Wat ge ooit bouwt, u schut geen dak Onnavolgbare fantasterijen van debutant Klaus Siegel

Op de titelpagina staat, volgens oeroude traditie, onder de titel De zoon van madame Butterfly een verklarende aanvulling ('benevens de struikelingen van enkele andere randfiguren door het tweede fin de millénaire'), gevolgd door een royale ondertitel: 'Exuberante, leerrijke, barokke, afmattende en tegelijk ontspannende vertellingen voor slachtoffers in de dop en...

In een land waar de middelmaat het voor het zeggen heeft en sympathie met de underdog zo ongeveer grondwettelijk is voorgeschreven, moet dat een gooi zijn naar een groot lezerspubliek. Tegelijk zullen de velen die zich door de ondertitel aangesproken voelen enigszins op hun hoede zijn voor een debutant die zijn boek overbewust als rariteit aanbiedt ('Ik ben mij er eentje'). Een vergelijkbare kopschuwheid zou de biografische notitie wekken die de uitgever enige maanden geleden in de aanbiedingsprospectus bijleverde, en waaruit bleek dat Klaus Siegel (1934) onder meer paraplufabrikant is geweest, badmeester, koster, leraar, sceptisch patiënt in een inrichting te Oegstgeest, en docent vertaalwetenschap.

Nu is hij ook nog schrijver. Zijn eerste verhaal gaat over de simpele veerbootkapitein Ferdinand, wiens geliefde schuit rijp is voor de sloop. Helaas ontbreekt het de man aan luciditeit. 'Overkant bestaat niet', heeft hij wel eens bij zichzelf gedacht. Dat blijft mijlenver achter bij de klassieke regels uit het lied 'Veerpont' van Drs. P.: 'De oever waar we niet zijn noemen wij de overkant/ Die wordt dan deze kant zodra we daar zijn aangeland.'

En als het daaropvolgende verhaal over Trouble Pinkerton, een Aziatische bastaard die zich later in Amerika lang achtergesteld voelde, verzandt in een kluwen van feiten en familiegeschiedenissen, lijkt bewaarheid te worden dat deze debutant zijn eigen verteltalent te rooskleurig heeft ingeschat.

Tot hij met een verhaal komt over een joods kamerlid dat in de oorlog in het kamp Belsen ternauwernood aan de dood ontsnapte, en tientallen jaren later met verschijnselen van een syndroom moet worden opgenomen in een inrichting. Siegels onmatige stijl past in dat verhaal, 'Levensmomenten van Bernard Parssers', bij de voorstelbare crisis die op een zeker moment in het hoofd van de hoofdpersoon losbreekt. Als daarop in verhaal nummer 4 een aardig getypeerd Koffietijd-keuvelgesprek tussen twee moeders helemaal uit de hand loopt doordat het verhaal over één van de kinderen reddeloos verknoopt raakt met dat over een zanger die postchef is geworden in de Noordoostpolder, dan is inmiddels duidelijk dat Klaus Siegel zijn eigen kracht niet kent.

Slaat hij aan het fabuleren, dan nemen de praatgrage vertellers een loopje met hem, met als gevolg een overvol verhaal. Dempen en plempen zijn Siegel vreemd. Zo'n advies ten aanzien van stijl en structuur zou hem hebben afgehouden van de dwaze afzwaaiers waarmee hij zijn verhalen nu dikwijls afrondt, op straffe van te eindigen in regelrecht delireren. De zingende postchef uit 'Kittekat' eindigt plompverloren in huize Zonnevreugd, waar hij verlamd 'met zijn scheve bek' tussen vijf oude wijven op een zaaltje ligt. De schrijver staat er even lang bij stil als ik nu. Het vraagstuk of Siegel zelf wel helemaal tof is, wordt dan brandend.

Het avontuur bij het lezen van dit boek is niet zozeer gelegen in het volgen van de fantasterijen die de schrijver ons voorzet, als wel in de telkens terugkerende ongewisheid of hij de boel dit keer binnen de perken weet te houden. Met één personage en één verhaallijn lukt het Siegel de lezer mee te voeren. In 'Gekraakt' bijvoorbeeld, een specimen van Heijermans-epigonisme over een socialistische steuntrekker zonder asem die lawaaierige krakers in zijn buurt krijgt. 'Wat ge ooit bouwt, u schut geen dak', herinnert de man zich nog van 'het boekje van Worms', waaruit bij partijbijeenkomsten voor de oorlog werd geciteerd.

Hoe moeilijk hij het ook heeft, Siegel overdrijft zijn zieligheid door met de onnozelheid van een amateur te beweren: 'En dan had hij ook nog met zijn dampige longen twee keer per dag de trap kunnen dweilen.' Ongeloofwaardig is ook dat de goedverkopende auteur, die in het slotverhaal de ik-figuur is, zelfs maar zou denken: 'Nu ging me een licht op ten aanzien van wat zich daar voor me openbaarde.' Siegel mag dan de struikelingen van randfiguren tot thema verklaren, het is een misverstand dat zich dat des te pregnanter laat uitdrukken wanneer je jezelf vast uit de bocht laat vliegen.

De monoloog 'De derde Bellamunte-brother van links', waarin een man zijn mismaakte kop in een vuilniszak heeft gestoken omdat hij zijn Chippendale-lijf niet wil zien aftakelen, blijft je weer bij, en als Winnie Sorgdrager 'Reorganisatiecode' heeft gelezen, zal ze er niet rap toe overgaan goede oude griffiers te laten vervangen door apparatuur, onder het mom van een reorganisatie die de slachtoffers bovendien in omzwachtelde agogentaal wordt geannonceerd.

Die verhalen zijn begrijpelijk en aandoenlijk door het bijna vooroorlogse medeleven met de 'kleine man' dat de auteur aan de dag legt. Wat Siegel beoogt met zijn leipe uitweidingen in de grotere verhalen (over telekinese in Brabant of genenmanipulatie op een zuidelijk eiland), is raden maar. Waarschijnlijk wil hij ertegen waarschuwen dat het individu in de moderne tijd wordt geleefd door onbeheersbare systemen en machinerieën. Maar de voornaamste bezorgdheid die die verhalen bij de lezer wekken, betreft - in plaats van de ontwikkelingen in de huidige maatschappij - het welbevinden van de auteur, die evident overspannen wordt als hij verschillende personages tegelijk in de smiezen moet houden.

De zoon van madame Butterfly is naar de inhoud een rariteitenkraam, en bovendien van de hand van een ongeleid projectiel. Zo iemand dient het kort te houden, wil hij een ander iets overbrengen. Ik heb er geen bezwaar tegen dat Klaus Siegel zichzelf als dorpsgek afficheert, alleen vraag ik me af in hoeverre hij de consequenties van zijn malligheid heeft overzien. Met een dorpsgek maak je hooguit een praatje. Als je bemerkt dat hij zich opmaakt voor een heus gesprek, weet je dat je weg moet wezen.

Klaus Siegel: De zoon van madame Butterfly. De Arbeiderspers, ¿ 36,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden