'Wat blikkie! Dát zijn mooie verzen'

DE PIEPJONGE Willem Kloos, Albert Verwey en Herman Gorter liepen met hem weg en ook J.C. Bloem ontdekte veertig jaar later in hem een zielsverwant....

Perk werd niettemin beroemd. Ieder handboek van de moderne Nederlandse literatuur begint met deze dichter, die voor zijn dood niet één werk in boekvorm had gepubliceerd. Zijn geringe oeuvre geldt als het 'Hebban olla vogala' van onze moderne letterkunde, de dichter zelf als de Johannes de Doper van de Tachtigers, het revolutionaire groepje jonge schoonheidsvereerders dat zich luid afzette tegen de stoffige huiskamerpoëzie van negentiende-eeuwse dominee-dichters als Beets en Ten Kate.

Perk's postume roem en zijn literair-historische belang zijn te danken aan de inspanningen van één man, Willem Kloos. Deze ontfermt zich na de dood van zijn vriend razendsnel over het nagelaten werk, ordent en schrapt naar eigen inzicht, brengt er forse veranderingen in aan en schrijft er twee uitvoerige inleidingen bij. C. Vosmaer, een oudere literator en beschermheer van de Tachtigers, voegt er een Voorrede aan toe, waarin hij citeert uit de bevlogen brieven van de jongeling.

De bundel Gedichten, die in 1882 verschijnt, is evenzeer een schepping van Kloos als van Perk. Zonder Kloos' bemoeienis kende waarschijnlijk niemand meer de Mathilde-cyclus. De naam Perk zou in de literaire annalen niet voorkomen en zijn gedichten zouden zeker geen plaats hebben gekregen in de Delta-reeks, de prestigieuze serie 'leesedities' van Nederlandse klassieken. Na Maerlants werk - Juweeltjes van zijn hand en 'Het hart naar boven' - De religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw, Hieronijmus van Alphen's Kleine gedigten voor kinderen en Hildebrand's Camera obscura is Perk's Gedichten (sinds 1980 niet herdrukt) de vijfde klassieker waar het stof vanaf wordt geblazen.

Ook dit deel, bezorgd door Fabian R.W. Stolk, is een voorbeeldige uitgave. Stolk koos voor de door Kloos geredigeerde editie van 1882, maar geeft in zorgvuldige annotaties aan waar Kloos afweek van tijdschriftpublicaties van Perk, of van de manuscripten. In een begeleidende tekst bespreekt hij de totstandkoming van de bundel en hoe de critici reageerden. Uitvoerig schetst hij het literaire milieu dat de dichter naar voren schoof, de Tachtigers in wording, die in 1885 met veel bombarie het tijdschrift De Nieuwe Gids zouden oprichten. Ook de inleidende teksten van Kloos en Vosmaer zijn integraal opgenomen.

Als je nu eerst Perk's gedichten leest en vervolgens de beroemd geworden inleiding van Kloos, blijkt hoezeer Kloos het werk van zijn dode vriend gebruikte voor het propageren van zijn Tachtigers-idealen. Misbruikte, zou je bijna zeggen, ware het niet dat Kloos stapeldol moet zijn geweest op het werk én de dichter. 'Wat blikkie!, dacht ik, dáár heb je nou een Hollands dichter, dát zijn mooie verzen. (. . .) Dát was het nieuwe', beschrijft hij zijn eerste kennismaking. Er ontwikkelde zich een korte, maar hevige vriendschap, wellicht een 'liefde die vriendschap heet'. Maar zou er al sprake zijn geweest van een homoseksuele relatie, dan kon die zich alleen uiten in de liefdessonnetten die ze uitwisselden. Perk had het trouwens druk met de meisjes. Met Mathilde, met Johanna, allebei verloofd, zodat steelse ontmoetingen steevast eindigden in wanhopig snikken. Zo bleef er wat te smachten - stof genoeg voor een sonnettenkrans. Een half jaar voor zijn dood brak Perk met Kloos, schrijft Stolk, 'omdat deze te veel aandacht voor zichzelf opeiste'.

Arme Kloos. De afwijzing ontsloeg hem echter niet van de uitvoering van de 'pia vota' van de jong gestorvene, de bezorging van zijn gedichten. 'Een laatste liefdesdienst', noemde Kloos het. In de kantlijn van het manuscript staan verrukte uitroepen als 'O, Jacques!', maar hij bracht de honderd Mathilde-sonnetten wel terug tot 72, en veranderde de interpunctie zo dat de nog tamelijk traditioneel negentiende-eeuwse, 'gefaseerde betogen' van Perk gingen lijken op 'de neerslag van één complexe gedachte of stemming', zoals Kloos die graag zag. Hij suggereerde zelfs dat niet 'Johanna', aan wie Perk zijn 'Iris' opdroeg, de muze was voor dit gedicht, maar hij, de pokdalige aanbidder van het beeldschone 'Mephisto'tje' Perk. 'Er ligt een tragedie achter Iris (. . .) die voor mij te pijnlijk is om weer op te rakelen.' Gelukkig werd Jacques na zijn dood weer helemaal van hem.

Zoals de jonggestorven Hans Lodeizen, die niet zo bar experimenteel dichtte, werd ingelijfd bij de Vijftigers, zo werd Perk postuum de bentgenoot van de 'l'art pour l'art' - jongens. In Kloos' inleiding staat voor het eerst de beroemde Tachtigers-slogan 'Vorm en inhoud bij poëzie zijn één'. Iedere wijziging in woorden, betoogt Kloos, duidt op een 'nuancering van de stemming'. En 'aan de stemmingen kent men de ziel'. Het waren voor Kloos de 'machtige passies' die de dichter verrieden, niet de kalme aandoeningen die de dominee-dichters bezongen zodra er geboren, getrouwd of gestorven werd. 'Want het nietige, het nabijzijnde en voor ieder zichtbare past den lieden, voor wie de liefde de weg naar het huisgezin, de dood de weg naar de hemel, en het geheele leven eene oefenschool in braafheid is.' Voor Kloos was schoonheid niet de vreugde van de huisvader in zijn buitentje, maar de gewaarwording van de 'diepste smart', van de 'wellust der pijn'. Poëzie was hemel en hel, en de dichter de God die schoonheid creëerde.

Perk's gedichten geven niet direct aanleiding tot deze geëxalteerde programmapunten. Er zijn wel regels te vinden die enigszins 'Tachtiger' aandoen. Zoals het lange gedicht 'Iris', geinspireerd op Shelley's The Cloud, dat begint met de regels 'Ik ben geboren uit zonnegloren/ En een zucht van de ziedende zee', dat echter nog heel ver afstaat van Gorter's 'lichtstreeperig lichtoogend zeeïge zee, het zeezijn', enkele jaren later. Bij Perk is de hemel nog steevast 'purper', en zijn de dames 'goudgelokt'. 'Wachten' rijmt keurig op 'smachten'; 'troost' op 'kroost'. De 'starren flonkeren' en de vogeltjes kwinkeleren dat het een lieve lust is. Knusse regels als 'Hoe ik somtijds kan verlangen/ Naar stille huislijkeheid,/ Die gij in ons zonnig huisje/ Eenmaal zeker mij bereidt' zouden bij Ten Kate niet misstaan.

Belangrijker is nog dat bij Perk, net als bij de Engelse romantici, iedere schoonheidservaring in dienst staat van het zoeken naar harmonie, een synthese tussen dichter en wereld. Zijn poëzie mag dan frisser en bevlogener klinken dan die van Nederlandse voorgangers, en zijn God torent niet langer uit boven de mensheid, maar uit zich in het schone - de moraal is niet afwezig. Stolk karakteriseert hem terecht als een overgangsfiguur tussen de goed-burgerlijke negentiende-eeuwers en de 'paganistische', in pijn en wellust zwelgende Tachtigers.

Maar een romanticus was hij wel, in een land dat behalve Multatuli niet één vertegenwoordiger van die grote internationale stroming kent. En een van de weinigen in Nederland die invloeden van de schitterende poëzie van de Engelse romantici verwerkten. Hij kende het werk van Dante, Petrarca en Shakespeare en imiteert met puberaal lef de bewonderde groten. Al met al jammer dat we niet weten wat er van dit dichtertje zou worden, een gezapige pater familias of een absint drinkende woesteling met een overleefd schoonheidsverlangen. Dit Delta-deel laat in elk geval zien waarom zijn dood vleugels gaf aan de Tachtigers, aan wie hopelijk de volgende delen worden gewijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden