Waren de Joden maar beter geïntegreerd

Virulent was het antisemitisme in Nederland niet. Toch werden tijdens de bezetting relatief veel Joden weggevoerd. Wat was de oorzaak?

In de geschiedschrijving van Nederland tijdens de Duitse bezetting (1940-1945), hoe verscheiden ook, is één constante: er komen bijna geen Joodse verzetslieden in voor. Joden waren enigszins fatalistische slachtoffers van de grootste volkerenmoord uit de geschiedenis. Volgens de gangbare opvatting lieten zij zich naar de slachtbank voeren, als brave burgers die niet gewoon waren zich aan overheidsrichtlijnen te onttrekken - ook al waren die afkomstig van de Duitse bezetter.


Op die zienswijze is veel af te dingen, stelt de Nederlandse, in Engeland wonende historicus Ben Braber (59) vast in zijn boek This Cannot Happen Here - dat deze week bij Amsterdam University Press verscheen. In de eerste jaren van de bezetting waren de Joodse Nederlanders oververtegenwoordigd in het gewapend verzet en in de illegale pers. Zeker 28 duizend Joden - vermoedelijk meer - hebben geprobeerd zich aan deportatie te onttrekken. Dan heb je het over ruim een kwart van het Joodse volksdeel. Lijdzaamheid kwam zeker voor, net als bij de overige Nederlanders. Maar ze was niet de regel.


Waarom zijn wij dan zo gehecht aan het beeld van Joden die meewerkten aan hun eigen ondergang? Braber durft daarover geen stellige uitspraken te doen omdat hij zich daarmee te ver buiten zijn eigen onderzoeksterrein zou begeven. Maar de beeldvorming heeft ongetwijfeld te maken met de ambtelijke efficiëntie van de Joodse Raad. En mogelijk hebben Nederlanders hun eigen onbehagen over hun passiviteit tijdens de bezetting willen temperen door het fatalisme van hun Joodse landgenoten te benadrukken. Maar dat is speculatie, en daar wil Braber zich verre van houden.


Zijn onderzoeksvraag was een andere: hoe bepalend was de mate waarin Joden wel of niet geïntegreerd waren in de Nederlandse samenleving voor hun houding tijdens de Duitse bezetting? Hoe goed of hoe slecht waren ze in bezettingsjaren toegerust voor de confrontatie met de 'Nieuwe Orde?'


Braber stelde vast dat hun integratie in 1940 verre van voltooid was. Ze waren ondervertegenwoordigd in de politiek en in hoge ambtelijke functies. In confessionele kring werd hun de moord op Jezus nog altijd aangerekend: de jonge Abraham Kuyper - aartsvader van de Antirevolutionaire Partij (ARP) - situeerde hen zelfs buiten de Nederlandse samenleving.


Onder sociaal-democraten en communisten werden Joden vaak met woekerhandel geassocieerd. Zelfs de (Joodse) schrijver Herman Heijermans - een socialist - bediende zich van antisemitische karikaturen. Het hele spraakgebruik was doordesemd van denigrerende uitdrukkingen als 'jodenfooi', jodenlijm', 'jodenstreek' en 'voddejood'. Die gaven weliswaar niet per definitie uitdrukking aan een virulent antisemitisme maar droegen, aldus Braber, zeker bij aan de betrekkelijke afzondering van veel Joden in de Nederlandse samenleving.


Dat politiek antisemitisme hier ongepast was en dat anti-Joods geweld in Nederland - in tegenstelling tot België, Frankrijk en andere Europese landen - vrijwel ontbrak, doet daar niets aan af: Joden hoorden er per saldo niet bij.


Joodse Nederlanders rekenden dit vooral zichzelf aan. Van de ondervonden kilheid ging vooral een aansporing uit om zich nog meer in te spannen voor aansluiting bij de Nederlandse samenleving. Zij vereerden het Huis van Oranje - een liefde die overigens geregeld werd beantwoord - en zij zagen hun sporthelden, zoals bokskampioen Ben Bril, als wegbereiders van verdere integratie. De diensten in de synagoge - die in brede kring te boek stond als een enigszins chaotische en rumoerige 'Jodenkerk' - werden gereglementeerd. Bestaande vooroordelen moesten vooral niet worden gevoed.


Deze houding heeft zeker bijgedragen aan de mentale weerloosheid van veel Nederlandse Joden tijdens de Duitse bezetting. Maar dat in Nederland relatief veel Joden om het leven zijn gebracht - 71 procent, tegenover 44 procent in België en 22 procent in Frankrijk - is daarop niet exclusief terug te voeren. Eerder is het zo sterk bij de werkelijke integratie achterblijven van de wíl om te integreren veel Joden fataal geworden. Ze beschikten veelal niet over de contacten in de Nederlandse samenleving om te kunnen onderduiken toen de deportaties naar de vernietigingskampen begonnen. Wáren ze maar beter geïntegreerd geweest, dan hadden ze hun redding beter kunnen organiseren.


Lodewijk Ernst Visser, van 1939 tot zijn gedwongen ontslag in 1940 president van de Hoge Raad, liet zien dat integratie juist aan de weerbaarheid van de Joden kon bijdragen. Hij was medewerker van het Illegale Parool, hij kon veel hulp voor vervolgingsslachtoffers organiseren, en hij ageerde tegen samenwerking met de bezettingsautoriteiten.


Daarbij botste hij overigens met een andere Joodse notabele, David Cohen, een van de voorzitters van de Joodse Raad. Waaruit maar weer blijkt dat met de verschijning van Brabers studie het laatste woord nog niet is gezegd over de vraag waarom de Holocaust hier zoveel verwoestender was dan in de ons omringende landen.


Oververtegenwoordigd


Dit is het beeld: de Nederlandse Joden waren zo goed geïntegreerd in de gezagsgetrouwe samenleving dat ze het wel uit hun hoofd lieten om iets tegen de Duitsers te ondernemen. De werkelijkheid was anders, zegt historicus Ben Braber. De Joden waren oververtegenwoordigd in het verzet, en ruim een kwart van hen probeerde onder te duiken. Als ze goed zouden zijn geïntegreerd, waren het er nog veel meer geweest.


Ben Braber: This Cannot Happen Here. Amsterdam University Press; 188 pagina's; euro 79,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden