Wars van hete lucht

Naam: Ronald Plasterk (1957) Beroep: moleculair bioloog, Nederlands Kankerinstituut Titels: prof. dr. Wegens: intreerede Universiteit van Amsterdam, maandag jongstleden Ook: columnist..

IN HET echte leven zal hij zijn stem - een donker geluid uit een elegante, tengere man - niet snel verheffen. Op papier, wekelijks in Intermediair, kan moleculair bioloog Ronald Plasterk daarentegen formuleren met een moker.

Over ethici bijvoorbeeld, die zich tegen klonen of het gebruik van varkensorganen aanbemoeien en suggereren dat genetici als hijzelf geheime agenda's voeren. Getverdemme, schrijft hij dan, wat een klef zootje oudbakken treurnis. En: wat een slecht opgediende ex-communistische samenzweringstheorietjes. En: wat een ongelofelijke onzin.

Wat er eenmaal staat, in die wekelijkse stukjes van hem, staat er ook, al moet het natuurlijk geen karikatuur worden. Schreef hij niet zelf ooit: filosofen hebben nut, want ze beweren weliswaar flauwekul, maar brengen daarbij tenminste de nonsens van hun voorgangers aan het licht?

Alleen, nóg een keer: wat hebben die denkers aan de universiteit nou eigenlijk extra geleerd, dat ze met meer recht dan anderen kunnen beweren dat het inbouwen van een varkensnier de menselijkheid omlaag haalt? Geldt dat dan niet voor een plastic kunstheup? Of dat een kloon in onze cultuur minder waard is dan het origineel? Hebben ze ooit een biologieboek open gehad?

Die wekelijkse column, grapt hij wel eens, bespaart hem al met al een fikse maagzweer. Want de tegendraadse opinies komen toch wel, met al die pseudo-verstandige hete lucht die er dezer dagen her en der wordt geproduceerd. Soms is eens in de week haast nog te weinig. Reacties formuleren, vroeger op de fiets naar zijn werk en tegenwoordig doorgaans in een uurtje op zondagochtend, is zijn tweede natuur geworden.

Dat komt zo. In 1977 viel het kabinet Den Uyl. Woedend was hij, een linksige student in Leiden, zo woedend dat hij lid werd van de PvdA en uiteindelijk naast zijn promotiebaan, begin jaren tachtig, ook in de gemeenteraad zat. Meningen, het debat, het laadde hem eerder op dan dat het hem afmatte. Tegenwoordig zou hij zijn promovendi het liefst zo'n beetje dag en nacht op het lab zien.

Over het gedachtengoed van die vroege jaren tachtig wordt nu geringschattend gedaan en of hij nu nog zo enthousiast is over de Middenschool-idee, valt inderdaad te bezien. Maar het is dezer dagen wel erg in het tegendeel omgeslagen. We leven, treurt opeens de oud-politicus in hem, in een volstrekt ideeën-arm tijdsgewricht. Wie wil zich nog inzetten bij zulke geringe verschillen van inzicht? Hij stemt nog, maar daarmee is het ook wel op.

Veertig is hij nu, alweer vijf jaar deeltijd-hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam geweest, en sinds kort bij de Universiteit van Amsterdam, aanvoerder van zo'n vijftien onderzoekers, lid van adviesorganen, een veel geciteerd auteur. De laatste jaren, zowaar, begint hij dat jongensachtige aan hem een beetje te verliezen. Niet meer altijd dat gevoel, de jongste aan tafel te zijn, in de vakgroep, op het instituut, de conferentie, of dat nou waar was of niet.

Wat bleef, is niet alleen die wat schuchtere, iets naar links afgewende glimlach van hem, maar ook de aandrang als het even kan de slimste te zijn. Dat dat hard werken is, vindt hij geen punt, dat was vroeger op school al zo.

Alles beter dan vaststellen dat je even niet weet waar je eigen promovendi het over hebben. Alles beter dan beseffen dat je bij het vorige colloquium met je hoofd er niet bij was, omdat commissiewerk en projectfinanciering je opslokten. Management, het zuigt aan hem zoals vroeger de politiek dat kon doen.

Er wordt aan hem getrokken. Begrijpelijk. De samenleving heeft je een hoop ruimte gegeven om je ergens in te verdiepen, te reizen, indrukken op te doen, inzichten te vergaren. Dan mogen ze ook een visie verwachten. Noem het dus maar klassiek intellectueel plichtsbesef plus, jawel, ijdelheid.

Wat echter niet aan hem is besteed: de ouder wordende hoogleraar die de details uit het oog verliest en zich alleen nog op hoofdlijnen met het onderzoek inlaat. Hij kent ze van de televisie: senior-researchers die wel even uitleggen hoe het zit, terwijl je de echte onderzoekers op de gang hoort knarsetanden.

Zomin als een pianist zich dat kan veroorloven, kan een onderzoeker dat. Wetenschap is een creatief beroep. Toonladders moeten er gespeeld, dag in dag uit. Gewoon in het lab. Anders hoort je naam niet meer boven de publicaties.

Hij moet ervoor oppassen, denkt hij de laatste tijd wel eens, voor te veel afgeleid werk. En voor de eeuwige neiging meer en meer aan te roeren. Er huist een wetenschappelijke onmivoor in hem. Sommige mensen roesten vast in één smal spoortje. Hij schiet, als hij niet uitkijkt, gretig alle kanten op.

Als student biologie, een plaatsing geneeskunde liet hij varen, een eerder plan om Nederlands te gaan doen eveneens, had hij zo ongeveer als enige van zijn jaar een rijbewijs. Dus reed hij in het geleende Volkswagenbusje zijn dispuutgenoten geregeld de polder in, hartje winter, door de beslagen ruiten spiedend naar eidereend en rotgans of hoe heet dat spul allemaal.

Toch was hij, toen al, meer de man van de genen. Het idee dat er een kleinste hoeveelheid informatie in de cel bestaat, die alles over een organisme zegt, ook over de mens, drijft hem al die jaren later nog steeds. Het besef: dit is alles, er bestaan geen spoken, dat blijft het echte wonder, verwaterde katholieke opvoeding of niet. Bach zingen, de Mathäus, is al wat daarvan nog over is. En is dat feitelijk niet Luthers?

Niet dat hij iets tegen veldbiologen heeft, helemaal niet, aardige lui. Maar het is hem wat al te benauwd om met grote laarzen door de vette klei te stappen en te roepen dat de natuur zo lekker fris ruikt. Doorgronden, écht begrijpen, voegt iets toe en haalt er niets vanaf dan wat misplaatste verheerlijking. Mens en chimp schelen genetisch anderhalf procent. Minder dan een chimpansee en een orang oetang onderling. Ontluisterend? Hij zou niet weten waarom.

Als promovendus beschreef hij in de jaren tachtig als eerste hoe bepaalde virussen soms hun DNA van voor naar achter aflezen en in andere gevallen van achter naar voor, afhankelijk van hun gastheer. Prachtig, efficiënt mechanisme. Hij had het, in alle onbescheidenheid, haast zelf kunnen verzinnen.

En mooie proeven, ook. Ochtenden dat je het lab binnenrende, de glazen petrischaaltjes uit de stoof rukte en vaststelde dat het gebruikte eiwit de wisseltruc inderdaad had volvoerd. De momenten waarvoor je als onderzoeker een arm geeft, zijn dat.

De petrischaaltjes zijn gebleven, de ééncelligen zijn alweer een decennium 959-celligen geworden: het minuscule wormpje C. elegans. Van dat beest is alles bekend wat er maar te weten is. Van de eerste tot de laatste celdeling zijn ontwikkeling. Het volledige zenuwstelsel. Gendefecten. Boeken vol.

Eind dit jaar komt daar de volledige kaart van het DNA nog bij, de eerste van een meercellige. Nog niks vergeleken met de drie miljard baseparen in het menselijke genoom, natuurlijk. Maar verbazingwekkend genoeg zijn heel wat ziektegenen, zoals kankergenen, in mens en worm vrijwel gelijk. Ziedaar de context, ziedaar het belang van zijn werk.

Plasterk levert topwerk, menen zijn vakgenoten. Hij zal het niet tegenspreken. Kwaliteit trekt talent, dat vaak zelfs zijn eigen financiering meebrengt. Het enige probleem is feitelijk de huisvesting. De brandweer vindt zes man op een kamer wat veel. En denken vergt misschien ook wat meer ruimte.

Echte toponderzoekers maken zich niet druk om competitie. Naijver, dat is iets voor de subtop. En hoewel hij blij is dat Den Haag de laatste jaren de verstarde academische wereld begint open te breken, moet kwaliteit nu ook weer niet een nieuw ritueel creëren. Laatst kreeg hij een formulier van onderzoeksfinancier NWO. Which center in the world are you trying to compete with, luidde een vraag.

Bijna had hij geschreven: Rembrandt deed ook geen wedstrijd, die schilderde gewoon en we weten allemaal wat daarvan terecht is gekomen. Toch maar niet gedaan. Maar er is natuurlijk geen hond die daar Leuven invult, laten we wel wezen. Harvard is het juiste antwoord. Dus werd het Harvard.

Na zijn promotie werkte hij destijds als post doc in Californië en hij had er gemakkelijk kunnen blijven. Maar er lagen vergelijkbare kansen in Nederland bij het Kankerinstituut en doe hem in zo'n geval dan toch maar deze merkwaardige natie van Ard Schenk en Kees Verkerk. Dat is een kwestie van geworteldheid. Voor baseball heroes is hij nu eenmaal ooit in het verkeerde land groot geworden.

De verkeerde stad, zelfs. Den Haag, 1957. Je hoort het nog steeds vagelijk aan hem, ja. De Haag.

Martijn van Calmthout

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden