Wat was dat voor een Chinees?

VOOR IEMAND met landelijke politieke ambities was het in het midden van de vorige eeuw niet meteen een aanbeveling om als katholiek in Limburg de sociaal-democratische beginselen aan te hangen, of erger nog: lid te zijn van de Partij van de Arbeid....

Zijn naam, schrijft z'n biograaf Annemieke Klijn in haar voorwoord, 'komt niet voor in het rijtje ''grote mannen'' als Troelstra, Vliegen, Vorrink, Drees, Bainning of Den Uyl' - en het zou me ook verbazen als Sharon Dijksma in haar hoedanigheid van beoogd partijvoorzitter zou weten dat behalve Marijke van Hees, Karin Adelmund, Felix Rottenberg en Max van den Berg, ook hij tot haar grote voorgangers heeft behoord.

Tans werd het in 1965, toen de PvdA na de val van het kabinet-Marijnen weer even regeringsverantwoordelijkheid kreeg, en al haar kopstukken (Den Uyl, Vondeling, Egas, Vrolijk en Suurhoff) naar de ploeg van Cals afvaardigde. Waarschijnlijk had hij op Onderwijs gehoopt - hij had als woordvoerder van de fractie even loyale als constructieve bijdragen geleverd aan amendementen op de Mammoetwet - maar voor de KVP was een socialist op dat overgevoelige departement toen nog onbespreekbaar. De 'beloning' was het partijvoorzitterschap, dat de nieuw benoemde minister Suurhoff moest neerleggen.

Er was kort tevoren een beleidsachtig plan gepubliceerd onder de titel 'De Partij van Morgen'. Het satirische VARA-programma Zo is het toevallig ook nog's een keer grapte:

'De arbeiders zullen blij zijn dat 't nu weer gewoon de partij van Tans wordt. Maar ze moeten natuurlijk niet te vroeg juichen. Over een poosje is het weer de partij van Af-Tans.'

Daar zag het eerder naar uit dan Tans gevreesd kan hebben.

Nog geen week na de aanvaarding van zijn nieuwe functie (hij bleef er overigens Kamerlid bij) stond de foto van John de Rooy in De Telegraaf: de verliefde prinses Beatrix met een Duitse verloofde in het park van Drakensteyn. Sommige opgewondenheden - crisis in de Partij van de Arbeid, malheur rond het koningshuis - hebben in Nederland een repeterend karakter. Niet zelden vallen ze samen.

De zeer rode secretaris-penningmeester Eibert Meester liet onmiddellijk weten dat hij geen Duitser als prins-gemaal kon dulden, dus in de senaat zijn goedkeuring zou onthouden aan een toestemmingswet. Bestuurslid Jan Nagel, nog maar aan het begin van een levenslange stokebrandenloopbaan, mobiliseerde zijn achterban in het gewest Amsterdam. En de onhandige fractievoorzitter G.M. Nederhorst verstuurde naar 77 partijgenoten een 'vertrouwelijke' brief die dus de volgende dag was uitgelekt, en waarin hij voorspelde dat het onder de eigenzinnige kroonprinses snel gedaan zou zijn met de monarchie.

Arme Tans.

De rampspoed breidde zich snel uit: dramatische uitslagen bij de verkiezingen van provinciale staten en gemeenteraad, ledenverlies, ruzies op het partijbureau, toenemend ongenoegen in de achterban, slechte verhoudingen binnen en al gauw val van het kabinet, sociale onrust (Vietnam!) en de opkomst van Nieuw Links.

Dat de voorzitter onder die omstandigheden overeind bleef, en zijn partij niet roemloos uit elkaar viel, moet te danken zijn geweest aan karaktereigenschappen waarmee Tans misschien al van nature was toegerust, maar die hij zeker heeft leren ontwikkelen en aanscherpen in de periode dat hij als openlijk lid van de Katholieke Werkgemeenschap binnen de Partij van de Arbeid de paria werd van het naoorlogse roomse Limburg.

Met evenveel sympathie voor haar held als ingehouden verontwaardiging over zijn tegenstanders beschrijft Klijn de vernederingen, de pesterijen en de intimidaties die Tans zich in die jaren heeft moeten laten welgevallen van de kant van de bisschop, van lokale potentaten en van de totale bronsgroeneikenhouten pastoorspers, en die hem niet alleen in z'n maatschappelijk bestaan (als leraar) probeerden te treffen, maar ook regelrecht in z'n huiselijk leven bedreigden: pure repressie, die haar hoogtepunt vond in het malicieuze mandement van 1954. Nog eenmaal liet de verzuiling zich in haar paradoxale verschijningsvorm kennen: gewapende vrede binnen de rooms-rode coalitie aan de Haagse top, oorlog in het veld.

Tans viel niet van z'n geloof - niet van z'n religieuze, en helemaal niet van z'n politieke. Hij was een fanatieke doorbraaksocialist, diep overtuigd van de noodzaak en ook de mogelijkheid om de kerk buiten de staatkunde te houden, en alle geloven op één politiek kussen te verenigen. En dat vroeg om eenzelfde type bruggenbouwerstalent dat hem later, in z'n partijvoorzittersdagen, zo goed van pas zou komen om het radicalisme van de 'Bende van Tien' (over rood) zo'n beetje verzoend te houden met de opvattingen van 'rechtse' figuren als Vondeling, of met de kleine-stapjes-strategie van Den Uyl.

Op z'n laatste congres - vier NieuwLinksers in het partijbestuur gekozen, en André van der Louw in triomfdans - werd de vermaarde 'anti-KVP-resolutie' vlotjes aangenomen. Dat was vast niet alleen zijn verdienste, maar hij zal er misschien een overwinning van de doorbraakgedachte in gezien hebben, wat in zekere zin uiteraard onzin was. De Kerk had zich niet gewonnen gegeven, de Kerk was bezig leeg te lopen, en het hele concept van de doorbraak was door de maatschappelijke werkelijkheid achterhaald.

'Aan het eind van dit enerverende congres', schrijft Klijn, 'richtte Vondeling enkele vriendelijke woorden tot Tans, die bij wijze van dank een platenspeler als afscheidscadeautje kreeg.'

Mooi zinnetje, dat de kameradenkilte ijselijk in beeld brengt.

In haar boek heeft ze nog een ander aspect aan Tans' leven belicht: z'n Limburgsheid. Uiterlijk had de bleke, magere en kuchende man weinig van het 'Bourgondische' dat men zich gewoonlijk bij Maastricht voorstelt - hij had niet eens een zachte g. Maar hij was in Den Haag natuurlijk wel degelijk van de provincie - en juist in deze provincie, met z'n generaliteitslandencomplex, werd het 'westen' grondig gewantrouwd. In het achtergebleven roomse mijnwerkersland had zich een regionaal chauvinisme ontwikkeld waarin de dissidente Tans niet alleen als een afvallige, maar bijna als een (land)verrader werd gezien, heulend met de Randstad vanwaar zo nu en dan on-Limburgse, of zeg maar gerust Hollandse kopstukken als Drees en Vorrink op bezoek kwamen als om Limburg met hun verderfelijke ideeën te besmetten.

De afstand tussen noord en zuid heeft ook van de andere kant lang geduurd. 'Sjeng Tans, wat is dat voor een Chinees?', stond boven een artikeltje in de PvdA-krant Opinie waarin de nieuwe partijvoorzitter werd geïntroduceerd, en waarin Tans geduldig uitlegde dat een Jan in het Limburgs Sjeng werd genoemd - 'en als je Limburger bent en wilt blijven, heet je ook in Den Haag of Amsterdam Sjeng en niet Jan'.

Het is Tans, na z'n Haagse periode, gegund om nog een hoofdrol te spelen in de late maar beslissende emancipatie van z'n geboortegewest: de installatie, in 1976, van de Rijksuniversiteit Limburg waarvan hij de eerste bestuursvoorzitter werd. Bij de opening, in aanwezigheid van koningin Juliana, sprak monseigneur Gijsen namens de Kerk een zegenend woord. Klijn citeert een overlevende die had gezien dat Tans tijdens de toespraak de tekst van de bisschop op z'n knie had, 'om te kijken of hij soms puntkomma's of punten anders maakte dan hij op papier had gezet'.

Een gepast slot aan een even degelijke als simpele biografie.

Annemieke Klijn: Onze man uit Maastricht - Sjeng Tans, 1912-1993.

SUN; 352 pagina's; fl 49,50.

ISBN 90 5875 131 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden