Wat is er zo erg aan een tweederangsnatie?

De politiek heeft een uit het bedrijfsleven overgewaaide trend tot regel verheven: Nederland moet het 'beter' doen dan andere landen, zoals bedrijven het beter moeten doen dan andere bedrijven....

Sheila Sitalsing Olav Velthuis

Xerox heeft het gedaan. Zonder een geweldige ingeving van de onderneming uit Connecticut die de wereld het fotokopieerapparaat schonk, was Nederland wellicht een hardnekkige plaag bespaard gebleven - de drang de natie economisch te modelleren naar andere landen zonder erover na te denken of de bijbehorende maatschappelijke ordening wel wenselijk is.

Als eerste bedacht Xerox een techniek om de tanende prestaties op te krikken. Het ging de sterkste concurrent - het bedrijf met de hoogste winst, het grootste marktaandeel, de hoogste beurskoers - als rolmodel hanteren, als nastrevenswaardig voorbeeld. Door diens processen uiteen te rafelen en te imiteren. Met het ultieme doel een minstens zo hoge winst, omzet of beurskoers te behalen. Benchmarken was geboren. Een belangrijke innovatie en een managementinstrument waarvoor de bedrijfskunde Xerox nog altijd innig dankbaar is.

En daar zijn we nu mooi klaar mee.

Want nadat het bedrijfsleven in navolging van Xerox enthousiast en massaal aan het bench marken was geslagen, waaide het fenomeen over van de bedrijfskunde naar de bestuurskunde, van de directiekamers van beursgenoteerde bedrijven naar het Binnenhof.

Gevolg: een Prinsjesdag vol zorgen. Zorgen over lijstjes waaruit moet blijken dat 'we' minder hard werken dan Amerikanen. Dat 'we' minder aan onderzoek uitgeven dan Finnen. Dat 'we' de welvaart niet zo hard zien groeien als de Britten. Dat 'we' te belazerd zijn om na de 62ste verjaardag nog een stap op de werkvloer te doen, in tegenstelling tot talloze inwoners van andere ontwikkelde naties.

Benchmarken, een nuttig instrument voor ondernemingen die worden afgerekend op heldere en zuiver meetbare doelstellingen als winst per aandeel, geldt nu als leidraad voor de gedachtenbepaling over economisch beleid in Nederland. Ook in Brussel is het imiteer-de-sterkste-principe inmiddels de norm, getuige de Lissabon-agenda die de Europese Unie moet opstoten tot 'de concurrerendste economische zone ter wereld'.

Luidkeels draagt de Miljoenennota de boodschap uit dat Nederland 'achterblijft' en 'dus' moet hervormen. Het is een boodschap van een charmante eenvoud: het zakken van plek drie naar plek dertien in de rangorde is eenvoudig te vatten. Elegant ondersteunt zij de noodzaak tot schrappen, krimpen en bezuinigen. Want zonder ingrijpen verwordt dit land tot een 'tweederangsnatie', wordt Brinkhorst, D66-minister van Economische Zaken, niet moe te waarschuwen.

Tweederangsnatie, het woord klinkt afschuwelijk genoeg om er onverwijld korte metten mee te willen maken.

Maar is het erg, tweederangsnatie? Is het erg om lager dan Amerika te scoren in groei en in arbeidsparticipatie? Om een minder lange werkweek te hebben dan Japan? Is het hebben van meer vakantiedagen dan Groot-Brittannieden voor groot alarm en voor intrekking van dagen? Op zich niet. Het idee dat het ene land kan 'winnen' of 'verliezen' van het andere komt voort uit de fundamentele misvatting dat naties met elkaar concurreren als bedrijven om een marktaandeel in de wereldwelvaart en een wereldwijde pool van banen die ten onrechte als statische grootheden worden gezien. Een aloude, mercantilistische opvatting die de term 'de bv Nederland' heeft gebaard en waarachter een wereld van onbegip schuilt over wat welvaart is en hoe ze tot stand komt. Niet het afdrijven van de maatschappij die we willen zijn, geldt daarbij als bron van zorg, maar het achterblijven op zich, het grote gevaar dat Nederland verliest in een wedren met andere landen om een of andere bokaal.

Benchmarken tussen landen kan, nog afgezien van methodologische problemen, misleidend zijn omdat het ultieme doel verschilt. Waar twee oliebedrijven uiteindelijk gelijkaardige doelen hebben (zoveel mogelijk olie verkopen tegen een zo hoog mogelijke winst), streven verschillende overheden verschillende maatschappelijke ordeningen na - een gelijke inkomensverdeling bijvoorbeeld of juist een lage werkloosheid, een hoge economische groei of juist een hoog welzijn in de vorm van veel vrije tijd. Die laten zich moeilijk vergelijken.

Uiteraard is benchmarken een uitermate nuttig instrument om op deelterreinen te zien hoe een ander een probleem aanpakt waar je toevallig zelf mee worstelt. Uiteraard is een vergelijking met anderen buitengewoon handig om de vraag te analyseren of Nederland, gegeven bepaalde voorkeuren, verstandig met zijn universiteiten of gezondheidszorg omgaat. Dat soort benchmarken gebeurt ook, in deze bijlage bijvoorbeeld.

Maar achterblijven op zich gebruiken als rechtvaardiging voor economisch beleid, zoals momenteel in Nederland gebeurt, is curieus. Toch valt het 'achterblijf-argument' in vruchtbare aarde.

Nederland mag dan op sommige lijstjes 'achterblijven', maar hoe slecht gaat het echt? In malaisejaar 2003 donderde Nederland na een paar wankele jaren eindelijk echt van zijn roze wolk af waarop het jarenlang had gedreven. De natie tuimelde in een gat van recessie en werkloosheid. In 2004 stonden de Nederlanders duizelig op, nog wankel op de benen.

Volgend jaar beginnen zij volgens de analyse van het Centraal Planbureau, vervat in de dinsdag verschenen Macro Economische Verkenningen, voorzichtig uit het gat te klauteren. De welvaart zal bescheiden groeien. De koopkracht daalt doordat diverse lasten stijgen en het kabinet snijdt in sociale voorzieningen. Maar de inflatie blijft laag. Er komen iets meer banen bij, al blijft de werkloosheid stijgen; dat is eigen aan de arbeidsmarkt die traag reageert.

Tegenvaller: de consumptie, een van de drie pijlers die de welvaart schragen, blijft lager dan gehoopt omdat het kabinet met zijn omineuze boodschappen en stevige ingrepen de bevolking de stuipen op het lijf heeft gejaagd en de spaarzin flink heeft aanwakkerd. Ook de overheid, de tweede pijler onder de welvaart, houdt het in 2005 voor gezien, na jarenlang eenzaam de economische groei te hebben gedragen. Gelukkig herneemt de derde pijler onder de economie, de export, zich na jaren van kwakkelen. Zo bezien wordt 2005 het jaar waarin alles tergend langzaam in de goede richting kruipt.

Nederland blijft daarmee volgens het CPB achter bij de groei die het land in potentie kan bereiken, gegeven het aanwezige menselijke en technische kapitaal. De werkelijke groei slingert door de jaren om de potenti heen. In de oververhitte staart van de jaren negentig was de groei te hoog en oversteeg de vraag naar arbeid het aanbod, waardoor de lonen omhoog schoten en prijsstijgingen, zowel in de winkels als op de huizenmarkt en de beurs, het gesprek van de dag vormden.

Nu blijft de groei onder de potenti, met bijhorende stijgende werkloosheid, stagnerende consumptie en lage inflatie. Dit soort slingerbewegingen van de Nederlandse economie is de laatste jaren heftiger geworden. Nederland is een boom en bust-economie geworden, het lot van een kleine, open economie die meedeint op de golven van de wereldconjunctuur.

Interessant is de constatering van het CPB dat deze potenti groei op lange termijn structureel lager zal zijn. Oorzaak: de vergrijzing. Tenzij natuurlijk meer vrouwen, ouderen en mensen die nu nog als arbeidsongeschikt worden aangemerkt zich op de arbeidsmarkt melden, al dan niet gedwongen of met zoete extraatjes gelokt.

Dat dwingt een overheid tot kiezen: vasthouden aan oude verworvenheden en op termijn een lagere economische groei accepteren en dus minder welvaart. Of gaan voor groei en verworvenheden op de schop nemen.

De potentie van de Nederlandse economie kan opgekrikt worden door de structuur van de Nederlandse te versterken. Mensen langer laten doorwerken, de WAO en WW opruimen. Al jaren, en enkele kabinetten geleden, is de constatering gedaan dat dit nodig is indien Nederlanders over twintig jaar in net zulke luxe auto's willen rijden als nu, net zulke dure trektochten door de Himalaya wilen maken als nu en net zulke mooie huizen willen bewonen als nu.

Met 'achterblijven bij het buitenland' heeft dat niet zoveel van doen. Wel met achterblijven bij een levensstandaard waaraan Nederland de laatste decennia steeds gehechter is geraakt.

Het kabinet heeft gekozen voor versterking van de structuur van de economie, voor het al jaren geleden voorgeschreven recept van het opkrikken van de arbeidsparticipatie, van vrouwen, ouderen en mensen die nu nog als arbeidsongeschikt worden aangemerkt. Daarvoor heeft het de knoet erover gelegd onder continue verwijzing naar het buitenland: kijk hoeveel vakantiedagen we hebben, hoe hoog onze pensioenen zijn, hoe weinig onze ouderen werken.

Over de ongelukkige timing van de ingrepen is al heel wat gelamenteerd. De gouden regel 'hervorm in tijden van voorspoed zodat je kunt stimuleren bij tegenzittend tij', is niet opgevolgd, zoveel is zeker. De zelfdiscipline daartoe zou te gering zijn, voert het kabinet aan.

Relevanter dan timing is inhoud. Door de structuurhervorming boetseren beleidsmakers een nieuw Nederland. De welvaart wordt gehandhaafd. Maar voor welke groepen? Wat voor soort maatschappij is Nederland over tien jaar, daarvan is het beeld wazig.

Dat ligt niet alleen aan het kabinet. Het is minstens zo onhelder wat voor Nederland de opposanten van het kabinetsbeleid willen. Enqus wijzen uit dat men het een uitstekend idee vindt dat de buurman langer doorwerkt en zo de algemene welvaart op peil houdt. Zelf zou men dan graag stoppen omstreeks de zestigste verjaardag met een goed gevulde, fiscaal gefaciliteerde pensioenpot.

Terugtreden van de overeid valt slecht, vertelt weer een andere enqu. Maar diezelfde mensen is niet gevraagd hoe ze de 'oude' collectiviteit waar ze zo aan hechten en die is gebouwd op een wereld waarin het gros van de mensen werkt en gepensioneerden vrij snel doodgaan, willen rijmen met de nieuwe werkelijkheid waarin het aantal niet-werkenden het aantal werkenden rap zal overstijgen en bejaarden ouder worden dan ooit tevoren. Om nog maar te zwijgen van de vraag wat hun antwoord is op de onverenigbaarheid van interne solidariteit (welvaart verdelen onder een afgebakende groep) met internationale solidariteit (vrije immigratie, opheffen van handelsbelemmeringen, outsourcing van banen).

Het debat verloopt zo moeizaam omdat het enige dat men doet, wijzen is naar het buitenland waar 'ze' ons inhalen. Als het buitenland wordt aangegrepen om ingrepen te verdedigen, legitimeert dat de vraag welk buitenland we willen zijn. Een soort VS, een soort Frankrijk, een soort Denemarken?

Xerox wist het wel, dat wilde 'de beste' zijn. Welk Nederland is 'het beste', dat is de vraag die nu beantwoord moet worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden