Warme band tussen ruziënde zussen

Schandalig vond de PvdA de reserves van haar Duitse zusterpartij tegenover de NAVO en weerzinwekkend de steun in de SPD voor het ontslag van te links bevonden ambtenaren....

Koos Vorrink, vanaf 1946 voorzitter van de Partij van de Arbeid, betitelde in de herfst van 1951 zijn SPD-collega Kurt Schumacher als ‘een ongeluk voor Duitsland’. Smalend voegde hij eraan toe dat ‘het Duitse nationalisme er voor het buitenland niet sympathieker op wordt wanneer een socialist als dr. Schumacher er de meest vooraanstaande representant van is’. Met zulke geestverwanten heb je geen politieke tegenstanders meer nodig. Inderdaad kon de PvdA het een tijd lang beter vinden met de christen-democratische bondskanselier Konrad Adenauer dan met de eigen zusterpartij.

Hoe was het in de relatie tussen Duitse en Nederlandse socialisten tot dit dieptepunt gekomen? Immers vanaf de oprichting van de SDAP eind negentiende eeuw was de machtige Duitse sociaal-democratie het grote voorbeeld geweest. Bewonderend keken de Nederlanders vanuit hun agrarisch-ambachtelijke door godsdienstige scheidslijnen getekende samenleving naar de vuist die de goed georganiseerde Duitse partijvrienden konden maken, naar hun grote aanhang onder de arbeiders. Zo sterk was de neiging tot navolging aanvankelijk dat August Bebel, boegbeeld van de Duitse socialisten, de Hollandse Genossen aanspoorde om toch vooral hun eigen weg te gaan.

De eerste diepe scheur in dit meester/leerling patroon ontstond door de machtsgreep van Hitler waarna de SPD zich zonder noemenswaardig verzet aan de kant liet schuiven en werd verboden. De bezetting van Nederland was niet bevorderlijk voor het aanzien van de Duitsers – ook als ze geen nazi waren. Toch zette de PvdA zich in de geest van de internationalistische traditie al snel na de bevrijding in voor het weer opnemen van de herrezen SPD in de socialistische familie. Behulpzaam bij het te boven komen van de gegroeide vervreemding was voorts dat enkele kopstukken van de twee partijen – SPD-vice-voorzitter Ollenhauer en de eerder genoemde Vorrink – elkaar nog kenden uit de vooroorlogse jeugdbeweging. Desondanks liepen de spanningen tussen de twee zusterpartijen binnen korte tijd hoog op. De Duitse politicoloog en Nederland-kenner Marc Drögemöller schetst in Zwei Schwestern in Europa een levendig beeld van de ups en downs in de relatie tussen PvdA en SPD tussen 1945 en 1990, het jaar van de Duitse hereniging. Zijn boek is een mooie beschrijving van de politieke twisten tussen de twee partijen en laat tegelijk het achterliggende patroon zien.

De Koude Oorlog vormde de aanleiding tot de eerste grote ruzies. De PvdA, die voor het eerst in haar geschiedenis langdurig meeregeerde en zelfs de premier voor de rooms-rode coalitie mocht leveren, de legendarische Willem Drees, was een geestdriftig voorstander van de Atlantische en (West)Europese samenwerking. In dit westerse blok had het strategisch gelegen Duitsland een belangrijke rol te vervullen. Maar in Duitsland was het niet de SPD, maar de CDU van Adenauer die haar kaarten zette op de Westintegration. De kanselier hoopte door een ‘politiek van kracht’ Rusland ertoe te pressen om Oost-Duitsland los te laten en zo de Duitse eenheid mogelijk te maken.

De Duitse sociaal-democraten keken hier heel anders tegenaan. Zij geloofden dat ze alleen door afstand te houden van de beide machtsblokken de Russen ervan konden overtuigen dat er van een verenigd Duitsland geen gevaar uitging. Om die reden was de SPD destijds fel tegen Duitse herbewapening en tegen toetreding van de Bondsrepubliek tot de NAVO. Dat leverde haar furieuze verwijten van de PvdA op. Vooral de secretaris buitenland van de PvdA, Alfred Mozer, zelf van Duitse afkomst – hij was in de jaren dertig naar Nederland gevlucht – liet geen gelegenheid onbenut om de Duitse partijvrienden op hoge toon de les te lezen.

De getergde SPD verklaarde Mozer tot persona non grata en liet verstek gaan op bijeenkomsten met de PvdA. Ook andere PvdAers waren niet zuinig met kritiek. Zo noemde Jacques de Kadt het verzet van de SPD tegen de Duitse herbewapening ‘schandalig’.

Bij het beschrijven van deze episode maakt Drögemöller één interpretatiefout. Hij veronderstelt dat de PvdA vóór herstel van de Duitse eenheid was en net als Adenauer geloofde dat die door incorporatie van de Bondsrepubliek in het Westen kon worden bereikt. Het is echter veel waarschijnlijker dat de PvdA, evenals de Nederlandse politiek als geheel, juist hoopte twee vliegen in één klap te slaan: West-Duitse integratie in het westers blok én het in stand houden van de Duitse deling om te voorkomen dat Europa opnieuw zou worden gedomineerd door een machtig Duitsland. Drögemöller kent vermoedelijk niet de populaire zegswijze die deze gedachte bondig uitdrukt: ‘De NAVO is er om de Amerikanen erbij te houden, de Russen erbuiten en de Duitsers eronder.’

Halverwege de jaren vijftig trokken de donderwolken boven de hoofden van PvdA en SPD langzaam op. Tijdens een ontmoeting in Bonn beloofden de partijen elkaars standpunt voortaan te respecteren. De PvdA zag af van haar pogingen de SPD tot haar pro-Atlantische opvattingen te bekeren. De onenigheid bleef, maar de verhouding ontdooide. Bij de begrafenis van Koos Vorrink in 1959 hield Ollenhauer een alom als ontroerend geprezen rede. Maar toen was de SPD ook al begonnen op te schuiven in de richting van de PvdA.

In het zogeheten Godesberger programma nam de SPD definitief afscheid van marxisme en klassenstrijd. Net als de PvdA al veel eerder bestempelde nu ook de SPD zich als een volkspartij, open voor alle lagen uit de bevolking en uitgaand van morele waarden (Grundwerte) als solidariteit. Ook haar voor de PvdA zo aanstootgevende denkbeelden op het terrein van de buitenlandse politiek stelde de SPD vervolgens bij. Voortaan waren ook voor de SPD de Atlantische en Europese samenwerking hoeksteen van haar beleid. De ingrijpende koerswijziging was ingegeven door de uitzichtloze oppositierol waarin de SPD terecht was gekomen.

Drögemöller wijst er terecht op dat het voorbeeld van de wel regerende, veel pragmatischere en ‘rechtsere’ PvdA zeker, zij het met vertraging, een rol heeft gespeeld bij de ingrijpende heroriëntatie van de Duitse zusterpartij.

De pais en vree tussen de twee zusters was echter niet blijvend. Opnieuw was het de PvdA die de knuppel in het hoenderhok gooide, maar dit keer van een heel andere kant. Gedurende de jaren zestig ging Nieuw Links een steeds belangrijker rol in de PvdA spelen en zocht die partij, onder aanvoering van Joop den Uyl, toenadering tot buitenparlementaire actiegroepen. De PvdA zat inmiddels, met een kortstondige uitzondering – het kabinet-Cals – al weer heel wat jaartjes in de oppositie. De SPD was daarentegen net aan de oppositie ontsnapt en kreeg in 1969 zelfs haar eerste bondskanselier, Willy Brandt. Brandt en Den Uyl konden goed met elkaar overweg, evenals later Helmut Schmidt en Max van der Stoel. (Schmidt en Den Uyl lagen elkaar helemaal niet).

Met haar Ostpolitik en haar democratisch engagement (‘mehr Demokratie wagen’) vertoonde de regering-Brandt een hervormingsgezind elan, vergelijkbaar met het kabinet-Den Uyl (‘eerlijk delen van inkomen, kennis en macht’). Brandt was ook in Nederland en bij de PvdA populair.

Toch waren er hoogoplopende ruzies, waarbij de PvdA de SPD nu steevast vanuit de linkerhoek attaqueerde. Een van de pijnpunten was de volkenrechtelijke erkenning van de DDR waarvoor de PvdA zich op instigatie van Nieuw Links had uitgesproken. De SPD, die onder Brandt druk bezig was de relatie met de DDR te verbeteren, maar daarvoor in ruil meer rechten voor de Oostduitsers wilde, voelde zich door de PvdA in de rug aangevallen. Uiteindelijk kwam de Nederlandse erkenning van de Oostduitse staat er in 1973 in overleg met Brandt.

Heftiger verliepen de conflicten rond de zogeheten beroepsverboden. Die werden uitgesproken op grond van een door de regering-Brandt genomen besluit dat inhield dat overheidsdienaren, van ambtenaar op Defensie tot en met postbode, niet vijandig tegenover de grondwet mochten staan. Verfassungsfeinde werden op staande voet ontslagen. De verontwaardiging bij de PvdA kwam tot uiting in een comité tegen beroepsverboden en in het leggen van contacten met SPDers die ook bezwaar tegen dit ‘radicalen-decreet’ hadden. Onder hen was de latere bondskanselier, destijds voorzitter van Junge Sozalisten, Gerhard Schröder, die na een bezoek aan Amsterdam de tolerante mentaliteit van de Nederlandse partijvrienden uitbundig loofde. Joop den Uyl, nooit te beroerd om in het hol van de leeuw luid van zich te doen horen, keerde zich op een bijeenkomst met de SPD-top in Bad Münstereifel fel tegen het ‘gesnuffel aan andermans overtuiging’, en verklaarde: ‘ik verheel niet dat ik het begrip ‘trouw aan de grondwet’ weerzinwekkend vind’. Die duidelijk gecommuniceerde afkeer van de PvdA was een van de redenen dat de SPD ten slotte afstand nam van de praktijk van de beroepsverboden.

De laatste grote botsing tussen SPD en PvdA vond eind jaren zeventig, begin jaren tachtig plaats en betrof het NAVO-besluit over (eventuele) plaatsing van Pershings en kruisraketten in West-Europa. Helmut Schmidt, die zich zorgen maakte over het militaire evenwicht in Europa, had als kanselier op zo’n besluit aangedrongen, en hoewel lang niet iedereen in de SPD gelukkig was met een dreigende nieuwe bewapeningsronde, bleef de partij haar kanselier zolang hij aan het bewind was trouw.

De PvdA daarentegen voerde samen met het Interkerkelijk Vredesberaad het protest tegen plaatsing van kruisraketten in Nederland aan. Weer leidde dat tot flinke spanningen en weer was het de linkervleugel in de SPD die zich bij haar verzet tegen de officiële partijkoers beriep op de PvdA. Het conflict kwam tot een eind, toen de SPD zich na de periode-Schmidt ook tegen de nieuwe raketten keerde.

Of de PvdA zich nu vanuit een ‘rechtse’ (jaren vijftig) of een ‘linkse’ (jaren zestig, zeventig en begin tachtig) invalshoek tegen de SPD-koers wendde, het patroon vertoont opvallende gelijkenissen. Telkens waren het de Nederlandse sociaal-democraten die een grote zendingsdrang aan de dag legden en desnoods buiten de officiële kanalen om aanhang in de Duitse zusterpartij probeerden te mobiliseren. Elke keer riep dit bij de SPD-leiding nervositeit en weerstand op en kwam het na enige tijd tot een halve verzoening, een agreement to disagree.

Pikant is het door Drögemöller aangetoonde feit dat de standpunten die de PvdA vertolkte wel degelijk doorwerkten in het denken van de geestverwanten in het buurland en zelfs na verloop van tijd bijna steeds werden overgenomen. De SPD hechtte er belang aan de PvdA aan haar zijde te hebben. Beide partijen konden binnen het Europese kader elkaars steun goed gebruiken en waar mogelijk probeerde ze de Duitse en Nederlandse regeringen op één lijn te krijgen. De spanningen en ruzies betekenden niet dat een van de twee partijen de ander ooit definitief afschreef. Hoewel de SPD een groter land vertegenwoordigt, was ze niet vanzelfsprekend dominant. De PvdA gedroeg zich assertief en had invloed.

Of dat zo blijft, is de vraag. Het Europese speelveld is sinds het einde van de Koude Oorlog en de Duitse eenwording sterk veranderd. De Duitse regering is naar Berlijn verhuisd en kijkt meer naar het oosten. In Nederland is de euroscepsis enorm toegenomen. De voorwoorden die Kurt Beck (geen partijvoorzitter meer) en Wouter Bos bij Drögemöllers boeiende proefschrift schreven zijn vriendelijk maar nietszeggend. Het ziet er even niet naar uit dat de twee zusters een gemeenschappelijk of zelfs maar een conflicterend program voor hun toekomst in Europa hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden