Waterloo onder lekkend dak

De Collectie Militaire Traditie bevat een keur aan hellebaarden, veldbedden, schietwapens, uniformen, naast een reconstructie met modelsoldaatjes van het slagveld van Waterloo....

Een legermuseum waarin pronkstukken van alle krijgsmachtdelen zijn gehuisvest: Amersfoort heeft er jarenlang vergeefs voor geopteerd. Maar Driebergen-Rijsenburg heeft al sinds mensenheugenis zo'n museum. Vrijwel onzichtbaar voor passanten en omwonenden, geeft museumdirecteur Piet van der Burg (1927) toe. Hoewel: wie bij de gemeentegrenzen een stratenplan laat uitprinten, wordt naar de Collectie Militaire Traditie verwezen. Wie graagwil, weet hem dus te vinden. Maar een publiekstrekker van de eerste orde is zijn privé museum niet, geeft Van der Burg toe.

Meer dan 1500 bezoekers heeft hij de laatste jaren niet meer over de vloer gehad een halvering ten opzichte van de glorietijd in de jaren tachtig, toen de ANWB het bezoek nog met kortingsbonnen stimuleerde. En het resterende publiek is niet geheel vrij van schroom. Ik had hier laatst nog een mevrouw met twee jongetjes die zich uitgebreid voor haar komst verontschuldigde', zegt Van der Burg. Ter verklaring zei ze dat ze tegen oorlog was. Ik antwoordde dat ik ook tegen oorlog was. En ook tegen brand. Maar dat dit voor mij geen reden was om tegen de brandweer te zijn. Maar daarmee schiep ik alleen maar verwarring.'

Piet van der Burg wil maar zeggen: de anti-militaire gezindheid van de Nederlanders heeft zijn onderneming nogal belast. In een land waar militairen wordt geadviseerd om buiten diensttijd in burgertenue te reizen, kunnen oorlogsmusea onmogelijk gedijen. Sponsors willen zich niet met hem verbinden omdat de cliëntèle daar weleens aanstoot aan zou kunnen nemen. De Collectie Militaire Traditie wordt dientengevolge onderhouden door 28, overwegend bejaarde, vrijwilligers. Met het onderhoud van haar onderkomen is jaarlijks ten minste 23 duizend euro gemoeid een bedrag dat de draagkracht van de eigenaar, een naar de collectie vernoemde stichting bijna te boven gaat.

En elke euro die aan het bouwvallige pand, de voormalige bioscoop van Rijsenburg (bouwjaar 1926) wordt besteed, is welbeschouwd weggegooid geld, zegt Van der Burg. Zelfs als alle lekkages zijn verholpen en de vensters van dubbel glas zijn voorzien, zal hij zijn kwetsbare museumstukken onvoldoende tegen het alomtegenwoordige vocht kunnen beschermen. Het liefst zou hij zijn collectie naar een solide onderkomen verhuizen, maar daarvoor is hij aangewezen op de steun van de gemeente. Het huidige college van burgemeester en wethouders is hem weliswaar goed gezind, en denkt zegt Van der Burg actief met hem mee. Maar voor het behoud van zijn museum zijn meer inspanningen vereist.

Op subsidies zal hij vermoedelijk slechts mondjesmaat een beroep kunnen doen. De ervaring van vele jaren heeft hem geleerd dat voor bijzondere tentoonstellingen over specifieke thema's moeiteloos geldschieters zijn te vinden. Maar voor een dakreparatie hoe spoedeisend die onderhand ook mag zijn kan hij geen beroep doen op derden.

Het komt voor, ook in vakantietijd, dat Van der Burg en een grijze hulpengel welgeteld vijf bezoekers ontvangen. Over krakende vloeren schuifelen zij langs stokoude hellebaarden, buitenissige hoofddeksels, veldbedden, schietwapens, uniformen, en een reconstructie met modelsoldaatjes van het slagveld van Waterloo zoals dat er moet hebben uitgezien op 18 juni 1815, half twee s middags. Prominent in de achterhoede figureren de Nederlandse troepen. De schamperheid waarmee doorgaans over hun bijdrage aan de veldslag wordt geschreven, is volkomen misplaatst, weet Van der Burg. Sterker nog: het zou aan het uitmuntend voorwerk van de prins van Oranje bij Quatre Bras te danken zijn dat de Geallieerden bij Waterloo überhaupt slag hebben kunnen leveren tegen Napoleon.

Van der Burg voelt zich de hoeder van deze oude wapenfeiten. Zijn eigen staat van dienst als militair is bescheiden, geeft hij toe. Want ach, hoe gingen die dingen voor een puber in oorlogstijd: hij bracht wat illegaal drukwerk rond, onttrok zich aan de arbeidsdienst, was betrokken bij de zogenoemde pilotenhulp, en eindigde bij de Binnenlandse Strijdkrachten. Na de oorlog diende hij, als tolk voor de Canadezen, in Duitsland. Dat oogde nog veel gehavender dan het eigen land. Maar medelijden met de bewoners heeft hij nooit gevoeld: Dan hadden ze maar geen Duitsers moeten zijn.' Hij besloot zijn militaire loopbaan in Indonesië, als KNIL-militair.

Na zijn repatriëring voorzag hij in zijn onderhoud als fiscaal juridisch adviseur voor het middenen kleinbedrijf. Iets heel anders dus. Toch vormden de residuen van zijn korte verblijf in de krijgsmacht de aanzet tot zijn huidige collectie. In 1969 had hij met zijn gezin een bezoek gebracht aan het militair museum in Kopenhagen. Het gebodene beviel zijn zoon zodanig dat hij met de woorden dat kan ik ook' driftig aan het verzamelen sloeg. Na vijf jaar ontruimde vader Van der Burg de begane grond van zijn kapitale herenhuis aan de Driebergse Straatweg om de collectie van zijn zoon aan het publiek te kunnen tonen. In 1988 verhuisde de onderneming naar de huidige plaats.

Over de overlevingskansen van het museum laat Van der Burg zich niet uit. Maar de collectie zal hoe dan ook blijven groeien. Net als de boekenverzameling waarin krijgshistorici en hobbyi sten uit alle delen van de wereld zich komen verdiepen. De Driebergse collectie is namelijk opgenomen in een omvangrijk netwerk van musea en privéverzamelaars die elkaar genereus van overtollige stukken voorzien. Maar de belangrijkste bron van nieuwe aanwinsten zijn, aldus Van der Burg, nog altijd de dooie opa's met een militair verleden'. In principe is er nog aanbod van alles waarin de verzamelaar belang stelt. Alleen de manschapsuniformen van vóór 1940 zijn nogal schaars. De officieren mochten hun plunje houden, maar het tenue van de dienstplichtigen was rijkseigendom, en moest na de dienstijd weer worden ingeleverd. Naderhand hebben de Duitsers die kleren nog geschikt gemaakt voor eigen gebruik, of hebben ze er de Oekraiense hulptroepen mee aangekleed. Voor ons, in Driebergen, waren die stukken daarmee reddeloos verloren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden