Wat Thomas Erdbrink zo mooi vindt aan journalistiek

Volkskrant-journalist Thomas Erdbrink woont in Teheran. Hij bericht op deze plek meestal over het dagelijks leven in zijn land.

Bij een Iraans stembureau kwam ik Ali Koochooloo tegen. 'Kleine Ali' wordt hij genoemd. Beeld .

Toen ik 16 was had ik lang haar, geen doel in het leven en ik deed nooit mijn huiswerk. In plaats daarvan las ik de krant. Niet dat daar veel in stond, het waren de jaren negentig. Het grootste deel van de wereld was een soort vredig Hobbitland. Iedereen speelde met de gameboy of de Tamagotchi, de Muur viel en president Clinton 'did not have sexual relations with that woman', Monica Lewinsky. Dat was het wel.

Op school haalde ik het liefst een 5,5, want dat was net voldoende. In een wijde skatebroek stapte ik door het leven, op weg naar nergens. De krant lezen was een excuus om niets aan school te hoeven doen. Het nieuws is belangrijker dan de stelling van Pythagoras, vond ik.

Sommige mensen worden in één klap volwassen. Dat gebeurde mij toen ik na twee keer blijven zitten keihard van school werd gestuurd. Geen enkele middelbare school in Leiden wilde een tweede kans geven aan zo'n lastig verhaal. Uiteindelijk zei iemand bij het Haags Montessori Lyceum dat ik mocht komen als ik een verplichte beroepskeuzetest zou doen.

Daar zat ik, onderuitgezakt in een stoel. Voor me een mevrouw achter een bureau. Groene plant in de hoek. Wat ik zoal de hele dag deed, vroeg ze. Ik legde uit dat ik na school eerst met de hond ging spelen en daarna wachtte tot het geluid van de brievenbus klonk en ik de krant kon lezen. Als die uit was, ging ik skateboarden, waar ik, net als in school, helemaal niet goed in was.

Die mevrouw zal het wel vergeten zijn, maar wat ze vervolgens zei, heeft mijn leven veranderd: 'Jij moet journalist worden.' Vanaf dat moment haalde ik alleen maar tienen, ik werd direct ingeloot op de School voor Journalistiek en ik begon bij de krant die ik altijd als eerste las in mijn morose puberteit: het Leidsch Dagblad.

Het mooie van journalist zijn is dat je alles kan vragen en niemand vraagt waarom je dat alles wil weten. Natuurlijk bestaat de waarheid niet. Op zijn best kan ik een dwarsdoorsnede van de werkelijkheid laten zien, denk ik altijd zelf. Na de Nieuwe Revu, de Telegraaf, NRC Handelsblad, The Washington Post en de NOS werk ik tegenwoordig voor The New York Times, als de enige westerse correspondent voor een Amerikaanse krant in Iran. En voor het Volkskrant Magazine, natuurlijk.

Dat mensen het niet altijd eens zijn met wat je schrijft, daar valt in mijn positie niet aan te ontkomen. Journalistiek in een land als Iran is een mijnenveld. Wat je ook zegt of schrijft, er is altijd wel iemand ontevreden. De Iraanse regering, de Amerikaanse regering, iemand van de oppositie, westerse activisten, een satellietkanaal, twitteraars. Er gaat geen dag voorbij of ik ben tegelijkertijd een spion van de CIA, een handlanger van de geestelijken, een Israëlische infiltrant, een vertegenwoordiger van het globalisme en een domme rukker die nergens wat van begrijpt en dood moet. (Soms zijn er ook complimentjes.)

Onlangs waren er verkiezingen in Iran. Dat is altijd een gevaarlijke tijd. Op televisie maken de voorgeselecteerde presidentskandidaten in debatten elkaar uit voor dieven en fraudeurs. Maar als je dat opschrijft, roepen hun aanhangers dat je het verzonnen hebt. Immers, hun kandidaat is de beste. 'Vergunning Amerikaanse spion Erdbrink moet worden ingetrokken', roepen ze op sociale media. Tegelijkertijd zijn er Iraniërs in het buitenland die zijn gevlucht voor hun leiders en die de verkiezingen één grote nepshow vinden. 'Erdbrink marionet van de regering!', zeggen ze op hun satellietzenders. Aanhangers van president Trump twitteren alleen maar dat Amerika weer groot moet worden en dat Iran de vijand is. 'Erdbrink landverrader!', twitteren die, want ze gaan ervan uit dat ik een Amerikaan ben.

Dan gaat uiteindelijk 73 procent van de stemgerechtigden in lange rijen naar de stembus. Zwijgende mensen die ook hun mening willen geven. De zittende president Rouhani wint. Schrijf je dat op, dan worden alle tegenstanders weer boos, roepen 'fake news'. De regering is ook boos, want: 'Waarom twitter je foto's van lege stembureaus?' (Zo leeg waren ze niet.) 'Onze verkiezingen zijn glorieus!'

Of het nu over de zwartepietendiscussie gaat, over de islam, het Nederlands elftal of Iran, journalisten zitten vaak samen met de meeste extreme meningenverkondigers vast in dezelfde achtbaan. Boze mensen zeggen wat, wij schrijven het op. Dan worden er weer andere mensen boos, waardoor de boze mensen die als eerste boos waren, nog bozer worden.

De meeste mensen echter volgen zwijgend het nieuws. Ze willen objectieve informatie om zo hun eigen mening te kunnen vormen, zonder te schreeuwen, zonder boos te worden.

Zelf hou ik mijn mening voor me. Bij een Iraans stembureau kwam ik Ali Koochooloo tegen, 'kleine Ali' wordt hij genoemd, een voormalig worstelaar. Hij was ook boos, want president Rouhani had er een potje van gemaakt. 'Voor wie ben jij?', bromde hij. 'Voor niemand', piepte ik. 'Zo hoort het', zei kleine Ali. 'Dat is journalistiek.'

Twitter: @thomaserdbrink

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden