Wat beweegt de spijbelaar?

ZEVENTIEN IS BRIAN en hij spijbelt al jaren, al vanaf de basisschool. Hij is een van de eerste jongeren die in Amsterdam-Zuidoost wegens spijbelen een proces-verbaal hebben gekregen....

Brian deed soms of hij ziek was, zodat zijn moeder hem afmeldde op school. 'Soms was ik echt ziek en had ik griep, soms was ik al een tijdje niet ziek meer, maar bleef ik toch thuis. Op een gegeven moment maakt dat niet meer uit. Dan ben je niet op school geweest omdat je ziek was en dan kun je net zo goed langer wegblijven omdat je toch al een tijdje niet bent geweest.'

Uit Brians verhaal zoals Agerbeek dat verder schetst, blijkt dat er meer aan de hand is dan een simpel 'geen zin', maar duidelijk wordt wel hoe makkelijk het is van af en toe een dag wegblijven af te glijden naar chronisch spijbelen.

Niet bekend

Spijbelen kan leiden tot voortijdig schoolverlaten en voortijdig schoolverlaten verhoogt, blijkt uit onderzoeken, de kans op werkloosheid en op crimineel gedrag.

Ieder jaar haken naar grove schatting 25 duizend scholieren onder de zestien af. Ze zijn nog leerplichtig, maar verlaten de school lang voor een diploma ook maar binnen bereik is gekomen. Die uitval begint meestal met spijbelen, eerst een beetje en dan steeds meer, tot een jongere niet of nauwelijks meer naar school gaat.

In Chronische spijbelaars portretteert Agerbeek zeven scholieren met zo'n problematische achtergrond. Ze poogt, aan de hand van een groot aantal gesprekken met betrokkenen, te achterhalen wat hen bindt, en wat mogelijkheden zouden zijn om uit de hand gelopen spijbelgedrag een halt toe te roepen. Ze gaat er daarbij van uit dat spijbelen inderdaad zorgwekkend is, het meest algemene idee, maar wel één waarbij kanttekeningen geplaatst kunnen worden.

In haar conclusie noemt Agerbeek de socioloog Geert de Vries, die vier jaar geleden in Het pedagogisch regiem betoogde dat leerplicht een doel op zichzelf is geworden, in plaats van een middel om iets te bereiken. Hij wees erop dat sommige kinderen gewoonweg niet passen op school en dat er jongeren zijn die helemaal niet zulke fantastische kansen hebben op een carrière op de arbeidsmarkt. Er zouden veel meer arbeidsplaatsen geschapen moeten worden voor ongediplomeerden, zodat vroegtijdig schoolverlaten niet langer een probleem is, aldus De Vries.

Agerbeek merkt terecht op dat het debat over het eigenlijke doel van de Leerplichtwet nog nauwelijks is gevoerd. Zelf levert ze daaraan ook geen bijdrage; haar boek is gebouwd op de vooronderstelling dat spijbelen schadelijk is, niet alleen voor de maatschappij, maar ook voor de spijbelaars zelf, die het, stelt zij, veel moeite kost (zelfs al vinden ze snel een baan) om over hun gevoel van falen heen te komen.

De geportretteerde chronische spijbelaars hebben grote moeilijkheden, zowel thuis als op school en een pasklare oplossing om jongeren op school te houden is er duidelijk niet; dat blijkt alleen al uit het feit dat spijbelen geen nieuw probleem is. De toegenomen publiciteit doet soms anders vermoeden, maar het percentage vroegtijdige schoolverlaters is gelijk gebleven sinds begin jaren tachtig.

Maatregelen tegen spijbelen worden meestal achteraf genomen, ze zijn gericht op scholieren die al niet meer op school verschijnen. Preventieve maatregelen zijn er nauwelijks, omdat spijbelen erg af lijkt te hangen van toeval, en aan toeval kun je weinig doen.

Agerbeek probeert aannemelijk te maken dat aan spijbelgedrag een mechanisme ten grondslag ligt. Volgens haar gaat het om een wisselwerking tussen de spijbelaar en de volwassenen die met hem te maken hebben: ouders, docenten, hulpverleners, leerplichtambtenaren en officieren van justitie.

Zij geeft voorbeelden van de opvoedingsproblemen waarmee veel spijbelaars kampen (verwaarlozing, inconsequent gedrag van de ouders, ruzies thuis, ouders die een kind extreem onder druk zetten). Drugsgebruik en de aantrekkingskracht van het criminele circuit spelen soms ook een rol, net als bijbanen.

Daarnaast blijken scholen vaak niet eens te merken dat een jongere niet verschijnt, of ze reageren niet als het wel wordt opgemerkt. En de wetgeving werkt lang niet altijd mee. Als een leerling eenmaal is uitgevallen, wordt het moeilijk hem op een nieuwe school te plaatsen. Scholen mogen leerlingen weigeren, en dat doen ze ook, onder meer omdat ze alleen geld krijgen voor leerlingen die op de vijftiende september van een schooljaar ingeschreven zijn.

Een aparte categorie spijbelaars vormen kinderen die door hun ouders om principiële redenen, vanuit een levensbeschouwelijke overtuiging, worden thuisgehouden. Dat geldt bijvoorbeeld voor zevendedagadventisten en voor de aanhangers van het Michaëlsgenootschap, dat is opgericht door de omstreden iatrosoof J. de Kok. Deze zomer kwamen de iatrosofen in het nieuws met een niet-erkend schooltje in Rotterdam.

Agerbeek zet met duidelijk veel kennis van zaken alles wat met spijbelen te maken heeft op een rijtje, maar uiteindelijk geeft ze vooral een inventarisatie van het probleem, nauwelijks een analyse. Ze meent een mechanisme te vinden - aan een mechanisme kun je iets doen, aan toeval niet - maar haar aanbevelingen zijn voorzichtig, timide. Ze pleit voor opvoedingscursussen voor ouders, zodat die erachter komen wat de consequenties (kunnen) zijn van een bepaalde opvoedingsstijl. Ze vraagt om meer verschillen tussen scholen, kennelijk met het idee dat er dan voor iedere jongere een juiste school te vinden is. Ze wil meer aandacht voor de risicofactoren drugsgebruik, criminaliteit en bijbaantjes (waarbij het vooral van de eerste twee niet altijd even duidelijk is of ze oorzaak of gevolg van chronische spijbelen zijn). Ze vindt dat leerplichtambtenaren een eensgezinder beleid moeten voeren en scholen meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor leerlingen die verzuimen.

Dat zijn gezondverstand-aanbevelingen die voor een groot deel al te formuleren zijn zonder onderzoek of zonder het boek te lezen.

Wat Chronische spijbelaars waardevol maakt is dat het inzicht geeft in beweegredenen van spijbelende jongeren. Agerbeek heeft voldoende betrokkenen gesproken om de geportretteerden zorgvuldig te kiezen, zodat ze deze, behalve hun individuele verhaal, ook een typerend verhaal laat vertellen.

Hanneke de Klerck

Marjan Agerbeek: Chronische spijbelaars - De grenzen van de leerplicht.

De Bezige Bij; 258 pagina's; ¿ 39,50.

ISBN 90 234 3657 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden