Wat van het kind wij willen

Zijn kinderen slimmer of dommer dan vroeger? Is deze schoolvorm beter dan die? Zeg liever welke samenleving je wilt. Door Mirjam Schöttelndreier..

U en de crècheleidster, de voetbaltrainer, de minister, de pedagoog en ik, allemaal willen we dat het goed gaat met – onze – kinderen. Maar wat is goed? Opvoeden lijkt een dwaaltocht, hotsend en botsend in een jungle van meningen.

Neem nichtje Bobby van 3. Ze kan al heel goed plaatjes slepen op de computer en snapt dat als ze op het kruisje in de hoek van het scherm drukt, het dichtgaat. Haar even oude nichtje Julia bedient de dvd-speler met gemak en heeft de vocabulaire van een 8-jarige. Wie kent geen peuters die veel meer kunnen dan hun leeftijdgenootjes van vijftig jaar geleden?

Maar het is ook zo, dat veel kinderen op een crèche of basisschool zo beroerd Nederlands leren spreken, dat hun ouders ervan schrikken. Er zijn juffen die ‘hun gaan naar het bos’ zeggen, of nog erger.

Noem de handige kindjes ‘vooruitgang’, de juffen die hun taal niet beheersen ‘achteruitgang’.

Voorbeeld: als ouder kijk je naar je kind, dat zo dromerig lijkt, zo in zichzelf opgesloten, maar dat ook driftig en huilerig kan zijn. Je hebt iets gelezen en denkt: dát is het, hij is hoogsensitief. Als hij maar niet naar een grote vmbo-school hoeft. Dat assertieve gedrag van kinderen uit minder beschaafde milieus, dat kan hij niet aan. Je hart klopt mee met dat van je kind en je denkt: Iederwijs, zonder vast leerprogramma, dát is de school die mijn kind in zijn waarde laat; geen grote groepen, geen prestatiedruk van deze opgefokte maatschappij.

Ander voorbeeld: nadat je dochter op het vwo een half jaar geen wiskunde had gehad, bij gymnastiek geen gym kreeg maar een expressieopdracht en bij Nederlands een leesdossier moest maken, dacht je: zijn ze gek geworden, geen inhoud, orde en regelmaat? En je besloot lid te worden van Beter Onderwijs Nederland (BON), want wat was er mis met dat onderwijs van vroeger, toen je werkwoorden leerde vervoegen en rijtjes Duitse woorden nog in je dromen kon opzeggen?

Zegt u maar, welke van deze twee ouders heeft níet het beste met zijn kind voor?

Een stel gaat bij Ikea een bank uitzoeken, de twee kleintjes mogen naar de ballenbak. Kinderen in het fleurige speelwalhalla, ouders de rust om een goede keuze te maken. ‘Leuk’, zegt de één. Een win-winsituatie voor het gezin. ‘Lui’, noemt de ander dat: in plaats van in het bos samen uitvinden hoe je ook alweer in een boom klimt, droppen ouders hun nageslacht liever in een omgeving die van elk normaal kind een ADHD-lookalike maakt, onder de hoede van een ander. Hoeven ze geen standjes uit te delen onder het shoppen. Het gezinsleven, opgeofferd aan de commercie.

Wie heeft gelijk, vindt u?

En dan heb je nog pedagogen, specialisten die ervoor hebben doorgeleerd. De ene pedagoog zegt dat er een kindvijandige cultuur groeit, wijzend op het recent verschenen Anti-kind boek van Camiel de Vries en Hanna de Heus. In steden wordt al jaren elke groenstrook opgeofferd aan projectontwikkelaars. De speeltuin kromp ineen tot wipkip. ‘Kinderen zijn niet meer van ons allen, voor wie we in de jaren zeventig hele woonerven aanlegden, maar van jou alleen’, zegt deze pedagoog. ‘En de overheid kijkt wantrouwend achter je voordeur of je het wel kunt, opvoeden’.

Dan de andere pedagoog, die komt juist overal zulke aardige, betrokken onderwijzers, politieagenten en jongerenwerkers tegen. Niks kindvijandigheid. Wel ziet hij ideologen ruziën over het onderwijs, in louter karikaturen. En politici, de Dijsselbloemen en Verdonken, die een harde aanpak willen voor de jeugd. ‘Maar ga ik naar Almere, voor een praatje over democratisch opvoeden, dan zitten er 600 enthousiaste leraren in de zaal. Van gitzwart Nederland uit de commentaren is niets te bekennen’.

De ene pedagoog heet Bas Levering, de andere Micha de Winter – ze kennen elkaar goed.

Er is nog een derde pedagoog, Willem Koops. Het drietal ziet en spreekt elkaar geregld in academisch Utrecht. Ontwikkelingspsycholoog Koops houdt volgende week zijn oratie als hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Hij wil een bruggetje slaan, over al die pedagogische verwarring heen. Hij is niet geïnteresseerd in de vraag of de ballenbak voor slimme of luie ouders is, of dit speeltje of dat kunstje nou wel of niet geschikt is voor ‘het’ kind. Hij wil vooral dat we inzien dat wij, de maatschappij, bepalen wat het kind is.

Kinderen in de Middeleeuwen leerden alles op straat, uit hun directe omgeving, zij waren kleine volwassenen – ‘in zakformaat’. Toen de boekdrukkunst kennis verstopte achter letters, moesten kinderen die kennis leren ontcijferen. En daarvoor naar school. Ze werden apart gezet van de grote mensenwereld. Ze werden klein. En kleingehouden.

Maar nu elk kind online kan ontdekken wat het wil, zonder dat moeder het ziet, nu lijkt het weer wat op dat Middeleeuwse kind: een jonge volwassene. Het kent de relatieproblemen van zijn ouders, weet dat de zeespiegel stijgt, en stelt al zijn vragen aan Google. Daarom vindt Koops moeten we pedagogisch opnieuw beginnen. Niet steeds zoeken wat een kind theoretisch is of zou moeten zijn, maar kijken hoe het in de praktijk is. Want: ‘Je ziet dat het kind steeds met zijn cultureel-maatschappelijke situatie mee verandert.’

Te lang is het kind gezien als aparte categorie dat via vaste ontwikkelingsstadia op een hoger plan kwam: van de volwassene. Koops: ‘Hersenonderzoek leert dat het kind ongebreidelde ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Dat vaste ontwikkelingspatroon is achterhaald.’

Blijft er dan niets over van het kind, en van de pedagogiek? Jawel. Al kan een kind in potentie alles en heeft het toegang tot meer informatie dan ooit, begeleiding en leren blijft van het grootste belang. Levering zal ook blijven pleiten voor ruimte voor het kind. ‘Want kinderen zijn wél leuk, mits ouders ze een standje geven waar nodig.’ De Winter bekleedt in Utrecht de Langeveldleerstoel voor maatschappelijke opvoedvraagstukken. Hij deelt met Koops de opvatting dat het beter is te bepalen wat wij, de maatschappij, met onze kinderen willen. Want opvoeden is bij uitstek: normatief. De Winter: ‘Of ik bij een Iederwijsschool op bezoek ben of bij de BON, iedereen is met allerlei onderwijsvormen in de weer, maar: waartoe, waarheen? Daarover hoor ik niemand.’

De Utrechtse pedagogen hebben wel een doel voor ogen: een democratische samenleving, waarin burgers via goed onderwijs - ook op de basisschool zouden een paar academisch geschoolde leraren moeten rondlopen - rationeel hebben leren denken. Dus moet het onderwijs het kritisch denken activeren, kinderen leren argumenteren, naar elkaar leren luisteren, en leren tot consensus te komen.

‘Er zijn in alle tijden populisten die zeggen: luistert u maar naar mij, schakel de politiek uit en de democratie, vertrouw op mij en ik los alles op’, zegt De Winter. ‘Het laagje beschaving is altijd heel dun, dus een democratie moet je onderhouden en steeds weer aanleren, want anders verlies je haar.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden