Wateringenieur

De Verenigde Naties hebben 2010 uitgeroepen tot het jaar van de biodiversiteit. De afname van de soortenrijkdom moet dit jaar tot staan worden gebracht....

Op de dijk bij het Overijsselse Zalk staat een bronzen beeld. Nee, geen beeld van kruidenvrouwtje Klazien, de bekendste inwoner van het gehucht aan de IJssel, maar een beeld van een bever. Het beeld staat er niet voor niets. Ter hoogte van deze plek werd in 1826 de laatste in het wild levende bever in Nederland door een visser doodgeslagen met een roeispaan. Meer dan een eeuw later werd het uitroeien van dit zo typisch Nederlandse rivierbeest opeens ernstig betreurd. Vandaar het beeld. En vandaar ook het initiatief, in 1983, om de bever opnieuw uit te zetten in ons land.

En nu staat Nannike Buvelot (39) van de beverwerkgroep van de zoogdiervereniging opgetogen op de dijk. Ze heeft drie door bevers aangeknaagde takken meegenomen die ze voor een foto bij het beeldje neerlegt, daarna wijst ze trots op de IJssel en de uiterwaarden aan de overkant.

Begin dit jaar zag Buvelot hier niet ver vandaan in het IJsseldal – de precieze plek onthult ze liever niet – een jonge bever voor een door haar opgestelde infraroodcamera opduiken. Het eerste beverjong in de IJssel sinds bijna tweehonderd jaar. De ontdekking werd door beverkenners direct herkend als symbolisch en historisch, als het definitieve bewijs van de geslaagde herintroductie van het wonderlijke knaagdier, dat niet alleen in Nederland maar in bijna heel Europa was uitgeroeid.

Fantastisch nieuws dus, vindt Nannike Buvelot, want: ‘De bever is een geweldig beest. Het is een bouwer, een wateringenieur, een natuurbeheerder. Hij kan in zijn eentje een gebied ter grootte van een voetbalveld onder water zetten. Alleen maar door het bouwen van een dam. Prachtig toch?’

‘Fantastisch nieuws’, vindt ook beverkenner Vilmar Dijkstra van de zoogdiervereniging een paar dagen eerder, terwijl hij voorgaat door een moerassig gedeelte van de Millingse Waard. ‘Je ziet nu voor het eerst dat de beverpopulaties uit verschillende uitzetgebieden elkaar gaan tegenkomen. Er ontstaan burchten in tussengebieden. Je kunt dus eindelijk, na iets meer dan twintig jaar, spreken van een metapopulatie.’

Dijkstra wijst intussen op beversporen, afgeknaagde takjes en twijgjes, een enkel klein dammetje, maar ook volledige wilgen die om liggen en half in het water terecht zijn gekomen. Als strikte herbivoor heeft de bever een voorkeur voor kruiden, twijgjes en hout van vooral wilg, els en populier.

Vooral voor het gedrag en de ‘nuttige functie’ van de bever heeft Dijkstra bewondering. ‘Hij bouwt burchten en dammen, hij graaft kanalen, hij knaagt bomen om. Hij vormt het landschap, hij is een wateringenieur. Echte wateringenieurs hebben zich laten inspireren door bevers. In de zin van: laten we hier maar een kanaal graven, want dat heeft de bever ook gedaan. Er zijn legers door de moerassen getrokken, over door bevers gemaakte dammen.’

Dijkstra was erbij, in die eerste jaren vanaf 1988, toen de eerste bevers uit het Elbegebied werden uitgezet in de Biesbosch. Dat verliep aanvankelijk moeizaam. Er gingen er veel dood, terwijl het aantal geboorten extreem laag was. Het bleek dat de bevers meer territorium nodig hadden dan gedacht, rond de 13 kilometer per bever. Vermoedelijk vanwege het toch wat eenzijdige voedselaanbod (wilgen) in de Biesbosch. ‘Wat je wel merkt, is dat de nakomelingen het een stuk beter doen.’

Zo ging het ook in de Gelderse Poort, waar vanaf 1994 bevers werden uitgezet. Eerst moeizaam, daarna beter. Volgens Dijkstra leven er in de Gelderse Poort nu rond de 100 van de in totaal al bijna 500 Nederlandse bevers. In Flevoland ontsnapten bevers uit natuurpark Lelystad en vormden met wat toegevoegde mannetjes een populatie. Vanuit Duitsland kwamen bevers naar het stroomgebied van de Maas.

Vraag: hoe kwam het eigenlijk dat de bever in de 19de eeuw zo grondig werd uitgeroeid? Daar is geen honderd procent zekerheid over, zegt Dijkstra. Wel werd de bever bejaagd vanwege de vacht. En katholieken, die vrijdag geen vlees mochten eten, beschouwden de bever dan maar als vis. ‘En het geurvocht uit de klieren van de bever werd gebruikt voor parfum.’ Vermoedelijk werd de bever ook beschouwd als lastig, vanwege de kleine overstromingen die hij kon veroorzaken.

Dijkstra houdt halt voor een Walt Disney-plaatje: een bijna geheel omgeknaagde hoge populier in het moeraslandschap. De boom beweegt vervaarlijk mee met de voorzichtige bries. Het nut van de bever voor het landschap is hier goed te zien, zegt Dijkstra. ‘De bever houdt het open en hij zorgt ervoor dat het water wordt vastgehouden. En door het dode hout ontstaat er heel veel nieuw leven. Insecten, waterplanten, amfibieen, libellen en vogels profiteren van het werk van de bever. En ook zo’n dammetje betekent enorm veel voor de biodiversiteit in zo’n minigebiedje.’

Vilmar Dijkstra heeft ervaring, hij klimt behendig over takken, kruipt over dammen heen, sluipt tussen het struweel door en vindt dan een beverburcht, een flinke berg takken, twijgjes, bladeren en plastic. ‘Je ziet: de ingang is onder water. Maar bovenin de burcht is een droog gedeelte.’ Een van de redenen voor de bever om dammetjes te bouwen, is om de ingang van de burcht onder water te houden. Dijkstra heeft meer dan manshoge burchten gezien. ‘Ingenieuze bouwwerken. Bevers vlechten het hout als het ware. Dat hebben mensen ook al van bevers afgekeken.’ Verder gebruiken ze zowat alle materiaal dat voorhanden is. ‘Peddels, plastic, allerhande kabels. Ik heb een burcht gezien waarbij het leek alsof ze telefoonaansluiting hadden.’

Beverparen krijgen twee tot acht jongen die vanaf hun derde jaar op zoek gaan naar een eigen territorium. Vilmar Dijkstra verwacht dat het aantal bevers zich in de komende jaren snel gaat uitbreiden. ‘De kans dat ze een nieuwe partner vinden wordt nu steeds groter. Het zou me niks verbazen dat we over tien jaar al 5.000 bevers hebben.’

Dan dient het volgende probleem zich aan: de overlast die de bevers gaan veroorzaken vanwege de succesvolle herintroductie. Volgens Dijkstra gaat het meevallen. ‘Er zit een grens aan het aantal bevers, want ze hebben een groot territorium nodig. De dichtheid zal dus nooit enorm worden en de vraatschade blijft beperkt. Natuurlijk, het kan incidenteel eens voorkomen dat er ergens een kelder onder loopt, maar dat lijken mij uitzonderingen. De bevers blijven natuurlijk toch vooral langs de rivieren en beken. Waterschappen houden bij de inrichting van gebieden ook rekening met bevers. Ze bouwen bijvoorbeeld buffers tegen dijken aan, opdat bevers niet gaan graven in de dijken.’

Nee, vooralsnog moeten we, als het aan Dijkstra ligt, vooral blij zijn de terugkeer van de bever, die ‘gratis natuurbeheerder’, die ‘unieke landschapsvormer’, die bovendien nog eens van die grappige, makkelijk te traceren sporen nalaat.

Zelfs het grootste bezwaar tegen de bever, namelijk: ze laten zich niet zien, ontkracht Dijkstra. ‘Ze blijken toch veel minder schuw dan we dachten. Overdag houden ze zich schuil, maar bij zonsopgang en tegen de avond kun je ze, als je weet waar je moet zijn, makkelijk zien. In de Biesbosch zwemmen ze steeds vaker rond in de buurt van de roeibootjes van bezoekers. Alsof ze nieuwsgierig zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.