InterviewSalo Muller

‘Wat heb ik aan een koud standbeeld of een namenmonument in Utrecht?’

Salo Muller.Beeld Kiki Groot

Jarenlang drong Salo Muller, wiens ouders in 1943 werden vergast, bij de Nederlandse Spoorwegen aan op een schadevergoeding voor de deportatieslachtoffers of hun nabestaanden. Uiteindelijk trok NS de beurs, en ontwikkelde zich iets van vriendschap tussen Muller en NS-president Roger van Boxtel.

In het voorjaar van 2016 begon Salo Muller, fysiotherapeut van het grote Ajax van de vroege jaren zeventig, aan een missie die hem tot op de dag van vandaag in beslag neemt: in een brief aan de directie van de Nederlandse Spoorwegen drong hij, ook namens zijn vrouw, aan op de toekenning van een schadevergoeding aan de overlevenden van de ‘Jodentransporten’ tijdens de Duitse bezetting en aan nabestaanden van de ruim 102 duizend Nederlandse Joden, Sinti en Roma die de oorlog niet hebben overleefd. Heel veel bijval kreeg Muller aanvankelijk niet. ‘De reacties in mijn omgeving liepen uiteen van: ‘Je trekt aan een dood paard’, of: ‘Het is al zo lang geleden’ tot : ‘Man, ga toch wat léuks doen’.’

Dus akkerde Muller in zijn eentje verder. Bijgestaan door zijn vrouw, zijn schoonzoon en – later – door advocaat Liesbeth Zegveld, die eerder al een schadevergoeding had weten af te dwingen voor de weduwen van de mannen die in 1947 tijdens ‘het bloedbad van Rawagede’ door Nederlandse militairen om het leven waren gebracht. Uiteindelijk wist hij de NS te bewegen tot een ruim 50 miljoen euro kostende compensatieregeling. Over zijn ‘eenzame strijd’ die hieraan voorafging, schreef de nu 84-jarige Muller – wiens ouders in 1943 werden vergast – een boek dat vrijdag in de Johan Cruijff Arena werd gepresenteerd. Hij kreeg er van burgemeester Halsema een koninklijke onderscheiding.

Het is een boek met veel uitroeptekens, waarmee hij zijn ongebluste woede over de Shoah en zijn verbijstering over naoorlogse onverschilligheid articuleert. Hij sluit er een gevecht mee af, en kondigt er een ander gevecht mee aan: op 29 juli jongstleden leverde een koerier een brief van Mullers Duitse advocaat af bij bondskanselier Merkel in Berlijn met een aansprakelijkheidsstelling voor de bijdrage die de Duitse Spoorwegen aan de uitvoering van de Shoah hebben geleverd. Via haar woordvoerder reageerde Merkel bijna per omgaande: we gaan onze verantwoordelijkheid niet uit de weg. De toekomst zal leren wat dat in dit geval betekent.

Salo Muller (links).Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Muller was zes jaar toen hij ruw van zijn ouders werd gescheiden. In de Hollandsche Schouwburg, waar de Amsterdamse Joden in afwachting van hun transport naar Westerbork waren ondergebracht, heeft hij hen nog één keer – van verre – gezien. Hij mocht geen afscheid van hen nemen. ‘In de crèche, aan de overkant van de Schouwburg, heb ik vier dagen aan één stuk door in een houten kinderbedje staan gillen en huilen’, zegt Muller. Hij overleefde de oorlog op acht onderduikadressen.

Toen alles voorbij was, trok hij in bij zijn tante – een zus van zijn moeder – en haar man. Die woonden aan de Dintelstraat, dicht bij Mullers ouderlijk huis, elders in de Amsterdamse Rivierenbuurt. ‘Nadat daar een brief van het Rode Kruis was bezorgd met de mededeling dat mijn ouders waren overleden – overleden, níet vermoord – zeiden mijn oom en tante tegen me: ‘Dan mag je ons nu pappa en mamma noemen.’ Mijn nichtje was voortaan mijn zusje.’

De vriendjes die over de vloer kwamen, wisten niet beter dan dat Mullers stiefouders zijn biologische ouders waren. En hij voelde ook niet de behoefte om hen te vertellen hoe het echt zat. Op sommige dagen drong het verleden zich wat nadrukkelijker op. Op 30 april bijvoorbeeld, de sterfdag van zijn vader. ‘Terwijl Koninginnedag overal uitbundig werd gevierd, bleef ik dan meestal binnen. Wat ik dan deed? Ik luisterde naar de radio. Of ik bladerde door boeken over Artis of de geschiedenis van Amsterdam. Maar met het vorderen der jaren verliest zo’n dag toch zijn beladenheid. Voor de oorlog kwamen andere dingen in de plaats. Als puber ging ik op 30 april dus ook de stad in om een biertje te drinken.’

Buiten de familiekring was de oorlog hoe dan ook geen thema. Althans: niet de oorlog zoals hij die had beleefd. ‘Op school ging het wel over D-Day en over de grote Winston Churchill. Soms stak ik mijn vinger op en begon ik over Auschwitz en Sobibor. Maar erg veel belangstelling kon ik niet wekken voor die thema’s.’ In zijn jaren bij Ajax bracht hij de twee minuten stilte op 4 mei vaak door in de kleedkamer van het stadion aan de Middenweg. ‘De spelers zetten dan op gedempte toon hun gesprekken voort. En intussen stond ik zwijgend bij de massagetafel. Na die twee minuten stilte ging ik door met masseren, en gingen de gesprekken verder op het oude volume.’ Van de spelers van het grote Ajax kenden alleen Sjaak Swart en Bennie Muller zijn levensverhaal.

En de NS? Dat was lange tijd een vast bestanddeel van een geordend Nederlands leven. ‘Toen ik bij het revalidatiecentrum in Leersum werkte, nam ik elke ochtend de trein van zes over zeven. Ik ging met de trein naar vakantiebestemmingen in Frankrijk en Zwitserland. En met Ajax reisde ik aanvankelijk ook vaak per trein. Daarbij gingen mijn gedachten echt niet terug naar de goederenwagons waar tijdens de oorlog 65 mensen in werden gepropt.’

Pas vele jaren later werd de medeplichtigheid van de NS aan de Shoah voor hem een thema. En toen de Franse staat een schadevergoeding uitkeerde aan Franse deportatieslachtoffers en hun nabestaanden, gaf Muller uitvoering aan zijn sluimerende voornemen om de NS tot een soortgelijk gebaar aan te sporen. Aanvankelijk toonde de directie zich ongevoelig voor Mullers morele appèl. Ze wees de individuele regeling waar Muller op aandrong af onder verwijzing naar de talrijke bijdragen die de NS al had geleverd aan oorlogsmonumenten en andere initiatieven waarmee ze haar schuldbesef tot uiting had gebracht. ‘Maar wat heb ik aan een koud standbeeld?’, zegt Muller. ‘Of aan een namenmonument in Utrecht als ik in Amsterdam woon?’ Er moest een persoonlijk gebaar worden gemaakt naar de slachtoffers. Daarbij dacht Muller niet aan bedragen waarin Amerikaanse letselschadeadvocaten grossieren, maar aan een regeling ‘die de NS een beetje pijn doet’.

Op een vruchteloze briefwisseling volgden gesprekken met Roger van Boxtel, president-directeur van de NS. Eerst verliepen die in een enigszins geprikkelde sfeer – over en weer. Maar eind 2018 toonde Van Boxtel zich, tamelijk onverhoeds, bereid een eenmalige tegemoetkoming aan overlevenden en nabestaanden te verstrekken. Een commissie onder leiding van Job Cohen, oud-burgemeester van Amsterdam, heeft de regeling later uitgewerkt.

Tussen de president-directeur van de NS en diens kwelgeest heeft zich een verhouding ontwikkeld die Muller met enige aarzeling als ‘vriendschappelijk’ kenschetst. ‘Ik ben hem vooral gaan waarderen vanwege de prachtige brief die hij naar de mensen heeft gestuurd die van de regeling gebruik hebben gemaakt. We bellen elkaar nog weleens. Dan gaat het over de zaak zelf, maar ook over onze vakanties, onze kleinkinderen, en over Ajax. Dat is toch een onontkoombaar thema.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden