Warenhuis Oldenburg

Zijn kunst vermengt zich met de rotzooi van alledag, schreef hij vijftig jaar geleden. In Keulen blijkt dat Claes Oldenburg (83) niet veroudert.

Af en toe zie ik er een voorbijkomen. En na het lezen van dit stuk (her)kent u het ook: een Claes-Oldenburgje.


Een Claes-Oldenburgje, dat is bijvoorbeeld: een appel van een fruitschaal pakken en voelen dat-ie van plastic is. Voor kinderen: iets opschrijven met zo'n lange slappe spaghettisliert-pen. 's Winters: zien hoe een dik pak sneeuw je fiets in een wollig neprijwiel heeft veranderd.


Dan, als de dingen zich anders voordoen en gedragen dan je verwacht; als de spullen om je heen hun vertrouwde vorm hebben verloren; als je zintuigen je iets anders vertellen dan je verstand; dan is het alsof kunstenaar Claes Oldenburg, inmiddels 83 jaar oud, zijn lange vinger de lucht in priemt en een van de zinnen uit zijn vijftig jaar oude manifest citeert: 'Ik ben voor kunst die zich vermengt met de rotzooi van alledag en er bovenop weer uitkomt.'


In museum Ludwig in Keulen opende vorige week het grootste overzicht tot nu toe over de vroege jaren van de koning van de Amerikaanse pop-art Claes Oldenburg, een Zweedse diplomatenzoon die opgroeide in New York, Stockholm en Chicago. Hij zwoer de schilderkunst af en gaf met zijn beelden van taarten, ventilators en badkuipen aan Amerika zijn eigen versie van een nieuwe Engelse kunstvorm. Pop-art, de kunst van de populaire cultuur. Andy Warhol werd het Amerikaanse icoon, maar Oldenburg legde de basis.


Al zijn belangrijke werken uit de jaren zestig staan op deze omvangrijke tentoonstelling, die zich door het museum Ludwig uitstrekt als een lange straat van opeenvolgende zalen. Van de kartonnen auto's, uithangborden en papieren prostituees uit zijn eerste installatie The Street (1960) tot de schetsontwerpen voor zijn monumenten in de openbare ruimte uit het begin van de jaren zeventig: de opgeblazen lipstick, de wasknijper en de teddybeer formaat XXL bedoeld voor Central Park.


Van dat laatste kent Nederland hem vooral. De op reuzenschaal uitgevoerde gebogen schroef (bij museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam), de grote blauwe troffel die in de grond steekt (Kröller-Müller Museum, Otterlo) en het kegelspel voor giganten (Eindhoven). Samen met zijn tweede (Nederlandse) echtgenote Coosje van Bruggen maakte Oldenburg in de jaren zeventig en tachtig wereldwijd veertig van dit soort werken in de openbare ruimte. Oldenburg, dat is die van de schaalvergroting.


Indrukwekkend? Voorspelbaar uiteindelijk. Niet in de laatste plaats doordat anderen het ook deden. Vorig jaar nog werd de enorme drol Stationnement Gênant van Wim T. Schippers in de tuin van villa VPRO Hilversum neergelegd. Nog een giga-uitwerpsel, maar dan opblaasbaar, kennen we van Paul McCarthy, in 2009 in Utrecht met een hele collectie enorme opblaas-sculpturen. Jeff Koons natuurlijk, met zijn uitvergrote kerstbal, een hondje, ballonnen en locomotief. Allemaal zijn ze schatplichtig aan Oldenburg.


Misschien dat kunstenaar Erwin Wurm hem nog het meest origineel interpreteerde. In 2004 maakte de Oostenrijker een sculptuur van een rode Porsche die eigenlijk niet eens zo veel te groot was, als wel veel te dík: Fat Convertible.


Maar is dat alles wat Claes Oldenburg is? Groot, groter, grootst? Na een bezoek aan Keulen weet je beter. En kom je tot twee leuke ontdekkingen.


Ontdekking 1

Claes Oldenburg was eigenlijk een archeoloog. Een grondige, gretige en humoristische onderzoeker, niet van het verleden maar van zijn eigen tijd. En dat was een belangrijke tijd. Aan het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig veranderde de burger wereldwijd in een consument en hij zou die positie niet meer kwijtraken. Claes Oldenburg heeft niets met de behaagzieke schilderkunst van zijn tijd (het abstract-expressionisme was op zijn retour) en wil dat zijn kunst over het echte leven gaat. Samenvalt met de wereld en de eigen tijd. Die bestudeert hij niet aan de hand van personages of het nieuws, nee, hij onderzoekt de voortbrengselen, de artefacten. Alsof hij ze oppakt voor ze in de grond verdwenen zijn en probeert te duiden.


Eerst onderzoekt hij de functie en het gebruik van de spullen. Aan het begin van de expositie zijn films (en foto's in de catalogus) van 'happenings' die Claes Oldenburg begin jaren zestig uitvoerde met zijn theatergroep. Die chaotische, langdurende performances 'gaan meer over de voorwerpen dan over de gebeurtenissen', verklaart de kunstenaar. Zo verzinkt een man in gebed voordat hij vol lust een handschoen het hof gaat maken. Een vrouw hakt groente tot ze erbij flauwvalt. Mensen duwen aluminiumfolie op hun gezicht tot starre maskers. En een vrouw kruipt in een stoffen worst terwijl de vloer met afval volgegooid wordt. 'Object-verafgoding, zo zie ik het', zegt de kunstenaar.


De voorstellingen vloeien voort uit zijn expositie The Store (zie inzet) en vinden plaats tussen de kunstwerken in de vorm van ijsjes, hamburgers, een kassa of een kostuum. Het publiek op de foto's is - dank aan Mad Men- goed te plaatsen: de mannen in hun kantoorpakken, de vrouwen met balconnet-decolletés en vlinderbrillen. Het zijn de bewoners van een bijna hysterisch optimistisch, booming Amerika waarin de auto's groter worden, de gazons strakker en de Tupperware-party's een bevrijding voor de huisvrouw. Dat er ook een Vietnamoorlog gaande is, de Cubacrisis de wereld de adem doet inhouden of dat president Kennedy wordt vermoord in die jaren zien we niet bij Oldenburg. Hij legt exclusief het vergrootglas op de wereld direct om hem heen.


Tweede stap in Oldenburgs onderzoek is het rubriceren. Door de jaren heen legt de kunstenaar een typologie van voorwerpen aan - en daar horen natuurlijk ook de uitzonderingen bij. Op straat fotografeert hij een afgedankte fauteuil, was aan een waslijn of een verloren, gedeukt autoportier. Het moment dat voorwerpen een ander, eigen leven lijken te leiden (een Claes-Oldenburgje).


Hij verzamelt advertenties - de expositie toont een zeldzaam deel van zijn knipselarchief - en sorteert ze. Producten worden opengesneden (taarten, worst, sigarettenfilters) of uitgestort (chips, frites, gehakt) om zo de potentiële koper te verleiden. Erotiek is daarbij de sleutel. De belofte tot seks is in een goede advertentie nooit ver weg. Of het nu een rechtopstaande staafmixer of een damesschoen is die de zoom van een herenpantalon optilt: we weten wat de bedoeling is.


In Oldenburgs 'theater van voorwerpen' wordt het dan tijd voor een volgend stadium: variatie. Halverwege de jaren zestig maakt hij verschillende versies van onder meer toiletpotten, stekkerdozen en wastafels. De Ghost-versies zijn van bleek beschilderd linnen gemaakt en hangen slap aan een haak, de Soft-versies zijn net zo slap maar van obsceen glimmend latex. En de kartonnen 'Hard'-versies staan als te dunne modellen kwetsbaar te zijn. Eén waterplens in zo'n kartonnen bad en het is afgelopen.


Handelingen met objecten, typologie van objecten, variatie in objecten. Oldenburg doet het allemaal stap voor stap. En dan: het conserveren. De troef in Keulen is het 'Mouse Museum' dat Oldenburg in 1972 voor de Documenta 5 maakte. Hij verzamelt vanaf het einde van de jaren vijftig prullaria variërend van minihotdogs op wieltjes tot een asbak in de vorm van een wortel, van een megatandenborstel tot een opblaasbaar been.


Gecombineerd met schaalmodellen van zijn eigen werk zal hij uiteindelijk 385 van de duizenden voorwerpen tentoonstellen in het Mouse Museum, een gebouwtje in de vorm van een gestileerde Mickey Mouse. Het is een scherp commentaar op de achteloosheid waarmee spullen gemaakt en ongezien weer afgedankt worden. Tegelijkertijd is het een heldere duiding van de werking van een museum: alles wordt kunst zodra het uitgestald ligt.


Na dit museum is het klaar, het onderzoek is afgerond. Oldenburg heeft na 1972 genoeg van 'kunst die op zijn kont in het museum zit' en zal alleen nog in de openbare ruimte werken. Op naar de parken en de pleinen.


Ontdekking 2

Claes Oldenburg veroudert niet en kan steeds weer. Pop-art werd snel nostalgie door de belettering, de kleuren, de hele 'look and feel' van de jaren vijftig en zestig. Zo niet (of maar ten dele) de kassa, de badkuip of de lingerie van Oldenburg. Daarvoor heeft hij zijn producten te veel teruggebracht tot modellen, tot oervormen. En juist door hun vreemde nieuwe eigenschappen (te hard, te zacht, te groot, te bleek) ontsnappen ze aan hun tijd, de jaren zestig, en verwijzen naar de worsten en de badkuipen en de bh's die steeds terugkeren. Oldenburg werd eigenlijk een soort indiaan met animistische praktijken. Iemand die leven in de voorwerpen blaast waardoor 'alles met alles in verbinding kan komen te staan' zoals hij het in 2000 nog in een catalogus beschreef. Politiek-erotisch-mystiek, precies zoals hij zich in zijn manifest had voorgenomen.


En dat kan ook vandaag. Misschien juist wel vandaag, nu het crisis is. Ook in Keulen, in Duitsland waar het nog goed gaat maar waar de terrassen aan de Rijn afgelopen vrijdag angstvallig leeg waren. Alleen bevolkt door manshoge reuzenijsjes bij de entrees van de cafés. Het 'consumentenvertrouwen' moet terugkomen, mensen moeten meer kopen, meer spullen willen, de oude vervangen, meer uit eten gaan, de economie aan de gang houden.


Loop als remedie eens een rondje door warenhuis Oldenburg. Die spullen zijn voor de eeuwigheid.


The Store


Waar kon de kunst van de populaire cultuur beter beginnen dan in een winkel? The Store (1961) van Claes Oldenburg, zijn tweede grote verzameling werken na The Street, geldt als de start van de Amerikaanse pop-art. Oldenburg maakte de voorwerpen die lagen uitgestald in de optimistische etalages van de jaren zestig: gebak, lingerie, overhemden, pumps - maar dan van stof of van papier-maché over kippengaas, beschilderd met autolak in lagen die hij niet liet vermengen, zodat het felle rood, helle geel en het smaragdkleurige groen nu nog stralen alsof ze recht uit blik komen. De artikelen leiden hun eigen leven. Hebben bulten en druipsels, hangen slap over de toonbank of lijken te smelten, zoals de kassa. Pas een jaar later zou Andy Warhol zijn iconische Campbell-soepblikkenserie zeefdrukken. Oldenburg richtte de galerie Martha Jackson in als een winkel en veranderde telkens de opstelling. Zo kon de Floor Cone, een enorme ijshoorn, zowel plat op een sokkel liggen als half rechtop tegen de muur geleund staan. Ook nam Oldenburg het beeld mee naar buiten en liet het poseren. Later dat jaar bouwde hij The Store opnieuw op in zijn atelier en liet er zijn performances in uitvoeren.


De koning van de Amerikaanse Pop-Art exposeert in Keulen Na deze tweede halte Keulen reist The Sixties door naar Guggenheim Bilbao, het MoMA en het Walker Art Center. T/m 30 sep., di-zo 10-18u. Catalogus 320 p., €45,-


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden