Wat ons bindt

De ingrepen in de verzorgingsstaat zijn niet alleen een kwestie van geld. Minder dan voorheen zijn burgers bereid voor elkaar te betalen....

'Er zijn', sprak Hare Majesteit de Koningin medio 'vorige maand, toen zij in de Ridderzaal de Troonrede zat voor te lezen, 'ook grote zorgen om de cohesie in onze samenleving.' Het waren niet haar woorden, al zal zij met de teneur ervan stellig hebben kunnen instemmen: alleen al de zorg om de cohesie in haar eigen gezin en, iets verder weg, haar familie, moeten haar het afgelopen halfjaar danig parten hebben gespeeld. De zorg van aanzienlijk bredere strekking, de zorg om de cohesie van maar liefst onze hele samenleving, is er in de eerste plaats een van onze regering.

Troonredes worden geschreven om bezorgd te klinken. Zelfs in tijden van grote welvaart, vrede en vrolijkheid, dienen er een paar tobberige waarschuwingen in een troonrede te staan. Ook als het alle dagen feest is, behoort de regering op Prinsjesdag te waarschuwen voor de kans op een kater. Dat is haar taak. Op zichzelf hoeven we ons daar niet veel van aan te trekken. Slechts over een regering die zich geen zorgen maakt, zou een burger zich op zijn beurt zorgen dienen te maken.

Toch behelst de ongeruste toon in deze troonrede beduidend meer dan een ritueel moralisme. De regering richt zich, als het om die tanende cohesie in de samenleving gaat, specifiek op de integratie-problematiek. 'De waarden van verschillende bevolkingsgroepen', liet zij de vorstin zeggen, 'blijken soms ver uit elkaar te liggen en de integratie verloopt niet voorspoedig.' Dat thema komt nog een paar keer terug in het stuk en het wordt verbonden met enkele andere huiveringwekkend grote sociale en sociaal-economische kwesties.

Maar daar blijft het niet bij. De regering constateert niet alleen een probleem, ze doet zelfs een voorstel voor een remedie. Er moet, zegt ze, 'een cultuuromslag' tot stand worden gebracht in de samenleving, een cultuuromslag die een 'andere verhouding tussen bestuur en burger' bewerkstelligt. Die suggestie getuigt van een ontzagwekkende ambitie, want dat moet zo ongeveer het moeilijkste zijn dat een regering kan hopen te bereiken. Cultuur is immers alles: gedrag, mentaliteit, omgangsvormen, onderlinge verhoudingen, solidariteit en de balans van plichten en rechten.

Men zou graag iets meer hebben gehoord over de gronden voor de noodzaak voor die cultuuromslag, alsook over de wijze waarop de regering zich voorstelt die te gaan verwezenlijken. Want, inderdaad, om die cultuur, het geheel van mentaliteit, omgangsvormen tot en met die balans van plichten en rechten, gaat het vermoedelijk in de gemeenschappelijke achtergrond van de aangestipte problemen. Zo moedig als de regering is in het benoemen van de kern van de problematiek waarvoor zij zich geplaatst ziet, zo terughoudend is ze in de uitwerking van zowel de diagnose als de voorgestelde therapie. De culturele dimensie van de bezorgdheid wordt algauw weer overspoeld door de economische, en dan wordt de denker snel een boekhouder.

In die economische analyse is het vooral de ondragelijke last van de verzorgingsstaat die het moet ontgelden. De samenleving, zoals die zich de afgelopen tientallen jaren heeft ontwikkeld, heeft voorzieningen voor haar burgers gecreëerd, die door diezelfde burgers niet meer te betalen zijn. Voorshands is de oplossing die voorzieningen dan maar te beperken of terug te draaien, maar dat is slechts een schijnoplossing.

De hele troonrede ademt namelijk de overtuiging, dat dat terugdraaien op zichzelf onvoldoende is. Het schrappen van voorzieningen maakt dat allerlei urgente vragen en verzoeken om steun onbeantwoord blijven. Maar die vragen en verzoeken komen, dat heeft de regering scherp in de gaten, voort uit verwachtingen, uit gegroeide opvattingen over wat de burger van de staat verlangt en mag verlangen. De verhouding tussen burger en bestuur, daar gaat het om, en tot op grote hoogte is 'het bestuur' in die formulering een intermediair tussen de burgers onderling. Die gespannen onderlinge verhouding hadden we bovendien al gezien in de zinsnede over de bedreigde sociale cohesie, waar het ging om de uiteenlopende waarden.

In feite worden er twee kwesties afzonderlijk aan de orde gesteld, de integratieproblematiek en de onmogelijkheid de verzorgingsstaat te handhaven, die welbeschouwd veel met elkaar te maken hebben. Want niet alleen zijn het die verschillende waardensystemen die de cohesie van de samenleving van de ene kant bedreigen, het zijn de kosten van de verzorgingsstaat die haar van de andere kant afmatten. Een samenleving waarin consensus bestaat over de omvang van de verplichtingen die de burgers jegens elkaar hebben en de rechten op ondersteuning waarop zij aanspraak mogen maken, zou immers de kosten van die verplichtingen wel op zich nemen.

De onbetaalbaarheid van allerlei sociale maatregelen is geen absoluut gegeven, maar een relatief: wij vinden dat die te hoog zijn, wij vinden, met andere woorden, dat de zogeheten sterkeren, dat zijn de maatschappelijk en economisch actieven, te veel moeten dokken voor de niet-actieven. Het einde van de klassieke verzorgingsstaat begint in de samenleving en niet in de staatskas, en ze duidt op zichzelf al op de cultuuromslag waarvan de regering rept. Het is een kwestie van mentaliteit, van een veranderende opvatting van een juiste verhouding tussen rechten en plichten, een evoluerend idee over solidariteit versus eigen verantwoordelijkheid.

Daar is met gemak een economische analyse op los te laten. De verhouding tussen actieven en niet-actieven, dat wil zeggen: de verhouding tussen degenen die werken en die middels de zogeheten herverdeling van welvaart de niet-werkenden onderhouden, is in Nederland rijkelijk bizar. Dat er op acht miljoen potentiële werkenden, een miljoen mensen ziek thuis zit, zou hilarisch zijn, als het niet zo krankzinnig was. Al jarenlang werd geprobeerd daar verandering in aan te brengen, totnogtoe zonder veel succes.

Ondertussen zagen te veel werkenden te veel voorbeelden van de bizarre gronden die hun vroegere collega's de WAO in hebben geholpen, tot en met de door menige werkgever toegepaste vorm van verzacht ontslag toe. Wie de WAO-grond 'situationeel arbeidsongeschikt' even op zich in laat werken, raakt doordrongen van de ontwrichtende wereldvreemdheid van de voorziening. Goede bedoelingen hollen dan de solidariteit uit en verkeren mettertijd in hun tegendeel.

Voor de maatregelen genomen uit hoofde van de Algemene Bijstandswet geldt iets dergelijks. In deze krant hebben nog niet zo lang geleden berichten gestaan over dames die zo graag hun eigen kinderen van uur tot uur zagen opgroeien en die op dat verlangen het recht baseerden een inkomen, hoe gering ook, uit de algemene middelen op te strijken. Ook dat verlangen vertoont sterk surrealistische trekken -en ook daar is de solidariteit vermoedelijk zo ver opgerekt dat ze sleets wordt.

Hoe hard de Socialistische Partij en de vakbonden ook roepen dat het een schandaal is dat de regering die woekerende voorzieningen danig wil gaan snoeien, er is niet alleen politiek maar ook maatschappelijk sprake van een verandering in de verdraagzaamheid jegens dergelijke voorzieningen en de opvattingen die er aan ten grondslag liggen. Dat is niet louter een budgettaire zaak, maar vooral een culturele: al die weeë linkse sprookjes hebben hun tijd gehad. Een steeds grotere groep burgers is, op grond van ervaring, eigen waarneming en veranderende omstandigheden, de overtuiging toegedaan dat er wel een wat pittigere vorm van verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid verlangd kan worden.

Het gaat, kortom, niet alleen maar om de ondragelijke hoogte van de lasten die het huidige stelsel met zich meebrengt, maar ook en misschien zelfs vooral om het onverdragelijke van die belasting. In wezen is immers de facilitering van inactiviteit een mensonterende maatregel. Wie aanvaardt dat een op de acht werknemers duurzaam ziek thuis zit, zegt iets gruwelijks over onze samenleving. Schijnbare zorgzaamheid wordt dan uitsluiting.

Daarom is de reeks ingrijpende wijzigingen in de verzorgingsstaat die de regering voorstaat niet alleen een kwestie van staatshuishoudkunde, maar ook een van cultuur. Terecht wijst de regering op de nare economische gevolgen op korte termijn van haar plannen, maar vraagt ze tegelijkertijd aandacht voor het resultaat daarvan op lange termijn. Die zouden immers een verbetering kunnen zijn. Op de dag dat de troonrede werd uitgesproken, publiceerde de econoom Arnold Heertje een stuk waarin hij er met veel smaak op wees dat de noodzakelijke veranderingen niet zozeer de kwantitatieve economie betreffen, als wel de kwalitatieve. En dat laatste kun je gerust de cultuur noemen.

'Bij voorbaat staat niet vast dat de centrale overheid de bron voor financiële ondersteuning moet zijn', schreef Heertje. Hij wees op de al veel langere aanwezigheid onder de oppervlakte van de verschijnselen die nu aan de orde worden gesteld. Het gaat daarbij, naar zijn oordeel, om verschijnselen die met de kwaliteit van het bestaan te maken hebben. De tot voor kort 'breedgedragen blindheid' daarvoor gaat terug op een kwantitatief reductionisme, de kortzichtigheid die alle verschijnselen in de sociale werkelijkheid in economische termen wil benaderen.

Dat is een analyse die harmonieert met wat het kabinet signaleert. Heertje verbond er echter de therapeutische gevolgtrekking aan dat 'Nederland een zweepslag nodig heeft'. Behalve onsmakelijk is dat ook moralistisch en verzaakt het een laag dieper te boren. Want zowel in de feitelijke veranderingen in de cultuur, als in de bevordering van een algehele cultuuromslag die de regering bepleit, zitten tegelijkertijd lelijke gevaren en interessante opdrachten. Het is zaak die gevaren onder ogen te zien en die opdrachten uit te werken.

Daarbij gaat het inderdaad om de verhouding tussen burger en overheid en die tussen de burgers onderling, om een nieuwe inhoud van het begrip burgerschap. Die dringt zich niet alleen op in de kwestie van de sociale verplichtingen die de verzorgingsstaat eist, maar ook in de integratieproblematiek. Waar de regering de sociale cohesie belaagd ziet in de falende integratie, speelt de opvatting van burgerschap een cruciale

rol.

De filosoof Herman Philipse, kennelijk door bijzondere omstandigheden uit zijn Heideggeriaanse sluimer gewekt, signaleerde onlangs een dreigende tribalisering van Nederland: de samenleving valt in stammen uiteen. Dat wordt zijns inziens teweeg gebracht door de komst van 'niet-westerse allochtonen', zeg maar zwarten en mohammedanen, naar Nederland. 'Mensen kunnen niet samenleven zonder onderling vertrouwen', stelde Philipse, en aan dat vertrouwen schort het. Die tribalisering is een culturele aangelegenheid, met verregaande sociale en sociaal-economische gevolgen.

Die tribalisering door de multiculturaliteit heeft echter eenzelfde effect als de individualisering onder autochtone Nederlanders, namelijk afname van de sociale cohesie. Wat de regering separaat behandelt, integratieproblematiek en verzorgingsstaat, heeft in werkelijkheid eenzelfde effect.

Er is wel voorgesteld die individualisering onder ogen te zien en haar te honoreren door collectieve voorzieningen te vervangen door individuele, bijvoorbeeld door spaarpotjes de plaats te laten innemen van volksverzekeringen. Het gevaar is groot dat, zoals eerder gebeurd is met de veelgeprezen tolerantie die in onverschilligheid ging verkeren, het individualisme op die manier van staatswege erkend en aangemoedigd egoïsme wordt. In het individualiseren van vitale sociale voorzieningen schuilt een veel te minimale opvatting van burgerschap.

Onderlinge betrokkenheid en daaruit voortvloeiende zorgzaamheid, een precaire balans tussen plichten en rechten, behoren tot een grondtrek van de Nederlandse cultuur. Al in de late middeleeuwen werden er in de steden, waar de uitgebreide familie de zorg voor zwakkere leden niet langer op zich kon nemen, begijnhoven en weeshuizen gesticht. Een zekere vorm van solidariteit is in de Nederlandse geschiedenis een gegeven, hoe aanvechtbaar de mate van en de voorwaarden voor die solidariteit ook geweest zijn. De Nederlandse samenleving is vanouds een egalitaire samenleving, die traditioneel even weerspannig reageerde op excessieve rijkdom als op excessieve armoede. Daar zitten lange tijd sterke trekken van een plichtencultuur in, niet in de laatste plaats onder invloed van het calvinisme. Pas de vrolijke chaos in het denken van de generatie van ' 68 heeft die plichtencultuur getracht te vervangen door een rechtencultuur.

In het enthousiasme waarmee de afgelopen decennia begrippen als Nederlandse cultuur en nationale identiteit belachelijk gemaakt zijn en degenen die zich daarin wilden verdiepen verdacht werden gemaakt, is dat historische soldariteitsbegrip, hoe onbeholpen dat ook geweest moge zijn, lelijk geërodeerd. Wie verzuimt zich op zijn eigen geschiedenis te oriënteren en zich daardoor te laten inspireren, verspeelt de cohesie waar het kabinet nu om verlegen zit. Het is de politieke en intellectuele elite van Nederland geweest, die in de roes van post-modernisme en neo-liberalisme de waarde van die krachten hebben verwaarloosd. Terwijl de maatschappelijke cohesie door interne (ontzuiling en individualisering) en externe (immigratie) krachten onder druk kwam te staan, en er dus meer aandacht voor nodig geweest zou zijn, werd het bijzondere van een eeuwenlange ervaring verdonkeremaand. Wie niet in gesprek blijft met de vorigen, is na verloop van tijd ook niet meer in staat met de anderen te spreken.

Als de regering op zoek gaat naar een cultuuromslag, dan zou die in de eerste plaats gevonden moeten worden in een inhoudelijke herijking van het begrip burgerschap. Die herijking begint bij een oriëntatie op de Nederlandse geschiedenis. De hoogleraar grote stadsproblematiek Paul Scheffer, heeft in zijn analyse van de multiculturele problematiek terecht keer op keer bepleit de verhouding tot onze geschiedenis serieus te nemen.

Met de veranderingen van de verhouding tussen overheid en burger, staat ook de verhouding tussen de burgers onderling ter discussie. Over de uiterste vormen daarvan, dat wil zeggen, over de solidariteit bij schrijnende gevallen van pech en tegenslag, is nog altijd consensus. Plaatst deze krant op Prinsjesdag demagogisch een foto op de voorpagina van een stakker in een rolstoel die een karige uitkering geniet, dan is er vermoedelijk geen mens die vindt dat die man zichzelf maar moet redden. De wederkerigheid heeft veel te diepe wortels in onze geschiedenis om zomaar te sneuvelen. Het helpt die wortels te onderkennen en er een nieuwe motivering in te vinden, om zo een nieuw elan aan de sociale cohesie te geven.

De immigratieproblematiek is een zaak van concurrerende waardensystemen. Die zijn veel te lang tegemoet getreden met het cultuurrelativisme. Dat heeft haar tijd gehad: het gaat er nu om dat te erkennen. De discussie over de falende integratie van allochtone Nederlanders heeft inmiddels ruwe vormen aangenomen, zonder dat duidelijk is gemaakt wat daar tegenover kan worden gesteld. Tijdens de verhoren van de parlementaire commissie inzake het integratiebeleid was het alweer Paul Scheffer die erop wees dat de nieuwkomers lange tijd met lege handen, met een alles weg relativerende opvatting over de samenleving waarin zij terechtkwamen, tegemoet zijn getreden. Het ontkennen van de bijzondere karakteristieken van de Nederlandse samenleving en cultuur, het ironiseren en vervolgens negeren van de historische dimensie daarvan, is geen aanmoediging tot integratie.

De erosie van de krachten die een groep mensen tot een samenleving maken, de uitholling van een consensus over de balans van rechten en plichten die al optreedt bij duurzame verwaarlozing, kan slechts beantwoord worden met een nieuwe en inhoudelijke invulling van het begrip burgerschap. De oorsprong van de Nederlandse natie ligt in de opkomst van de stedelijke burgerij, aan het eind van de Middeleeuwen. Die geschiedenis heeft verworvenheden. Het erkennen daarvan hoeft geenszins tot akelig patriottisme of instrumenteel nationalisme te leiden, want dat die geschiedenis ook zwarte bladzijden kent is genoegzaam bekend. Maar wie een cultuuromslag wil bereiken, zal zijn cultuur wel moeten kennen – en ten minste moeten erkennen dat die bestaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden