Column

Wasberen zien eruit alsof ze sowieso liever dood zijn

Levende wasberen laten zich niet zien. Hebben wij dat ergens aan verdiend?

null Beeld thinkstock
Beeld thinkstock

Ik las de Volkskrant van dinsdag en nu kan ik niet kiezen wat ik het allerliefst zou willen zijn: een dode wasbeer of een Chinese bodyguard. Een Chinees beschermen, dat lijkt me prettig werk. Je doet eens wat terug. Al een leven lang koken ze op zondagavond eten voor mij, dus waarom zou ik ze niet twee dagen in de week kunnen beveiligen?

Ik hoef daar geen geld voor. Een gratis biertje bij het afhalen en ik wil wel een avondje zwijgend bij de uitgang van een bioscoop gaan staan. Ik wil dan van tevoren wel weten of het Chinezen zijn die de hele aftiteling bekijken. Die beveilig ik niet. Bij Nederlandse films duurt de aftiteling net zo lang als de film. 'Onze dank gaat uit naar: Serviesshop Anneke in Alblasserdam voor de Griekse restaurantscène.'

In China zelf zal er weinig werk voor mij zijn, als bodyguard. Dat is niet handig, een zwaar transpirerende, doodsbang om zich heen turende kale blanke man naast je. Dan kun je honderd keer accentloos 'Kaì Lau, maú do tschã kù' ('Doorlopen, hier valt niks te zien') zeggen, maar ze herkennen je op 100 meter als een schnabbelende Nederlander.

Het wordt dus de dode wasbeer. Dit las ik zojuist in de krant, onder het kopje 'Raak hem niet aan!' ('Màu Ní Ka Bü'): 'Wie een dode wasbeer ziet, moet het dier niet met blote handen aanraken. Wasberen kunnen een spoelworm bij zich dragen waar mensen ernstig ziek van kunnen worden. Levende wasberen ziet men nauwelijks in Nederland, dode worden er geregeld gevonden.'

Dat is waar. Nog nooit heb ik een levende wilde wasbeer gezien. Nergens eigenlijk. In Spanje, ook nog nooit een levende wasbeer gezien. Italië: je ziet ze niet. Alleen in Peru maken ze deel uit van het dagelijks leven. Staan ze opeens naast je bij de slager, voor 2 ons dungesneden rosbief.

Ik zou er hier heel graag eens een in het wild zien. Verborgen achter een struik kijken hoe ze iets wassen. Misschien zingen ze erbij, zoals onze vrouwen, als die met twee stenen onze mannenoverhemden wassen. Ik vind het een raar idee dat er, op het moment dat ik dit schrijf, ergens een kerngezonde wasbeer door Nederland struint. Ik vraag mij nu af: hebben wij dat ergens aan verdiend, dat we ze niet levend mogen zien?

Ik heb wel een aantal keren wasberen in gevangenschap gezien, en achteraf begrijp ik nu hun onverschillige houding wel. Als je liever niet levend wilt worden gezien, en er staan zestig mensen achter een stenen muurtje te kijken hoe jij je ballen wast, dat is niet fijn. Wasberen zien eruit alsof ze sowieso liever dood zijn. Ze kijken je aan met het gezicht dat ik trok als ik bij mijn oma op bezoek ging. 'Zo jongen, leef je nog?'

Daarom wrijven wasberen het ons in als ze gaan sterven. Dan slepen ze zich expres naar een woonwijk en gaan in een zo lief mogelijke houding dood, zodat wij ze willen aaien. Want ze kennen ons een beetje. We kijken nergens naar om en pas als er iets doodgaat, staan we langs de weg, om de doden een laatste eer te bewijzen. Wasberen kennen onze zwakke plek. Naast iets doods gaan staan en dan pas denken: wat is leven eigenlijk mooi.

Een wasbeer in een dierentuin in Duitsland. Beeld AFP
Een wasbeer in een dierentuin in Duitsland.Beeld AFP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden