Wat wist zo'n boertje nou eigenlijk?

Kranten en de radio rukten weliswaar direct uit naar het ondergelopen zuidwesten. Maar slachtoffers kwamen zelden aan het woord. Verslaggevers citeerden liefst autoriteiten....

Het waren de jaren na de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw schoot aardig op, de bruggen waren hersteld, het spoorwegnet functioneerde weer, de landbouw had zich opgericht, de fabrieksschoorstenen rookten als teken van industriële voorspoed, de toekomst bood zicht op welvaart.

In dat licht is het dus wel enigszins begrijpelijk dat de stormramp van 31 januari in de eerste plaats werd beschouwd als een aanval in de rug door 'de erfvijand' die we even uit het oog waren verloren, die - in de tweede plaats - voor tientallen miljoenen aan materiële schade had berokkend aan een klein land dat nog maar net was opgekrabbeld na vijf jaar oorlog, en die - pas in de derde plaats - ook slachtoffers had gemaakt.

Dit was het beeld, de ochtend na de stormvloed: dood, verderf, chaos en leed in de getroffen gebieden, elders in het land op het gezag van de radio slechts het besef dat uit Rotterdam en omgeving, Kruiningen, Willemstad, Texel en elders meldingen waren binnengekomen van abnormaal hoge waterstanden. Het eerste bericht dat het ANP bereikte, was 's nachts binnengekomen, uit Zwijndrecht, waar de noodtoestand was afgekondigd, ongeveer op het tijdstip dat Zeeland door het water werd verzwolgen.

Nu viel het de radio niet aan te rekenen dat ze van weinig wist, want Zeeland was van de buitenwereld afgesneden doordat de telefoonverbindingen waren uitgevallen. Maar de ANP-berichten uit Zwijndrecht en wat later uit Willemstad, waar polders begonnen onder te lopen en militairen te hulp waren geroepen, bereikten de radionieuwsdienst in Hilversum al tegen half vijf, dus je zou zeggen: ze hadden niet tot acht uur hoeven wachten met die eerste nieuwsuitzending.

Dat wilden ze ook niet, ze wilden eerder de lucht in, maar de technici die de zender in bedrijf moesten stellen, mochten daarover niet zelf beslissen, en degenen die wél konden beslissen, waren onbereikbaar.

Het lijkt illustratief voor het Nederland van een halve eeuw geleden: een gezagsgetrouwe, sterk hiërarchisch georiënteerde samenleving, tamelijk verbureaucratiseerd, die in God geloofde, maar direct daarna ook zeer in zichzelf, en daarmee het ondenkbare op afstand dacht te houden.

Om al die redenen lijkt de regering - en in haar gevolg ook de journalistiek - het aanvankelijk wel te geloven; in Den Haag breekt pas in de loop van maandag 2 februari het besef door dat Schouwen-Duiveland vrijwel geheel was verdwenen. De journalistiek gelooft in elk geval voetstoots de autoriteiten en notuleert vanaf 1 februari wat er te notuleren valt, volgens een aanpak die we nu eerder boekhoudkundig dan gravend zouden noemen.

Het Parool rept die dag in een extra editie van een nationale ramp, van een rampzalige springvloed die de westelijke kusten van Nederland teistert en maakt melding van 27 doden. Op maandag meldt de Volkskrant 138 doden, deelt mee dat de ramp die middag onderwerp zal zijn van een speciale zitting van de ministerraad, tekent uit de mond van prins Bernhard op dat hier sprake is van 'verschrikkelijk nieuws' en stelt in een commentaar dat 'tegen het geweld van de natuur de mens aanvankelijk machteloos staat', maar dat 'het ganse land te hoop loopt, de mouwen oprolt en in de buidel tast om de grote nood te leningen'.

Dat is de toon in die dagen: een land dat zich edelmoedig verenigt om de nood te lenigen, en een Zeeuwse bevolking die - Luctor et Emergo immers - zwaar is getroffen maar de schouders eronder zet. Dit alles onder leiding van het bevoegd gezag dat weet wat er moet gebeuren. In het Polygoon-nieuws, op de radio, de beginnende televisie, in de kranten en de weekbladen werpt Nederland zich na de zware klap direct goed georganiseerd en eendrachtig op hulpverlening en herstel. Niets over de chaos in de organisatie.

Dagenlang zijn de voorpagina's van de kranten geheel gevuld met overstromingsnieuws. Per editie stijgt het aantal doden (1058 meldt de Volkskrant op woensdag, 1269 op donderdag) en stijgt de geschatte materiële schade, stijgt het bedrag dat het Nationaal Rampenfonds inmiddels heeft ontvangen, stijgt het aantal hulpverleners uit binnen- en buitenland, evenals het aantal vliegtuigen en helikopters dat wordt ingezet.

Maar, zoals dat gaat met rampen, na een aantal dagen kan ook weer aandacht worden besteed aan faits divers die het eigen karakter van de krant benadrukken. De Volkskrant van 6 februari, op de voorpagina: 'Met gevaar voor eigen leven hebben twee leden van de Katholieke EHBO, die deel uitmaakten van een hulpcolonne van tien man, op verzoek van pastoor Hofstede van Oude Tonge een ciborie met 1400 geconsacreerde Hosties overgebracht naar de Paters van Una Sancta aan de Mathenesserlaan te Rotterdam.'

Geen woord uit de mond van de redders van de 'Heilige Hosties', wat interessant is, omdat het slechts een halve eeuw later ondenkbaar zou zijn dat een verslaggever níet de direct betrokkenen sprekend opvoert. De rampverslaggevers gingen toen echter zo te werk. Ze blijven op afstand, zodat de ramp op hun gezag weliswaar voor de lezer, de kijker en de luisteraar best een ramp zal zijn, maar zonder dat je voelt wat de getroffen bevolking doormaakt.

Ze beschrijven de buitenkant van wat ze zien en horen. Ze registreren, sprekend, schrijvend of filmend, wat objectief waarneembaar is. De journalistieke criteria in hun berichtgeving lijken vooral van waterstaatkundige, bouwkundige, vervoerstechnische, meteorologische, financiële, logistieke en agrarische aard, en veel minder door humanitaire bekommernis ingegeven. Ook het uiteindelijke dodencijfer van 1835 wordt op die manier vooral een statistisch gegeven.

Als de verslaggevers al iemand citeren, is het een gezagsdrager, en het nieuws dat ze brengen, komt bij voorkeur uit officiële bron. Herman Besselaar was tijdens de ramp verslaggever van het Algemeen Handelsblad. Jaren later zei hij in een interview: '(...) zo'n burgemeester praatte honderduit. Die gaf je een sigaartje, lichtte je in. Wat wist een boertje nou van hulpmaatregelen of een evacuatie? Niets. Die boer vertelde je alleen maar hoeveel schapen hij verloren had zien gaan. En dat ik misschien niet zo kritisch was... kijk, ik verloor nooit uit het oog dat ik converseerde met de eerste burger, een vooraanstaand man, die op de hoogte was.'

Besselaar was er ook de man niet naar, en hij was bepaald niet de enige, om kritische vragen te stellen over het feit dat de dijken niet bestand waren gebleken tegen de stormvloed. 'Nee, echt gaan zitten graven naar dingen (...) daar voelde ik nooit zo voor. (...) Dat dééd je niet.' Journalist Kees Slager in zijn boek De ramp - een reconstructie, uit 1992, veertig jaar na de ramp: '(...) onder de bevolking was wel kritiek, maar die klonk niet door in de media.'

Sommige journalisten, aldus de toen 29-jarige Parool-verslaggever Friso Endt die destijds wekenlang in Zeeland verbleef, zijn nooit verder gekomen dan het comfortabele hotel De Draak in het droge Bergen op Zoom of een soortgelijk onderkomen. 'Die hebben nooit een stap in het water gezet.'

De journalistiek hield afstand. Soms letterlijk, als verslaggevers in een vliegtuig het rampgebied in ogenschouw namen. Soms figuurlijk, als ze spoedig na de stormvloed uitvoerig melding maken van de materiële schade, de van alle kanten toestromende hulpverlening, van het met kracht ter hand genomen dijkherstel en van de koningin die door het water waadde.

De dood had weliswaar 'wreed toegeslagen', de toestand kon 'ten hemel schreiend zijn', het menselijk leed onpeilbaar, maar dat leed werd niet tot leven gebracht, de doodsangst kreeg hooguit een gezicht, op de foto, maar zeker geen stem.

Premier Drees en minister Algera van Verkeer en Waterstaat verantwoordden zich op 10 februari voor hun beleid, en dat was volgens de Volkskrant 'een uitstekende verdediging'. De regering had zichzelf niets te verwijten, meende ze en de pers achtte het ongepast haar in die moeilijke tijden voor de voeten te lopen, zo ze die behoefte ooit al had gevoeld.

Het maakt allemaal dat uit de leggers van vijftig jaar geleden vooral tevredenheid opstijgt. Tevredenheid van de verslaggevers over de eigen retoriek, die met ieders instemming buiten zijn oevers kon treden, over de offerbereidheid van het volk en over de buitenlandse hulpverlening, die maakte dat het herstel van de schade spoedig ter hand kon worden genomen.

Tevredenheid over de autoriteiten ook, dus de schuldvraag wordt vermeden. Commentaar in de Provinciale Zeeuwse Courant na een statenvergadering zonder kritiek: 'Terecht. Waar zovelen in de dagen der rampspoed zichzelf wegcijferden en alles gaven voor anderen, zwijgt de critiek.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden