Wat niet kan, kun je niet zeggen

Wie kan praten en af en toe een aardige zin op papier weet te krijgen, denkt al gauw dat ie ook verstand van taal heeft.


Vergelijk dat eens met iemand die kan ademhalen. Die laat het wel uit zijn lijf te pretenderen dat ie weet hoe zijn longen functioneren. Maar bij taal meent iedereen deskundige te zijn.


Dat zag je bij het verschijnen van mijn nieuwe boek, Hun hebben de taal verkwanseld. De titel verwijst naar een discussie over dit onderwerp, acht jaar geleden. Op het verwijt dat taalkundigen medeschuldig zijn aan de verloedering van het Nederlands heb ik toen gereageerd met een stuk dat nu ook in dat boek staat. Dat kan geen kwaad, want het idee dat taalkundigen de taal verkwanselen, blijkt nog altijd te bestaan.


Talen veranderen niet in het wilde weg, maar vanuit hun grammaticale systeem, dat bezit is van de taalgemeenschap. Taalveranderingen kunnen dus niet echt fout zijn; ik noem ze daarom 'fout'.


Sommige gevallen van 'fout' Nederlands worden op den duur door de hele taalgemeenschap als ABN aanvaard, bijvoorbeeld 'je kan' dat in de plaats gekomen is van 'je kunt'. Alles waarin het Nederlands van nu anders is dan dat van bijvoorbeeld Multatuli heeft dat traject van 'fout' naar ABN doorlopen.


Maar hoe complex en veranderlijk een taal ook is, kinderen leren hem spelenderwijs en gebruiken al feilloos de ingewikkeldste constructies.


Heel anders gaat het bij kunstmatige, bedachte regels die niet passen binnen onze grammatica, maar waar betweters juist zo aan hechten. Het zijn dogma's die nog stammen uit de tijd dat geprobeerd werd het Nederlands te verlatijnsen, onder andere door de naamvallen weer in te voeren.


Zo'n dogma is het onderscheid tussen 'hen' (lijdend voorwerp) en 'hun' (meewerkend voorwerp), een bedenksel van een paar zeventiende-eeuwers. Dat onderscheid heeft daarvóór nooit bestaan. Zo'n regel die ingaat tegen de ontwikkeling van het Nederlands, dat bezig was zijn naamvallen los te laten, heeft geen kans van slagen. Op papier kan het, maar het brein van de taalgebruikers wil er na 400 jaar nog steeds niet aan, gewoon omdat het geen functie heeft.


Tegelijk met het verdwijnen van de naamvallen ontwikkelde zich namelijk een vaste volgorde van zinsdelen. Eerst zag je aan de uitgang van een woord wat zijn functie in de zin is, nu zie je dat aan zijn vaste plaats.


Dat het onderscheid tussen 'hen' en 'hun' tot op de dag van vandaag niet aanslaat, komt dus niet doordat zogenaamd onkundige taalgebruikers niet weten wat een meewerkend en een lijdend voorwerp is. Dat weten ze perfect, al kennen ze de termen niet.


Zelfs de ergste analfabeet zegt: 'hij gaf hun die bal' en niet: 'hij gaf die bal hun'. Dus eerst meewerkend voorwerp, dan lijdend voorwerp. Maar weer andersom in: 'hij gaf 'm hun', maar niet: 'hij gaf hun 'm.' Zo kun je aan de plaats van hun in de zin zien dat het hier meewerkend voorwerp is. Daar hoefde dus geen apart woord voor gecreëerd te worden.


Maar nu dat beruchte hun van 'hun hebben de taal verkwanseld'. Dit gebruik van hun als onderwerp behoort tot de mogelijkheden van de grammatica van het Nederlands, anders kon het niet gezegd en zeker niet geschreven worden.


Wat niet kan, kun je niet zeggen en wat je kunt zeggen dat kan dus gewoon. Geen Nederlander kan zeggen: 'morgen ze komt', of 'ze heeft gekocht mijn boek', maar iedereen kan zeggen 'hun hebben gelijk' en honderdduizenden doen dat ook.


De ontwikkeling van 'hun' tot onderwerp is te vergelijken met die van 'u'. In de negentiende eeuw werd een zin als 'u hebt gelijk' even fel afgekeurd als nu 'hun hebben gelijk'. 'U' mocht alleen als lijdend voorwerp gebruikt worden: 'ik heb u niet bij Pauw & Witteman gezien.


De ontwikkeling waardoor hun en u ook onderwerp kunnen zijn, kennen we ook uit het Afrikaans (ons kan nie kom nie) en, dichterbij, uit het Zeeuws (ons ben zunig). Hun als onderwerp is Nederlands dat ik niet het mijne noem, maar het zou in de toekomst wel eens de vorm van het ABN kunnen worden.


Of zo'n vorm 'fout' blijft of promoveert tot ABN hangt volledig af van wat de taalgemeenschap er van vindt. Een grammaticale vernieuwing kan nog zo logisch of handig zijn, als de taalgebruikers hem niet willen gaat het niet door. Zo konden nieuwe vormen als 'je kan' en 'je zal' pas doorbreken toen ze algemeen geaccepteerd werden en er geen verzet meer was.


Sociolinguïsten gaan ervan uit dat de meeste mensen na hun twintigste levensjaar hun spraak niet meer veranderen. Dat betekent meestal dat ze nieuwe vormen die ze later bij jongeren of anderen tegenkomen onaangenaam of fout vinden. Dat is begrijpelijk.


Maar objectief bezien is de taal van die anderen niet minder grammaticaal, alleen anders. En de ervaring leert dat wie nu jong is en met zijn spraak zijn ouders irriteert, straks het spreken van zijn eigen kinderen afkeurt. Dat zag je al bij Socrates.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden