Warmer klimaat komt er, maar minder snel

De top in Denver en de VN-bijeenkomst deze week in New York hebben het klimaatprobleem weer bovenaan de agenda gezet....

NATUURLIJKE klimaatschommelingen, die te maken hebben met veranderingen in de baan van de aarde, worden gekenmerkt door afwisselingen tussen ijstijden en betrekkelijk warme, interglaciale periodes van steeds zo'n 100.000 jaar.

In de interglaciale periode waarin wij ons momenteel bevinden, was het 6.000 jaar geleden op zijn warmst. Sindsdien is de aarde langzaam en met tussenpozen steeds kouder geworden, met een koude-piek in de 'Kleine IJstijd', tussen 1600 en 1850.

Soms lag er in die periode zo'n dikke laag ijs op de Theems dat er ijsfeesten op de rivier konden worden gehouden. Ten tijde van de Amerikaanse revolutie sleepten soldaten kanonnen over het ijs tussen Manhattan en Staten Island. Maar al sinds het begin van de Industriële Revolutie zet de afkoeling niet verder meer door.

De aarde is sinds 1850 gemiddeld ongeveer 1 graad Fahrenheit warmer geworden. De opwarming ging het snelst na het midden van de jaren zestig van deze eeuw.

In 1988 verklaarde ik tegenover de Amerikaanse Senaat dat ik er 99 procent zeker van was dat de aarde zich in een periode van opwarming bevond, en dat ik er vrij zeker van was dat die opwarming een gevolg was van niet-natuurlijke gassen.

Deze broeikasgassen, voornamelijk kooldioxide dat vrijkomt bij het verbranden van fossiele brandstoffen, verwarmen het oppervlak van de aarde doordat ze de hittestraling die de grond afgeeft opnemen; ze fungeren dus als een soort deken.

Ik wist dat onder andere zo zeker door de overeenstemming tussen computersimulaties van het klimaat en gewone klimaatwaarnemingen, maar vooral door het empirische bewijs voor de manier waarop het klimaat in vroegere periodes ten gevolge van broeikasgassen was veranderd. De sinds 1988 verzamelde bewijzen onderstrepen deze conclusies. Het mondiale temperatuurrecord werd gebroken in 1990, het warmste jaar sinds de metingen met apparatuur 125 jaar geleden begonnen.

Toen in 1991, bij de grootste vulkaanuitbarsting van de eeuw - van de Pinatubo op de Filippijnen - miljoenen tonnen aerosols (heel kleine deeltjes) de stratosfeer ingeblazen werden, gebruikte men een klimaatmodel dat ook was ingezet voor het voorspellen van het broeikaseffect, om het effect van de vulkanische aerosols te simuleren.

Het model voorspelde een mondiale afkoelingsperiode van drie jaar, met een piek van bijna 1 graad Fahrenheit afkoeling een jaar na de uitbarsting. Daaropvolgende observaties kwamen nauw overeen met deze computervoorspellingen, en gaven ons steeds meer het gevoel te weten hoe het klimaat verandert.

Mondiale satellietwaarnemingen bevestigen dat broeikasgassen leiden tot klimaatveranderingen. De conclusie is dat het klimaat zal opwarmen als reactie op de toename van de kooldioxide rond de aarde.

Negen jaar geleden verklaarde ik ook dat de opwarming door het broeikaseffect geringer was dan de lokale klimaatvariabiliteit. Dat klopt, maar het broeikaseffect verandert de toevalskansen. Ik stelde dat de kans op een ongewoon warm seizoen, die tussen 1951 en 1980 30 procent bedroeg, in de jaren negentig twee maal zo groot zou zijn.

Tot nu toe laten de gegevens zien dat we, ondanks de door de Pinatubo veroorzaakte afkoeling, nu al op 50 procent ongewoon warme seizoenen zitten. Ons model voorspelt dat de rest van de jaren negentig zelfs nog warmer zullen zijn, en dat er de komende drie jaar een nieuw wereldwijd temperatuurrecord zal worden gevestigd.

Opwarming van de aarde door het broeikaseffect veroorzaakt meer verdamping, en dus meer zware regenval en overstromingen. Maar aan de andere kant maakt het de droge periodes nog intenser, zodat de droogtes nog droger en de bosbranden nog feller worden.

Precieze lange-termijngegevens zijn beperkt, maar de voorspellingen worden gestaafd door veranderingen die in de VS zijn waargenomen. Zo is de hoeveelheid neerslag in extreme situaties (regenval van meer dan vijf centimeter per dag) deze eeuw met 20 procent toegenomen, en lijken de overstromingen en droogtes, die tot nu toe eens in de honderd jaar voorkwamen, veel vaker voor te komen.

Dat neemt niet weg dat specifieke regionale klimaatschommelingen niet aan het broeikaseffect toe te schrijven zijn. Deze frustrerende situatie is het gevolg van de per definitie onvoorspelbare aard van de klimaatvariabiliteit, en uiteindelijk van het onzekerheidsprincipe uit de moderne fysica.

De gevolgen van het broeikaseffect zijn, tot nu toe althans, wisselend. Zo zijn klimaatveranderingen in Australië verantwoordelijk voor een groei van de tarwe-opbrengst van 15 tot 20 procent, en zouden noordelijker streken, zoals Canada en Siberië, kunnen profiteren van een lichte opwarming en toename van de neerslag.

Maar mens, dier en plant zijn aangepast aan het klimaat dat al duizenden jaren bestaat, en dus zullen snelle klimaatveranderingen per saldo een negatief effect hebben. Enige antropogene klimaatverandering is onvermijdelijk, en vindt bovendien al plaats. Het is echter wenselijk de veranderingen op beperkte schaal en in een bescheiden tempo te laten plaatsvinden.

Ik ben optimistisch over de kansen om dit 'grote geofysische experiment', zoals Roger Revelle het noemde, af te remmen en de gevolgen ervan tot een minimum te beperken. De afgelopen 18 jaar, waarin heel precies met satellieten kon worden gemeten, is de klimaatbeïnvloeding door antropogene broeikasgassen slechts met ongeveer een halve watt per vierkante meter toegenomen (een watt is het vermogen van een kerstboomlampje).

De totale opwarming door onnatuurlijke broeikasgassen die zich sinds de Industriële Revolutie in de atmosfeer hebben verzameld, bedraagt nu 2,5 watt per vierkante meter; dat staat gelijk aan een toename van de helderheid van de zon met 1 procent.

Deze totale door mensenhand veroorzaakte klimaatbeïnvloeding is fors, maar het tempo is maar ongeveer de helft van wat in de jaren tachtig in de meest sombere modelsimulaties werd voorspeld, namelijk een kooldioxidegroei van 1 procent per jaar.

Deze afremming is gedeeltelijk te danken aan de mens (het gebruik van CFK's is een halt toegeroepen uit zorg om de afbraak van de ozonlaag) en gedeeltijk een raadsel (het groeitempo van methaan is op mysterieuze wijze gehalveerd en kooldioxide is in rap tempo door onbekende 'zinkputten' op aarde, waarschijnlijk bossen of de aardbodem, opgenomen).

Ik denk dat we er verstandig aan doen om het tempo waarin het broeikasgas toeneemt verder terug te dringen. Ondertussen moeten we nog meer inzicht proberen te krijgen in het verschijnsel klimaatverandering. Tot nu toe hebben we nog maar voor de helft last gehad van de gassen die we in de atmosfeer hebben gebracht, omdat het grote warmte-absorberend vermogen van de oceaan de reactie op veranderingen in de samenstelling van de atmosfeer vertraagt.

En dus zal het klimaat de komende decennia blijven 'opwarmen', zullen de gletsjers nog verder afsmelten en zal de zeespiegel stijgen.

James Hansen is directeur van het NASA Goddard Institute for Space Studies in New York en hoogleraar in de geologische wetenschappen aan de Columbia Universiteit.

Vertaling: José van Zuijlen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden