Wandtapijten van de dood

Karakteristieken zijn alleen mogelijk in vergelijkingen. Vestdijk vond voor 'Het lied der dwaze bijen' van Nijhoff de vergelijking met de spiraal, en dat is, gezien de wat trage opvlucht van de bijen, een schitterend, want uitstekend karakteriserend beeld....

Het geluk van het door de dichter gegeven beeld beleefde ik deze week. Het betreft het vierde vers van 'Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel' van Christine D'haen:

Gelijk een wandtapijt, gewerkt uit wol en zijde,

ontworpen om Pomona's eeuwig fruit

vol donkergroen en rood in korven uit te spreiden,

in bosschen, park en wei, getorst door zware vrouwen

weemoedig bij dien overvloedigen buit,

geleek het leven u, zoolang gij 't mocht aanschouwen.

Pomona is de Romeinse godin van de boomvruchten, waarmee de appel, in het Italiaans en Frans althans, van goddelijke oorsprong blijkt. Dat leidt tot een bijna bijbelse gedachte. Het is, ook door die verwijzing naar Pomona, een bijna renaissancistisch vers, niet het minst door de overvloed aan taal. Door de oude spelling lijkt het eerder een overgeleverde dan een nu geschreven tekst. Het leven wordt vergeleken met een wandtapijt waarop zeer veel aan vruchtbaarheid te zien is. Wandtapijten zijn altijd overvloedig. Meer dan een schilderij is een wandtapijt een kunstwerk, vaak niet vrij van natuurlijke kunstmatigheid.

'Wandtapijten' - het leek me een goed beeld voor veel gedichten van Christine D'haen. Om de stijl, om de inhoud, om de taal van hogere kunstmatigheid. In de geciteerde strofe wordt het wereldbeeld van de overledene in een grote vergelijking gegeven, die ver weg reikt in de cultuur. De gestorvene wordt daarmee opgenomen in een groot verband; de strofe is op die manier persoonlijk en onpersoonlijk tegelijk. Voor de stijl geldt hetzelfde: er is hier geen persoonlijke expressie, maar verbeelding in bijna wapperende oude taal. Poëzie schrijven is schrijven in de traditie en dat is meer dan de literaire traditie. Een goed voorbeeld is het volgende gedicht:

De rouwstoet voor de vorsten draagt, met trommen,

met rouwfloers, paarden, toortsen, d'overleden

hertog naar 't marmeren graf, omringd door drommen

schreiers in zwart gewaad, die langzaam treden.

Marcia funèbre's voor gestorven krijgers,

tropheeën boven zerken: helm, zwaard, sporen

der helden, doen voor vijanden, benijders

den doode oprijzen en zijn krijgsroem gloren.

Gij, geen gravin die onder uw gisante

gestrekt ligt, spelend weggerukt, met beide

kinderen in de armen toen de dood u scheidde,

hoort liturgie in 't hart van uw verwanten.

('Gisant' is een ligbeeld, de op de tombe uitgestrekte figuur van de overledene.) Het gedicht lijkt zelf even een 'marche funèbre', een beeldenstoet in dit geval; de opgeroepen verre vorstelijke wereld, inclusief het grafbeeld, maakt de herdachte dode groot: in de verbeelding wordt zij zichtbaar. Ook dit grafdicht is persoonlijk en onpersoonlijk tegelijk en bijna barokvol aan beelden. Maar misschien is toch het belangrijkste dat de dood, die algemeen is, hier in het grafmonument dat dit gedicht is, ook van alle tijden blijkt. Maar het monument is tegelijk een persoonlijke eerbetuiging voor de dode.

De twaalf 'Grafgedichten voor Kira van Kasteel' staan in de bundel Onyx uit 1983. Ze zijn met alle andere grafgedichten van Christine D'haen bijeengebracht in de bundel Bérénice, die de ondertitel heeft 'Vier-en-twintig neniën' (van het Latijnse 'nenia', dat 'lijkzang' betekent). De naam uit de titel komt uit 'Grafschrift voor Bérénice'. In dit gedicht wordt de hogere kunstmatigheid misschien wel in haar uiterste vorm bedreven. Het gedicht heeft een Latijns motto (van Catullus): 'Estne novis nuptis odio Venus', in de vertaling van Paul Claes bondig: 'Haten bruiden de liefde?' Dit zijn de eerste twee strofen:

Des Januarius dezes jaars primipare eerstgeboren doode,

in 't kraambed barend door de keizersnede

Francesca Philippé, parend alzoo doodstrijd aan barens nood;

teer-trotsche haren werden eeuwen geleden

als sterrenregen aan de trans geregen tusschen Maagd en Leeuw;

al 't andere nu begraven in de sneeuw.

Het grootste deel van de eerste regel lijkt gevonden op een oude zerk ('primipare' wordt gezegd van een vrouw die voor het eerst baart). De jonge vrouw sterft in het kraambed. In de tweede strofe wordt zij verheven en vereeuwigd door verwijzing naar het sterrenbeeld 'Haar van Bérénice', tussen Maagd en Leeuw.

Op de laatst geciteerde regel volgt een werkelijk indrukwekkende verbeelding van een ondergesneeuwde en bevroren wereld. In het wit is de hele aarde zwart van rouw. Het gaat niet om de impressie, maar om betekenisgeving. Maar vooral toch om eerbetoon aan de grootte van de dode. Funerair is honorair.

In de lijkklachten uit later jaren neemt de eenvoud toe. De tombetekst met monument samen (in die tekst opgeroepen) wordt een geschreven herinnering, verheven, maar daagser. Het wandtapijt maakt plaats voor een kleine ets. Ik verkies de pronkzucht van de oudere gedichten.

De bundel verscheen als eerste uitgave van de uitgeverij Brokaat in Deventer. Het is een bijna symbolische naam bij de publicatie van zoveel verfijnd handwerk met de geest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden