REPORTAGESrebrenica, 25 jaar later

Wat nog rest van de genocide in Srebrenica vervaagt

In Tuzla worden de resten bewaard van nog niet geïdentificeerde slachtoffers.Beeld Martino Lombezzi

25 jaar na de val van Srebrenica worden nog steeds menselijke resten gevonden. Iedere dag raken gerechtigheid en gemoedsrust voor de nabestaanden verder uit zicht.

Iedere dag rent Dragana Vucetic 12 kilometer door de stoffige straten van Tuzla. Zo probeert ze haar hoofd leeg te maken. Sommige mensen zeggen dat ze naar een psycholoog zou moeten vanwege de vreselijke nachtmerries die ze heeft. Deze week nog: drie nachten op rij schrok ze wakker, badend in het zweet. Over dode lichamen droomt ze, menselijke overblijfselen die verspreid liggen door het bos. Maar Vucetic wil niet naar een psycholoog, ze houdt niet van ­praten. Ze wil rennen.

Al zestien jaar is Dragana Vucetic (40) als forensisch antropoloog betrokken bij de identificatie van de slachtoffers van de genocide in Srebrenica. Nu ze erop terugkijkt, was de eerste fase makkelijk: de massagraven werden ontdekt door onderzoekers van het Joegoslavië-Tribunaal, of aangewezen door verdachten. Ze kon wel tien lichamen per dag ­onderzoeken, ook al was ze pas net  gepromoveerd, zonder enige ervaring.

De laatste jaren is het moeilijker ­geworden: niemand weet waar ze nog moeten zoeken, de meeste massagraven zijn geruimd en in het bos lijkt alles op elkaar. ‘Ook zijn daders of getuigen bang om plekken aan te wijzen waar mogelijk nog slachtoffers liggen’, zegt ze. ‘Ze willen niet in hun eigen gemeenschap als verrader te boek staan. Soms krijgen we een tip van iemand die op sterven ligt, dan speelt het geweten op.’

En áls zij en haar team al iets vinden, zijn dat meestal alleen een paar botten in het bos of aan de oever van een rivier, zonder enige context of hint van wie ze zouden kunnen zijn. De weersomstandigheden eisen hun tol en dieren zijn met de menselijke overblijfselen aan de haal gegaan.

Forensisch antropoloog Dragana Vucetic.Beeld Martino Lombezzi

Toch probeert Vucetic met dna-onderzoek connecties te leggen met de duizenden beenderen die de afgelopen decennia zijn bijeengebracht in de loods van het Podrinje Identifikacijski Projekat, een van de belangrijkste identificatieprojecten van Bosnië en Herzegovina. ­Iedere match betekent dat ze nabestaanden kan inlichten: we hebben jullie dierbare gevonden. Deze mensen zoeken al 25 jaar naar hun vader, zoon of broer.

Het inlichten laat ze aan iemand anders over, want Vucetic is Serviër, ze komt oorspronkelijk uit Sabac, een uur rijden vanaf de grens. Als nabestaanden zouden weten dat iemand van dezelfde etniciteit als ‘de vijand’ het onderzoek heeft uitgevoerd, zouden ze op tilt kunnen slaan. De wonden van de oorlog zijn nog lang niet geheeld.

‘Aan mijn accent kun je direct horen dat ik niet uit Bosnië kom’, zegt Vucetic, die in dienst is van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen. ‘Ik blijf liever op de achtergrond, ook uit respect voor de slachtoffers.’ Voor haarzelf speelt etniciteit helemaal geen rol. ‘Ik wil onopgeloste zaken oplossen. Dat is mijn enige drijfveer.’

In Sarajevo, de hoofdstad van Bosnië en Herzegovina, zijn de littekens van het uiteenvallen van Joegoslavië nog altijd zichtbaar. Hoewel sommige flatgebouwen inmiddels opnieuw zijn gestuukt, zitten andere nog altijd vol kogelgaten van de belegering die de stad bijna vier jaar lang in haar greep hield. Mortier­inslagen in het asfalt zijn rood geverfd, opdat de inwoners en bezoekers van de historische stad de recente geschiedenis niet zullen vergeten.

25 jaar na Srebrenica

De genocide van achtduizend mannen en jongens in de Bosnische enclave Srebrenica, zaterdag 11 juli 25 jaar geleden, markeert het tragische dieptepunt van de Joegoslavië-oorlog. Gedurende de gehele oorlog sloegen zo’n 1,3 miljoen mensen op de vlucht naar het buitenland. Lees hier al onze verhalen over de lange nasleep van Srebrenica.

De tijd tikt door

In het westen van de stad, vlak bij de zwaar getroffen wijk Grbavica, is sinds 2005 de nationale rechtbank van Bosnië gevestigd in een gerenoveerde voormalige legerbarak. Terwijl het Joegoslavië-Tribunaal inmiddels gesloten is en de kopstukken uit de oorlog achter slot en grendel zitten, worden hier 25 jaar na de genocide in Srebrenica nog altijd oorlogsmisdadigers berecht. De druk op de speciale kamer voor oorlogsmisdaden is groot: nog zo’n vijfhonderd verdachten wachten op berechting. Afgesproken was dat in 2023 alle rechtszaken zouden zijn afgehandeld, maar alle partijen zijn het erover eens dat die deadline nooit zal worden gehaald.

Ondertussen tikt de tijd door. Rechtszaken lopen vertraging op, omdat verdachten het land ontvluchten, ziek worden of overlijden voordat hun proces überhaupt is begonnen. Corona maakt het er niet beter op: de meeste zittingen zijn in de afgelopen maanden uitgesteld. Ook de poel met getuigen wordt steeds kleiner, veel betrokkenen zijn inmiddels bejaard. Tegelijkertijd daalt het vertrouwen in de rechtspraak in de Bosnische samenleving. In de media heerst een vijandige sfeer: als er een Bosnische Serviër wordt veroordeeld, spreken politici met dezelfde etnische achtergrond er publiekelijk schande van – en vice versa. Tv-programma’s en kranten zijn bijna zonder uitzondering gekleurd, en gooien olie op het vuur.

25 jaar lang sprak de internationale gemeenschap over verzoening, maar de bevolkingsgroepen trekken de muren tussen elkaar alleen maar hoger op. Het politieke systeem dat na het Dayton-vredesakkoord werd ingesteld als tijdelijke oplossing bestaat nog altijd: het land is opgedeeld in verschillende entiteiten, ieder met z’n eigen instituties, regels en gebruiken.

Veel Bosniërs hebben inmiddels huis en haard verlaten om te wonen waar hun ­eigen etnische groep in de meerderheid is. Scholen zijn gesegregeerd en jongeren komen in het dagelijks leven nauwelijks nog met elkaar in aanraking. Feiten over het uiteenvallen van Joegoslavië worden betwist en oorlogsmisdadigers verheerlijkt – voormalige generaals en politiek ­leiders brengen boeken uit over hun ­heldendaden, en straten en gebouwen zijn naar hen vernoemd.

Geen einde

Het is een grijze vrijdagochtend – vlak voor de coronacrisis – als Mile Kosoric en Momcilo Tesic in de beklaagdenbank ploffen. Ze hebben doorleefde gezichten en houden hun jas aan, ook als de rechters binnenwandelen en de zitting begint. De voormalige Bosnisch-Servische legerleiders zijn aangeklaagd vanwege hun rol in de genocide in Srebrenica. Twee medeverdachten zijn spoorloos: er is een internationaal arrestatiebevel ­tegen hen uitgevaardigd.

‘In welke auto reed de commandant?’, vraagt de aanklager aan de eerste getuige die vandaag is opgeroepen, een voormalig soldaat die in 1995 in de buurt van Srebrenica gelegerd was. De man met het baardje probeert zijn antwoorden tot een minimum te beperken. ‘Een Lada’, krijgt hij uiteindelijk over zijn lippen. ‘Welk type, welke kleur?’, dringt de aanklager aan. ‘Dat kan ik mij niet meer herinneren’, zegt de man. ‘Het is 25 jaar geleden.’ Dan verheft de aanklager zijn stem: ‘Van wie kreeg u orders?’ ‘Ik weet het niet meer!’, roept de getuige. ‘Ik was maar een gewone soldaat.’ Nu komt de rechter tussenbeide. ‘Ik ga u waarschuwen’, zegt zij tegen de getuige. ‘Al vraagt de aanklager het vijf keer: u moet kalm blijven en antwoord geven.’

Twee jaar geleden begon dit proces en het eind lijkt nog niet in zicht; de aanklagers hebben een niet-aflatende stroom getuigen opgeroepen. Zodra de man met het baardje is vertrokken, haalt een medewerker van de griffie de tweede getuige van vandaag op, een vrouw die in Srebrenica was toen de enclave viel. Met haar hoofd naar de grond gericht loopt ze de smalle rechtszaal binnen, de luxaflex voor de ramen zitten dicht. ‘Ik was vijf maanden zwanger’, vertelt ze nadat ze is gaan zitten. ‘We werden afgevoerd in een vrachtwagen, we hadden geen idee waarnaartoe. Onderweg zagen we dode lichamen drijven in de rivier. ‘Ze gaan ons vermoorden!’, riep een vrouw, we zagen overal soldaten. ‘Jullie gaan naar je eigen volk’, schreeuwden ze ­tegen ons. ‘Niet omkijken.’’

De twee verdachten kijken de getuige niet aan, ook de andere aanwezigen ­lijken weinig onder de indruk van haar relaas. De verhalen over Srebrenica zijn zo vaak herhaald dat het voor alle partijen een beproeving lijkt om er opnieuw naar te luisteren. De voorzittend rechter speelt wat met haar pen, haar collega kijkt op zijn horloge. ‘Kent u de verdachten, heeft u ze in Srebrenica gezien?’, vraagt de advocaat van de rechter zodra hij met zijn kruisverhoor begint. ‘Nee, dat niet’, antwoordt de vrouw. ‘Heeft u daadwerkelijk iemand vermoord zien worden?’, vraagt hij. De vrouw schudt haar hoofd. ‘Ik heb geen vragen meer’, zegt de advocaat, en dan dankt de rechter de getuige voor haar komst.

‘Niet alles is wat het lijkt’, zegt advocaat Aleksandar Lazarevic een paar ­dagen later. Hij komt net uit een zitting waarin hij ruim een half uur lang een ­forensisch expert heeft ondervraagd via een videoverbinding met de Verenigde Staten. Ook dit proces gaat over Srebrenica en loopt al jaren. ‘Het is vreselijk wat er in Srebrenica is gebeurd’, zegt hij, ‘maar dat betekent nog niet dat iedere Bosnische Serviër die daar aanwezig was schuldig is. Juist daarom zijn die kruisverhoren zo belangrijk: iedereen verdient een eerlijk proces.’

Lazarevic (57) staat bekend als Srebrenica-veteraan; niet omdat hij daar heeft gediend, maar omdat hij na afloop vele verdachten heeft bijgestaan. Eind ­jaren negentig deed hij zijn eerste zaak in Den Haag, bij het Joegoslavië-Tribunaal. ‘Die periode heeft me gesloopt’, zegt hij, waarna hij zijn toga uittrekt en naar het cafeetje loopt tegenover de rechtbank. ‘Iedere dag kregen we beelden te zien van massagraven, van lijken en lichaams­delen’, vertelt hij. ‘Op drie schermen ­tegelijk. Maandenlang sliep ik slecht.’ Toch is hij na al die jaren niet van plan zijn werk te staken. ‘Als je eenmaal Srebrenica hebt gedaan, voelt al het andere irrelevant’, zegt hij. ‘Een scheiding, een drugszaak: wie kan dat nou wat schelen?’

‘Het is vreselijk wat er in Srebrenica is gebeurd’, zegt advocaat Aleksandr Lazarevic, ‘maar dat betekent nog niet dat iedere Bosnische Serviër die daar aanwezig was schuldig is.’Beeld Martino Lombezzi

Achteruitgang

In Bosnië kreeg Lazarevic voor elkaar wat hem in Den Haag nooit gelukt is: vrijspraak voor een hoge politiecommandant die zowel voor de belegering van Sarajevo als voor de genocide in Srebrenica terechtstond. Twee jaar geleden werd deze commandant, Goran Saric, vrijgesproken, terwijl zijn adjunct in Den Haag eerder zeventien jaar gevangenisstraf opgelegd had gekregen. ‘Natuurlijk geeft het een kick’, zegt Lazarevic, waarna hij een dunne Pall Mall opsteekt. ‘Maar het zegt helaas ook wat over de kwaliteit van de aanklagers. Ze spelen het spel niet goed.’

‘Met het vertrek van de internationale staf is de kwaliteit van het bureau van de aanklagers hard achteruitgegaan’, zegt ook Minka Kreho, voorzitter van de strafkamer. ‘Sindsdien worden jonge, onervaren mensen aangenomen. Dat leidt tot grote problemen: ze klagen mensen aan die tijdens de oorlog helemaal niet in Bosnië blijken te zijn geweest of komen er pas tijdens het proces achter dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Ook dragen ze getuigen aan die allang dood blijken te zijn als wij ze oproepen.’ Als rechter ziet ze deze ontwikkelingen met lede ogen aan. ‘Ik moet op mijn handen blijven zitten, neutraal blijven. Ondertussen maakt de verdediging gehakt van die jonge aanklagers.’

Afgelopen jaar schreef de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) een vernietigend rapport over het bureau van de aanklagers: ze ­beginnen nauwelijks complexe straf­zaken, schuiven te veel aanklachten door naar de lokale rechtbanken en áls ze al een proces beginnen, is de kwaliteit erbarmelijk. Het aantal veroordeelde verdachten is de afgelopen jaren sterk gedaald, tot een dieptepunt in 2018, toen meer dan de helft van de vermeende oorlogsmisdadigers werd vrijgesproken. ‘De inefficiëntie en aanhoudende tekortkomingen leiden ertoe dat er geen gerechtigheid komt voor slachtoffers van oorlogsmisdaden’, concludeerde de internationale organisatie.

Een van de inefficiënties die de OVSE uitlichtte in haar rapport, is dat getuigen soms wel vijf keer worden opgeroepen hun verhaal te doen, steeds in een andere zaak. Opnieuw moeten ze dan naar Sarajevo afreizen om te vertellen over de martelingen, de verkrachtingen, de moorden. ‘De kans op nieuwe trauma’s bij deze mensen neemt hierdoor toe’, schreef de OVSE.

De uitdagingen voor de getuigenunit van de rechtbank zijn groot, beaamt Alma Taso Deljkovic (42), hoofd van de unit. ‘Sommige getuigen zijn inmiddels de 80 gepasseerd’, vertelt ze. ‘Die kunnen zich nauwelijks herinneren wat ze gisteren hebben gedaan, laat staan 25 jaar geleden. Anderen willen niet meer praten of kunnen alleen maar huilen.’

Ruim twaalfduizend Bosniërs zijn in de afgelopen vijftien jaar naar de rechtbank in Sarajevo gekomen om te getuigen tegen vermoedelijke oorlogsmis­dadigers, ook de komende jaren kunnen mensen die in de jaren negentig een getuigenis over de oorlog hebben afgelegd een telefoontje verwachten van Taso Deljkovic of een van haar collega’s om hun verhaal te komen doen. ‘Mensen worden ouder’, zegt ze. ‘Sommigen laten hun kinderen al getuigen, omdat ze het zelf niet meer kunnen. Hoe zal dit over tien jaar zijn? Geen idee.’

In alle gevallen proberen Taso Deljkovic en haar collega’s de getuigen op hun gemak te stellen en ervoor te zorgen dat hun komst naar Sarajevo zo goed mogelijk verloopt. ‘Sommigen hebben nooit eerder hun dorp of regio verlaten, anderen hebben medische problemen. Het is best een toer om ze hier te krijgen.’ ­Bovendien worden sommige getuigen geïntimideerd of zelfs bedreigd – het is geen uitzondering dat verdachten en ­getuigen bij elkaar in de buurt wonen en elkaar om de haverklap tegenkomen. ‘Een enkeling komt door zijn getuigenis echt in de problemen’, zegt Alma, ‘die kan terecht in een getuigenbeschermingsprogramma.’

Muffe lucht

In Tuzla gaat de identificatie van slachtoffers ondertussen onverminderd door. ‘Waarschijnlijk zijn dit kogelgaten’, zegt Dragana Vucetic terwijl ze een skelet onderzoekt dat op haar autopsietafel ligt. Ze wijst op de schedel en het rechterbeen van een man die waarschijnlijk 25 jaar geleden in Srebrenica is omgekomen. ‘Zijn hoofd en romp hebben we in één graf gevonden, zijn onderlijf in een ander. Dna-monsters wijzen uit dat dit één persoon is, zijn lichaam is waarschijnlijk een paar keer verplaatst. Zijn armen zijn nog altijd niet teruggevonden.’

Aan de wand van de autopsieruimte ­hangen A4’tjes met de fysiologie van het lichaam: vertex, apex, porion, gnathion staat erbij geschreven.Beeld Martino Lombezzi

Vucetic en haar team laten de keuze aan de nabestaanden: nemen ze genoegen met een incompleet skelet, of willen ze wachten tot alles is teruggevonden? ‘Sommige families kunnen pas rusten als het lichaam van hun dierbare compleet is, andere regelen een begrafenis voor één bot.’ Hoeveel uitvaarten er dit jaar zullen plaatsvinden tijdens de Srebrenica-herdenking, weet Vucetic niet.

Oorspronkelijk zouden leiders van over de hele wereld op 11 juli naar Srebrenica afreizen om de speciale plechtigheid bij te wonen, maar door de coronacrisis zijn de meeste officiële onderdelen afgelast. ‘Sommige families hebben ook besloten de begrafenis van hun dierbare nog maar even uit te stellen.’

Herkenning

Aan de wand van de autopsieruimte ­hangen A4’tjes met de fysiologie van het lichaam: vertex, apex, porion, gnathion staat erbij geschreven. Op het bureau liggen twee dikke donkergroene boeken met duizenden foto’s van persoonlijke eigendommen: onderbroeken, schoenen, overhemden, haarkammetjes, aanstekers. De meeste items zijn vuil of kapot, kleuren zijn uitgevaagd. Toch worden de jaren negentig direct zichtbaar: de wijde T-shirts, de heup­tasjes, de spijkerbroeken.

‘In het begin gebruikten we deze foto’s om vermisten te identificeren’, zegt ­Vucetic. ‘We nodigden families uit om ­eigendommen te ­bekijken, maar deze methode bleek niet waterdicht. Af en toe dachten meerdere families dat ze hun dierbare herkenden aan een en hetzelfde kledingstuk.’

Nog altijd liggen duizenden persoonlijke eigendommen in de loods in Tuzla, net als de botten die nog niet zijn ­geïdentificeerd. Vucetic loopt door de ruimte die koel wordt gehouden, stellingkasten staan rij aan rij. De muffe geur is nauwelijks te beschrijven: een combinatie van zand en dood.

In de afgelopen 25 jaar is 80 procent van de slachtoffers teruggevonden en ­geïdentificeerd, ruim 6.700 personen. ‘Achthonderd tot duizend mensen zijn nog altijd vermist’, zegt Vucetic. ‘Ons doel is om ook hen te vinden.’

De zoektocht naar bewijsmateriaal is ook al 25 jaar bezig. De meeste items zijn vuil, of kapot, kleuren zijn uitgevaagd. Toch worden de jaren negentig direct zichtbaar.Beeld Martino Lombezzi

Toch nemen de verwachtingen langzaam af, net als de interesse en wel­willendheid van de nieuwe generaties. ­‘Jongeren willen niet meer over de oorlog praten, voor hen is het geschiedenis’, zegt Vucetic. ‘Daarbij komt dat iedereen zijn eigen versie van deze geschiedenis heeft, zelfs over de feiten zijn we het niet met elkaar eens.’ Dat de bevolkingsgroepen nog altijd lijnrecht tegenover elkaar staan, vindt ze pijnlijk. ‘We hebben niks geleerd van deze oorlog.’

De val van een moslimenclave

Precies 25 jaar geleden, op 11 juli 1995, vielen Bosnisch Servische troepen onder ­leiding van generaal Ratko Mladic de moslimenclave Srebrenica binnen.

De Nederlandse VN-vredes­troepen van Dutchbat die het ­‘veilige gebied’ moesten bewaken, konden niet voorkomen dat de ­enclave werd ingenomen. Onder toeziend oog van de blauwhelmen scheidden de Bosnische Serviërs de mannen van de vrouwen: de vrouwen werden met bussen geëvacueerd, de mannen werden in de volgende dagen op brute wijze om het leven gebracht – naar schatting zo’n achtduizend mensen vonden de dood.

‘Genocide’, oordeelden de rechters van het Joegoslavië-Tribunaal jaren later in Den Haag. 161 kopstukken uit de oorlog stonden daar in de afgelopen decennia terecht.

Over de rol van de Nederlandse blauwhelmen voor, tijdens en na de val van Srebrenica is veel discussie geweest. In 2002 viel het kabinet-Kok nadat het NIOD in een lijvig rapport had geconcludeerd dat de missie onzorgvuldig was voorbereid en ­uitgevoerd.

Nabestaanden van de genocide procederen als Moeders van ­Srebrenica tegen de Nederlandse staat. In 2019 oordeelde de Hoge Raad dat Nederland deels aansprakelijk is voor de dood van 350 Bosnische moslims die hun toevlucht hadden gezocht op de Nederlandse basis, maar werden weggestuurd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden