeleide medewerkers vragen, knopen it-deskundigen databanken aan elkaar en beginnen gezondheidswetenschappers hun statistieken. De gemeente moet dat centrum drie tot vijf jaar draaiende houden. Ten slotte moeten slachtoffers meer volgens vaste richtlijnen worden behandeld.

Die verbeteringen werden grotendeels ingevoerd bij de rampen in Enschede en Volendam maar het effect op psycho-sociaal leed is lastig te meten. In de Bijlmer vielen 43 doden en wordt het aantal getroffenen geschat op vier- tot vijfduizend. Twee jaar later leed een kwart van de gedupeerden aan een posttraumatische stress-stoornis (ptts). Nog eens 20 procent had ptts-achtige klachten. Bij de laatste meting dit jaar kampte nog altijd 20 procent van de getroffenen met ptts-achtige verschijnselen.

De vuurwerkramp in Enschede in 2000 eiste 22 doden en dupeerde ruim tienduizend bewoners. Anderhalf jaar later klaagde 25 procent van de betrokkenen over een ptts. Terwijl je een lager percentage zou verwachten wegens de verbeterde begeleiding. Bij de cafébrand in Volendam vielen 14 doden en ruim 180 gewonden. Daar was de begeleiding door traumapsychologen en vrijwilligers nog intensiever, maar harde cijfers over het effect daarvan ontbreken nog.

Een complicatie is dat het verschijnsel trauma aan inflatie onderhevig is. Ieder mens, stelt Gersons, raakt uit balans na blootstelling aan acuut gevaar. De heftigheid van die reactie verschilt per tijdperk en land. Als voorbeeld noemt Gersons de watersnoodramp van 1953. 'De kindersterfte was in die tijd veel hoger, evenals de kans dat een man niet terugkeerde van zee. De nabestaanden kregen minder begeleiding, maar ze konden ook meer hebben.'

Tien jaar na de Bijlmerramp hebben de meeste slachtoffers een nieuwe manier van leven gevonden, zegt Gersons. De media leggen volgens hem te veel de nadruk op diepe ellende die nooit meer ophoudt. 'Een ramp levert ook een verrijking op. Het geeft naast alle ellende ook zingeving en betekenis aan het bestaan.'

Op dat terrein begeeft dominee Ruff zich. Hij signaleert een leemte in de nazorg bij rampen. 'Het klinkt een beetje. . . goedkoop, maar ik mis liefde.' De pastor begeleidde na de ramp bijna zestig slachtoffers door hen thuis te bezoeken en nog steeds halfjaarlijkse bijeenkomsten te organiseren. 'Een uurtje langs bij de Riagg is niet genoeg.'

De traumapastor pleit voor een grotere rol voor geestelijken bij rampen. Hij schreef een draaiboek waarin hij pleit voor gezamenlijke rampenoefeningen, cursussen en kerkgebouwen als opvangcentra. 'De banken kunnen er wel uit, die zijn niet heilig.' Volgens Ruff moeten religieuze organisaties een taak oppakken die ooit de staat op zich nam. 'Tegenwoordig kan het gebouw ook een moskee zijn.'

Een ander initiatief na de rampen van afgelopen tien jaar is de oprichting van kenniscentra. 'Het probleem in Nederland is dat er te weinig rampen gebeuren om de kennis paraat te houden', stelt Gersons. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu begon onlangs een rampen-expertisecentrum om het gezondheidsonderzoek te coördineren. Deze week presenteerde Stichting Impact zich: landelijk kenniscentrum psychosociale zorg na rampen.

'De kennis is nu te versnipperd', zegt directeur Magda Rooze. Volgens haar moet de expertise van traumapsychologen klaar liggen, net als bij de brandweer, de politie en de GG en GD die een draaiboek volgen. Rooze noemt ook de Faro-ramp, MKZ-crises, legionella-besmetting en de Hercules-crash als bron van ervaring. 'We willen weten welk type persoon het meest bevattelijk is voor een ptss.'

Daar hoort waarschijnlijk Carla Sleur bij, die dertien jaar geleden haar dochter en twee kleinkinderen verloor bij de SLM-ramp in Suriname. 'Mijn leven is nog steeds leeg', zegt de 58-jarige vrouw die vandaag ook bij de herdenking zal zijn. 'Het gaat ieder jaar beter, maar heel langzaam.' Sleur schrijft dagelijks op wat zij die dag gedaan heeft en komt soms niet verder dan 'planten water gegeven'.

Sleur maakt min of meer hetzelfde door als andere rampslachtoffers. Daarom komt zij ook naar de Bijlmer. 'We kunnen elkaar helpen.' Volgens dominee Ruff komt het gewenste basisgevoel van veiligheid bij de meeste mensen langzaam terug. 'Ik zeg hen dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Hoe groot is de kans dat een vrachtvliegtuig je woonkamer in komt vliegen?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden