Want dieren zijn precies als mensen DE FABEL GENIET ALS LITERAIR GENRE EEN ONVERWOESTBAAR IMAGO

DE FABEL is een taai genre in de literatuur. Heel oud, en tegelijkertijd heel jong. Een wonderlijk verschijnsel, dat misschien alleen te vergelijken valt met de eeuwige jeugd van het - veel jongere - sonnet....

In encyclopedieën, geleerde werken en nawoorden bij vertalingen laat men nooit na de ouderdom van de fabel te benadrukken, alsof al die eeuwen deze eenvoudige (dieren)verhalen een gewicht moeten geven dat ze van huis uit niet hebben (want het blijven natuurlijk, eeuwenoud of niet, uiterst simpele story's). Dan krijg je van die zinsneden als: 'Vier millennia geleden werden reeds fabels verteld in Mesopotamië. . .', zoals Gert-Jan van Dijk het formuleert in zijn nawoord bij de Aisopos-vertaling van Hein L. van Dolen en Jo Fiedeldij Dop uit 1997.

Wie zoiets leest, zal misschien het inmiddels gevleugelde woord van Theo en Thea te binnen schieten ('alreeds in de Oudheid kende men het snijden van kurk'), maar hij zal moeten beamen dat de lange levensduur het genre bepaald een onverwoestbaar imago heeft gegeven. Niet stuk te krijgen, lijkt het wel, want wie van vierduizend jaar her uit het verre Mesopotamië terugkeert naar het heden, treft letterlijk overal om zich heen sporen van de fabel aan, vaak uiterst lenig aangepast aan de eisen des tijds.

Het mooiste voorbeeld in het jongste verleden was De fabeltjeskrant. Gemodelleerd naar de fabels van Jean de la Fontaine heeft deze tv-serie vanaf 1968 jarenlang jong en oud - 1650 afleveringen lang - aan de beeldbuis gekluisterd. In Het Parool herinnerde John Jansen van Galen er vorig jaar aan, in een serie over rages in de twintigste eeuw, dat 'gezegden, liedjes, spreekwijzen en bijnamen massaal aan de Fabeltjeskrant werden ontleend' en dat men een kwart eeuw later Marc Overmars nog aanduidde met Zoef de Haas.

Met Juffrouw Ooievaar, Truus de Mier, Bor de Wolf, Momfer de Mol, Ed en Willem Bever, en niet te vergeten Meneer de Uil ('want dieren zijn precies als mensen') blies Leen Valkenier, de schrijver van de serie die in 1996 overleed, het genre van de fabel op een ongekende manier nieuw leven in, zo belangrijk dat toen Joop den Uyl premier werd, hij - volgens Jansen van Galen - via de Rijksvoorlichtingsdienst de NOS onder druk zette om het gesprek met de minister-president direct na de Fabeltjeskrant uit te zenden.

Maar ook minder uitgesproken is de fabel nog steeds alomtegenwoordig. Wie van tijd tot tijd in een schrijversbiografie duikt of kennis neemt van auteurs-memoires, stuit regelmatig op sprookjes en fabels (het verschil daartussen is nog niet zo eenvoudig aan te geven) die van invloed zijn geweest op de keuze voor het schrijverschap. Van Gerard Reve weten we dat hij baat heeft gehad bij het advies van zijn psychiater sprookjes te gaan schrijven, maar wie er gevoelig voor is, vindt ook in een tweetal artikelen van V.S. Naipaul over zijn verlangen schrijver te worden, een dergelijke bron.

In The New York Review of Books van 18 februari lezen we dat Naipaul al op zijn elfde schrijver wilde worden, hoewel hij, daar en toen op het verre Trinidad, niets met boeken had. De verantwoorde boeken die hij als scholier geacht werd te lezen, lieten hem koud, maar een dikbladig kinderboek met fabels van Aisopos en een deeltje met sprookjes van Andersen las hij graag.

Kennelijk richt de fabel (en het sprookje) nogal wat aan, als je er op de juiste leeftijd mee te maken krijgt. Dat gaat op voor degenen die ten slotte zelf schrijver worden, maar ook degenen die dat niet geworden zijn, zullen zich bij het woord 'fabel' iets herinneren van een zekere literaire prikkeling en of het meer is dan dat, of volwassenen nog wel eens het verlangen voelen om zich met een fabelbundeltje te vermeien, is natuurlijk niet in zijn algemeenheid te zeggen.

Vermoedelijk is de belangstelling niet groot. Je kunt je weer eens wagen aan De vorstelicke warande der onvernuftighe dieren van Joost van den Vondel, maar alleen om nog meer tot de bevinding te komen dat de grote dichtervorst in deze herdichtingen prosodisch niet op zijn best is, en bovendien dat de tijd dat een groot schrijver zich met zo'n genre inliet, toch wel definitief voorbij is.

Maar is dat wel zo? Is het niet, zoals altijd, vooral een kwestie van vorm? Aanvankelijk denk je met de inhoud van deze fabels geen enkele voeling meer te hebben, totdat je je realiseert dat de naïeve projectie van menselijke karaktereigenaardigheden op bepaalde typen dieren - de slimme vos, de domme ezel, de sluwe rat et cetera - ook in onze tijd verhaaltechnisch gezien haar (poëtische) werk kan blijven doen, en zich kennelijk niet laat ondergraven door het voortschrijden van de (psychologische en ethologische) wetenschap. Bij subtiele wijzigingen immers in het reilen en zeilen van de fauna, zoals door Anton Koolhaas aangebracht in zijn sublieme dierenverhalen, lijkt het feest van de herkenning er alleen maar mooier op te worden.

Vermoedelijk bestaat de fabel alleen voort dankzij het feit dat schrijvers er in hun werk iets mee hebben gedaan. Zo'n oude vorm, fris gezien in de jeugd, biedt houvast als er later eigen werk gemaakt moet worden, zoals we van Koolhaas weten. Van het werk van Koolhaas, Valkenier en anderen lopen tal van lijntjes naar heel anders geaarde auteurs, die niettemin de fabel (soms maar in een enkele passage) gebruiken, zoals in de pas verschenen mooie verhalenbundel Zondagskinderen van Maria Stahlie, of in een derderangs pornoromannetje als Venus in India van Charles Devereaux weer te zien valt.

De laatste schrijft in het zinderend-erotische verhaal over een Britse casanova in India: 'De mens is een eigenaardig dier. Net als de vos die de druiven die hem te hoog hingen, niet hebben wou, omdat ze, naar hij zei, hem te zuur waren, zo probeert ook de mens een redelijk klinkende uitvlucht te verzinnen voor het opgeven van zijn streven naar iets, waarvan hij weet dat hij het toch niet kan bereiken.'

Wat hier in een ronduit geile setting je als een parel van wijsheid tegemoet glanst, is niet minder dan een klassieke fabel van Aisopos, door Hein van Dolen en Jo Fiedeldij Dop als volgt vertaald: 'Een hongerige vos zag eens druiventrossen aan een wijnstok hangen die hij wilde bemachtigen. Maar hij kon er niet bij, zodat hij maar afdroop en tegen zichzelf zei: 'Och, ze zijn toch nog zuur.' ' Waarna 'de moraal van het verhaal' als volgt wordt samengevat: 'De druiven zijn zuur.'

Bij de Latijnse dichter met de Griekse naam Phaedrus kreeg de fabel deze inkleding:

Een hongerige wolf sprong eens uit alle macht

naar een tros druiven; die hing hoger dan hij dacht

Toen hij er dus niet bij kon, liep hij weg en zei:

'Ze zijn onrijp; die wil ik niet, te wrang voor mij.'

De fabel is van toepassing op elke man

die alles naar beneden haalt wat hij niet kan.

En de oude Joost van den Vondel vertelt het verhaal op deze manier:

Oom Reintjen werd verliefd een's wijn

gaards purpre druiven

Indien het gelukken woû, smaaklustig op te kluiven

De trossen hingen hoog verheven in de locht,

Zo dat hij na veel moeit die niet berei ken mocht.

Dies toornig dat hij niet de bezikens mocht krijgen,

Mits dat hij onbekwaam was zo hoog te stijgen,

Bestond den wijnstok met zijn vruch ten te versmaân,

Die, zuur en onrijp, smaak noch voed sel brachten aan.

'Veel trachten na hetgeen zij met 't gemoed begeren:

'Maar wanneer nu vergeefs 't gewenste zij ontberen,

'Versmaan en lastren zij het onver krijglijk goed,

'En blussen zo den brand des lusts in haar gemoed.

Misschien spreekt eigentijdse lezers het verhaal óver de fabel meer aan dan de fabel zelf, dat kan. Het hangt af van je instelling, en van je kennis van zaken. Er is veel veranderd in het leesgedrag. Literaire nieuwsgierigheid, waarvan in het onderwijs krachtig is geprobeerd die te bevorderen, heeft plaatsgemaakt voor een vorm van voyeurisme die zich richt op de persoon van de schrijver en zijn privé-leven. Maar dat zijn, mutatis mutandis, modieuze verschijnselen.

Steeds weer zie je in de literatuurgeschiedenis de momenten van 'renaissance', die een 'terugkeer naar de bronnen' inhouden, en daar valt voor het beperkte genre van de fabel ook het werk van Aisopos en Phaedrus onder. Van de eerste werd twee jaar geleden een bundel vertaald, de Fabels van Phaedrus werden recentelijk door John Nagelkerken in het Nederlands berijmd (Phaedrus was de eerste die in de eerste eeuw na Christus de fabels een literaire vorm gaf door van Aisopos' verhaaltjes Latijnse poëzie te maken).

Het is niet de eerste vertaling van Phaedrus; in de jaren zestig vond je die van Johan van Nieuwenhuizen in stapels bij De Slegte, maar het is wel een zorgvuldige en ze werd mooi uitgegeven, met Meneer de Uil op een apart bandje als lokkertje om het stofomslag.

Deze Phaedrus-vertaling, de recente Aisopos-vertaling, heruitgaven van sprookjes (die van Perrault bijvoorbeeld) en de ruime aandacht die in Amerikaanse publicaties (The New York Review of Books over Jean de la Fontaine) voor 'ouderwetse literaire vormen' aan de dag wordt gelegd, lijken te duiden op een lichte verandering in het literaire klimaat. Wordt het poëtischer, sprookjesachtiger? De lezers van De paardenfluisteraar, die immers ook wel iets van een fabelfiguur weg heeft, zullen het volmondig beamen.

Willem Kuipers

Phaedrus: Fabels.

Vertaald uit het Latijn en toegelicht door John Nagelkerken.

Athenaeum-Polak & Van Gennep; 196 pagina's; * 59,90.

ISBN 90 253 4170 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden