Wat heeft tien jaar onafhankelijkheid de Kosovaren gebracht?

'We hebben spijt dat we zijn teruggegaan. Onze eigen mensen hebben ons laten zakken'

Precies tien jaar geleden, zaterdag, verklaarde Kosovo zich onafhankelijk, al ging Servië niet akkoord met de afscheiding. Hoe leven de Albanezen en Serviërs er nu samen?

De Servische Nenad Jordanovic en zijn moeder Jelilca Jordanovic. Beeld Aurélie Geurts

Het is stil in het mausoleum. Een moerbeiboom koestert zich in de warmte van de zon. Zevenhonderd jaar oud. Hij is gespleten onder zijn eigen gewicht en men heeft hem liefdevol van stalen steunen voorzien. Binnen in de tombe staat een kist waarover een kleed met sierlijke arabesken is gedrapeerd. De tijd is hier opgeheven, ik voel een kinderlijke ontroering: ik sta aan het graf van een sultan. Sultan Moerad I, kleinzoon van de stichter van het Ottomaanse rijk. 'Alleen zijn ingewanden liggen hier', zo verbreekt Moehamar Hassani de kortstondige betovering.

Het monument staat in Kosovo bij wat ooit het Merelveld was en waar de Turkse sultan in 1389 in de roemruchte slag de Serviërs versloeg. Hij overleefde het niet. Volgens de overlevering werd hij in zijn tent met een dolkstoot gedood door een Servische edelman. 'Daarna werden de ingewanden gescheiden van de rest van het lichaam dat begraven werd in Boersa in Turkije. De weke delen bleven hier, want die waren niet bestand tegen de hitte van de reis', vertelt Hassani. Ook zonder reis zal er niets van de ingewanden zijn overgebleven, maar de symboliek ervan is onvergankelijk, zoals veel op de Balkan.

Hassani is de 35-jarige beheerder van het mausoleum bij Kosovo Polje, niet ver van de hoofdstad Pristina. De gedenkplek is met Turks geld opgeknapt.

Merelveld

Hoe anders staat het monument erbij dat de Serviërs verderop op het Merelveld optrokken ter herdenking van hun nederlaag die vijf eeuwen Turkse overheersing inluidde. Het plaveisel zit vol scheuren en onkruid. In de toren die uitkijkt over het vroegere strijdtoneel, staan roestige tonnen met sigarettenpeuken.

Het verschil in de staat van onderhoud getuigt van de wisselvalligheden van de geschiedenis. 'Tot 1999 lag het Turkse mausoleum er verwaarloosd bij, nu het Servische monument', zegt Hassani. In dat jaar maakte de Albanese moslimmeerderheid met Navo-steun een einde aan het Servisch gezag over Kosovo. Tien jaar geleden, 17 februari 2008, verklaarde zij zich officieel onafhankelijk. De bordjes zijn verhangen.

Dit weekend werd dat gevierd door Albanese Kosovaren, die 94 procent vormen van de ruim 1,7 miljoen inwoners. De 150.000 Serviërs die er nog wonen, voelen zich achtergesteld. Ook blijven zij Kosovo met zijn middeleeuwse Servisch-orthodoxe kloosters beschouwen als het Servische stamland. De onderlinge relatie is broos. Een maand geleden werd een Servisch-Kosovaarse politicus doodgeschoten.

Voor Pristina was ik in Belgrado, waar een niet-Servische man Kosovo 'het zwarte gat van Europa noemde. Het is arm, het heeft geen industrie, geen eigen productie, het heeft alleen werkloze jongeren. Hij wilde niet zeggen hoe hij heet, maar zijn opmerkingen galmden na. 'Ze hebben nu een eigen staat. Hoera! Maar ook hun eigen problemen. Waar het om gaat is: voel je je Besser im Kopf oder Besser im Bauch?'

Als de fotografe en ik zaterdags landen in Pristina plenst het, alsof de regen de woorden van de man zonder naam kracht wil bijzetten. Het wordt er niet beter op als ik in gesprek raak met Agnesa Gashi, de 20-jarige hotelreceptioniste. De Albanese spreekt voortreffelijk Engels, heeft er een universitaire graad in, maar een baan is er niet voor haar en andere hoogopgeleide jongeren. Ze werken in hotels of als kelner voor 150 euro per maand. Het is leven zonder perspectief. Agnesa droomt van Europa. Maar zonder visum geen toegang tot Schengenlanden. 'We zitten vast', zegt ze fel.

Vanwege de Kosovo-oorlog van 1998/99 week haar familie uit naar België. Agnesa was een baby, het gezin kreeg een vluchtelingenstatus. Ze hadden in Brussel kunnen blijven maar gingen terug naar het bevrijde Kosovo, vol verwachting. 'We hebben daar nu spijt van.' De regering is corrupt en de maffia machtig. 'Onze eigen mensen hebben ons laten zakken.' We maken een afspraak voor een foto, twee dagen later, maar we zien Agnesa niet meer terug. Heeft ze spijt gekregen of heeft iemand op haar ingepraat? Sms'jes blijven onbeantwoord.

Zondagochtend schijnt er een bleek zonnetje. Op de Bulevardi KlInton staat een standbeeld van de Amerikaanse president, de bevrijder van de Kosovaarse Albanezen. Aan de rand van Pristina is veel nieuwbouw: flats, een hypermodern winkelcentrum, een Baumarkt. Ook in de voorstad Caglavica nieuwe rijtjeshuizen. Allemaal Albanees. Veel Serviërs zijn weggetrokken na aanvallen door Albanezen in 2004. Hun huizen verkochten zij. 'Etnische zuivering met economische middelen', noemt Isak Vorgucic het. Hij is directeur van het Servische radio- en televisiestation KIM.

Ik spreek hem in Gracanica in een café voor het beroemde klooster, een nationaal Servisch heiligdom. Vorgucic ziet in de geschiedenis van Kosovo steeds hetzelfde patroon. 'In de Turkse tijd onderdrukten de tot moslims bekeerde Albanezen ons; daarna werden wij de baas en onderdrukten wij hen; nu hebben zij het weer voor het zeggen en doen zij hetzelfde als wat wij daarvoor deden, enzovoorts, enzovoorts.'

Deze keten van wederzijdse onderdrukking is moeilijk te doorbreken. Vorgucic: 'Wij leven eigenlijk al lang samen, maar in het onderwijs en de media benadrukken we nooit dat maar altijd de repressie door de ander.' Ik citeer wat ik hoorde van strenggelovige toezichthouder van het klooster: 'Het Oude Testament is strijd. Dit is moderne oorlog.' Is het zo: de eigentijdse versie van de Bijbelse stammentwisten? 'Boeren', smaalt Vorgucic. Maar als ik opmerk dat de helft van de wereldgemeenschap de onafhankelijkheid van Kosovo erkent, schiet ook hij in de rol van strijdbare Serviër: 'Je kunt toch niet zeggen de helft? Rusland, China, India erkennen het niet. Dat zijn veel mensen.' Voorts laakt hij de Kosovaars-Albanese regering: corrupt en maffioos. 'Wij worden niet beschermd door de wet. De rechtsstaat ontbreekt volledig in Kosovo.'

Isak Vorgucic Isak, directeur van het Servische radio- en televisiestation KIM. Beeld Aurélie Geurts

Gracanica is een Servische enclave, zonder Albanezen. Zoals de man zonder naam zei: zij wonen apart van elkaar, de kaart van Kosovo is 'een luipaardvel.' Door een gebied met heuvels, meren en beren rijden we naar Gjilan, waar Albanezen en Serviërs nog wel dicht op elkaar wonen.

'Vertrouwen in elkaar? Natuurlijk is dat er niet. Vanwege de oorlog die we als buren uitvochten', zegt Arben Halimi, een goedgeluimde 47-jarige politieagent. Hij vocht in het UCK, het Albanese Bevrijdingsleger, en trekt voor de moskee zijn broekband omlaag, op zijn bil een oude schotwond. Hij hekelt de regering: 'Denken alleen aan zichzelf'. En wat is het vooruitzicht van zijn twee goed lerende kinderen? Toch voelt hij geen spijt. 'Ik ben vrij!' Met de Serviërs gaat het redelijk volgens hem. Vertrouwen vergt tijd.

We gaan op zoek naar een Servische tegenhanger. De nabijgelegen St-Nicolaaskerk mogen we niet in van de dronken Servische terreinknecht. Hij maakt ruzie met onze toch rustige Albanese chauffeur. Even komt er een energie vrij waarvan ik me afvraag of die hetzelfde is als die de oorlog destijds deed ontbranden. Een advocatenkantoor zit vol mensen, maar geen Serviërs. De advocaat, Skender Zenuni, de Kosovaars-Albanese versie van Better Call Saul, komt ons achterna. Andere Albanezen stromen toe. Met een beetje Duits, een beetje Engels en veel gebarentaal doen ze hun best voor ons. Er wordt getolkt voor een Servische straatverkoper, maar dat schiet niet op. Veel lach, weinig tekst.

Arben Halimi, Albanese politieagent in Gjilan. Beeld Aurélie Geurts

We belanden in een koffiebar met de Albanezen, andere tafeltjes bemoeien zich ermee, Zenuni zit te bellen, iedereen heeft een Servische vriend die men probeert te bereiken, wat willen we betalen? Ik begin er de ironie van in te zien: zo slecht is het kennelijk nog niet gesteld met de Albanees-Servische betrekkingen als deze Albanezen enorm hun best doen mij aan mijn lokale Servische wederhoor te helpen. Maar het duurt wel lang voor ze Serviërs vinden. Ten slotte spreken we op Zenuni's kantoor Igor Naskovic, 29 jaar en al zijn hele leven werkloos, en moeder en zoon Jordanovic. Zoon ook werkloos. Ze zijn niet bezig met de Albanezen, alleen met overleven. Wat verder opvalt, het Navo-vlaggetje in Zenuni's kast.

Maandagochtend is de zon weer een stukje warmer. De fotografe maakt vanaf een heuvel foto's van de nieuwbouw in Pristina. We zakken tot de enkels in de Balkanblubber. Uitvoerder Fatmir Kottlovci (45) helpt met een waterslang. Veel Turks geld hier, zegt hij, maar ook investeringen van Arabieren, Duitsers, Oostenrijkers, de Europese Unie. Het wekt het vermoeden van een geopolitiek touwtrekken op de grens van Europa en Azië. De bouwkranen doorbreken het beeld van stagnatie. En de moord op de politicus leidde niet tot een explosie. Is alles toch niet zo somber als we zaterdag dachten? Dat is teveel gezegd.

De meeste Albanezen en Serviërs waren ondanks alle wrijvingen één in het opsommen van de manco's waaraan Kosovo lijdt: slecht bestuur, het wij-tegen-zij-denken, de verstikkende uitzichtloosheid.

Igor Naskovic Serviër, werkloos. Beeld Aurélie Geurts

'Het Westen dacht in 1999 de zaak even te hebben geregeld, maar het werk is niet afgemaakt', zegt Nenad Todorovic, de Kosovaars-Servische toneelregisseur van de Milosevic-musical. Kosovo laat zien hoe goedbedoelde westerse interventies tot gemankeerde staten hebben geleid. Een EU-lidmaatschap is nu de grote hoop, om redenen zo vanzelfsprekend dat wij, West-Europeanen, ze niet meer zien, maar zij wel. Als EU-lid heb je de wet, zegt Todorovic, die niet de luxe kent blasé te zijn, komend uit een gebied waar kloosters zoals in Gracanica omgeven zijn met prikkeldraad.

Het laatste woord komt onverwachts. Gearriveerd uit Pristina dreigen we op de Sloveense luchthaven door onverwacht strenge veiligheidscontroles ( EU-buitengrens) de aansluitende vluchten te missen. Een kale, breedgeschouderde man staat ook te stressen. 'Ik zat vier maanden in Kosovo. Ik wil naar huis!'. Wat deed u daar? 'Ik was militair.' Hij is van KFOR, de vredesmacht die er al twintig jaar zit. Hoe gaat het nu echt tussen Albanezen en Serviërs? Hij trekt een bedenkelijk gezicht.

Nee, dat gaat helemaal niet, hoor ik, vijf minuten voor ik wegvlieg van de Balkan.

Wens: lid worden van de EU

Kosovo vierde zaterdag dat het zich tien jaar geleden onafhankelijk verklaarde. Servië weigert dat te erkennen. Beide landen willen lid worden van de EU. Maar een van de eisen van Brussel is dat zij dan eerst de conflicten oplossen die zij met elkaar en andere buurlanden op de Westelijke Balkan hebben. Brussel streeft naar toetreding in 2025, maar dat is heel ambitieus. De verwachting is dat Servië zich eerder kwalificeert dan Kosovo. Dat zette vrijdag wel een stapje in de goede richting door een voorlopig grensakkoord met Montenegro.


'Milosevic, de Musical' gaat over de gehate Servische dictator. De geesten van de doden zweven door de zaal

Waarom kan Servië maar geen afscheid nemen van Kosovo? Exact tien jaar na het uitroepen door Kosovo van de onafhankelijkheid reist Arie Elshout naar Belgrado en Pristina, waar hij belandt bij repetities van 'Milosevic, de Musical'. (+)

Repetitie voor `Milosevic, de Musical'. Beeld Aurélie Geurts
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.