Wat fijn dat het leven mijn vooroordelen corrigeert

Woensdag stond er een artikel over gender disappointment in de krant, over vrouwen die het vreselijk vinden dat ze een jongen dan wel een meisje krijgen. Als je het zo snel even omschrijft, denkt de lezer geheid: wat een gezeur. Het is ook fijn om dat te denken, want dan voel je je al snel goed over jezelf, jij ziet de boel gelukkig wel helder en telt dagelijks je zegeningen. De ingezonden brief kon niet uitblijven.

Als je het artikel goed leest en die term, gender disappointment, gewoon even vergeet, lees je verhalen over getraumatiseerde vrouwen, die ervaringen hebben die hen voor het leven tekenen en hen doen vrezen voor oorlogszuchtige jongetjes, of die al hun hoop hebben gezet op een meisje dat alles goed kan maken. Na de twintigwekenecho, vroeger ook wel de pretecho genoemd, komen ze daar flink mee in de knoop en doen hun uiterste best om hun gevoelens om te leiden, als een vrachttrein, die je handmatig op een ander spoor moet duwen. Zorgzame, verantwoordelijke vrouwen.

We kunnen kwaad worden op hun teleurstelling, maar het probleem is dat ze dat zelf al zijn, doodsbang dat hun negatieve gevoelens effect hebben op het kind dat in hen groeit. De selffulfilling prophecy: natuurlijk zal het jongetje zo vreselijk worden als waar je bang voor bent en dat komt allemaal door jouw gedachten.

Onze gedachten sturen ons handelen en daarmee de werkelijkheid, maar dat is iets anders dan dat onze gedachten direct de werkelijkheid sturen. Als je zwanger bent, is dit nogal een pregnante kwestie. Als je gewoon gezond leeft, zijn er verder weinig handelingen die van invloed zijn op je ongeboren kind. Dus wat doen die gedachten dan? Bereiken die het kind direct? Ik ben bang dat heel veel mensen dat geloven. Ik vermoed sowieso dat 90 procent van de volwassen Nederlanders nog steeds magisch denkt. Het gevolg is dat je gedachten gevaarlijk worden, je eigen hoofd een angstaanjagend gebied.

Ik heb een zoontje gehad, dat met 26 weken werd geboren en niet meer leefde. Ik wilde heel graag een jongetje. Dat mag je niet hardop zeggen en in de magische wereld zelfs niet denken. Laat ik uit de magie ontsnappen: IK WILDE HEEL GRAAG EEN JONGETJE. Jaren later kreeg ik een meisje. Ik dank God op mijn blote knieën dat ik dit meisje meteen kon omarmen. In gedachten al. Dat kwam niet door mijn immense goedheid, het was geluk, toeval. Ik heb het geluk gehad om te ontdekken hoe leuk een meisje is, wat fijn dat het leven mijn vooroordelen corrigeert. De werkelijkheid neemt mijn gedachten niet serieus.

Het duurde jaren voor ik de tweede keer zwanger werd, volgens sommige verwarde geesten omdat ik het te graag wou. Betekent dat in die logica dat ik dat jongetje dat zo snel kwam juist niet wou? Het is dezelfde apenkool die verkondigt wordt over relaties. Schijnbaar gelukkig getrouwde mensen durven zonder blikken of blozen tegen vrijgezellen te verkondigen dat ze pas een partner vinden als ze niet meer zoeken, of als ze eerst gelukkig zijn met zichzelf. Waarom dat precies apenkool is, kun je simpelweg vaststellen door naar de miljoenen stellen om je heen te kijken en je voor te stellen hoe ongelofelijk gelukkig zij stuk voor stuk met zichzelf zijn geweest voor ze elkaar ontmoetten. Het is allemaal even logisch als de kettingbrief. Stuur deze column door aan minstens vijftien mensen, anders komt uw grootste nachtmerrie uit.