Wallage's hervormingsplannen passen in een lange traditie

De voorstellen van PvdA-fractievoorzitter Wallage voor versterking van de democratie, kunnen het beste worden omschreven als oude wijn in nieuwe zakken....

KEES KOLTHOFF

WAAROM hebben de gedachten over het functioneren van het parlement en de regering, die PvdA-fractievoorzitter Jacques Wallage in deze krant van 13 september ontvouwde, zoveel aandacht gekregen, tot in de Tweede Kamer toe?

Was het de verrassing en ontroering bij journalisten en politici toen zij aan het slot van het artikel in de Volkskrant lazen: 'Wallage's voorstellen dienen slechts één doel: een versterking van de democratie'? Op dat gebied zijn zij, en alle burgers met hen, toch wel wat gewend.

Sinds de jaren zestig hebben politici uit bezorgdheid over al of niet vermeende afname van politieke belangstelling en participatie, uit angst voor (groeps)egoïsme en politiek extremisme en tot meerdere glorie van zichzelf of hun partijen elkaar en de kiezers tot vervelens toe verrast met ideeën over (partij)politieke, staatsrechtelijke en democratische vernieuwingen.

Districtenstelsel, referendum, het terugroepen van falende volksvertegenwoordigers, gekozen minister-president en burgemeester, dualisme in gemeentepolitiek en -bestuur, kleinere volksvertegenwoordiging, afschaffing van de Eerste Kamer, enzovoorts.

Met sommige van die vernieuwingen is sindsdien een begin gemaakt (uitbreiding demonstratievrijheid, referendum, volledige verantwoording burgemeester naar gemeenteraad). Het lijkt niet te hebben geholpen. De politieke vervreemding is of blijft een, vooral voor politici, verontrustend feit. Of die verontrusting nu uit hoge ideële, lage electorale of platte persoonlijke motieven voortkomt.

In hoeverre siert het Wallage, dat hij zich niet zonder meer bij de gewenning neerlegt en zich durft te scharen in het koor van hardnekkige, doorgaans weinig succesvolle en soms lichtelijk suspecte ijveraars voor betere democratische procedures en gebruiken?

De bezorgdheid van Wallage over het gehalte van de parlementaire democratie, bewindslieden die onvoldoende angst voor het parlement koesteren (of parlementariërs die de ministers en staatssecretarissen weinig ontzag inboezemen?), onduidelijkheid over de controlerende of meeregerende rol van het parlement en het volk dat geen verschil meer ziet tussen ministers en Kamerleden ('minister Wallage'): het is oude wijn in nieuwe zakken.

Een betere bewerktuiging van het parlement en een versterking van de politieke boven de ambtelijke beslissingsmacht als remedies, kunnen ook al niet voor gewaagde nieuwlichterij doorgaan.

Dat betekent niet dat de steeds maar weer gesignaleerde problemen niet bestaan. Eerder dat oplossingen voor andere problemen meer prioriteit hebben, of dat het erg moeilijk is goede oplossingen te bedenken en door te voeren, of dat andere - persoonlijke, zakelijke, politieke - belangen zwaarder wegen.

Volgens mij dienen politici, ten minste, drie vragen te beantwoorden voordat zij weer eens de publiciteit zoeken met voorstellen om de democratie te redden.

Een: hoe ernstig zijn de gebreken waar ik mij druk om maak?

Twee: hoe onontkoombaar of oplosbaar zijn zij?

Drie: welke oplossingen liggen het meest voor de hand en in wiens hand ligt die oplossing?

Zonder stevige fundering blijven de terugkerende klaagzangen tamelijk obligate meningen, die meer geworteld lijken in de heersende politieke smaak dan in de 'volkswil'. In hoeverre zijn de belangen, het welzijn, de eigenwaarde van burgers - want daar gaat het toch om in de parlementaire democratie - eigenlijk afhankelijk van een verstikkend monisme of een ongevaarlijk dualisme in de verhouding tussen regering en parlement?

En bestaan er voor de burger vandaag de dag geen verantwoorde alternatieven om zijn legitieme doelen te verwezenlijken? Is het tamboereren op politiek parlementaire middelen voor deze doelen niet ook een vorm van politieke zelfoverschatting?

De vragen stellen is niet hen voor eens en altijd beantwoorden. Maar vast houden aan traditionele vanzelfsprekendheden leidt onafwendbaar tot de periodieke herhaling van zetten.

Bij gedetailleerde, bindende regeerakkoorden en afspraken tussen regering en regeringsfracties in het parlement door middel van het 'Torentjes-overleg' moet men niet zeuren over het zoekraken van het onderscheid tussen (mee)-regeren en controleren, laat staan over de daardoor aangestichte verwarring bij 'gewone' mensen. Het is het (politieke) gedrag van fracties tegenover de regering, samen met de wetten, de instituties en de organisatie van het politieke bedrijf dat daarvoor verantwoordelijk is.

Wallage wil dat de parlementaire controle wordt geïntensiveerd zodat 'ministers en staatssecretarissen met knikkende knieën het parlement binnenkomen'. Tegelijkertijd moet die controlerende rol worden versterkt door 'meer op hoofdlijnen te debatteren' en zich minder te verliezen in pietluttige debatten. Hoe kan dit zonder daarmee niet ook het minutieuze werk van mede-wetgeving en zorgvuldige evaluatie van politieke beslissingen weg te gooien? Door de voorgestelde drastische verkleining van het parlement?

Kunnen fracties - vooral de grotere - door een grotere zelfdiscipline, een betere organisatie, teamwork en minder onderlinge concurrentie (en ik weet uit eigen ervaring waarover ik het heb) deze doelen niet zelf op een veel meer voor de hand liggende wijze naderbij brengen?

Schort er daarbij misschien ook iets aan de prioriteiten en de effectiviteit van de fractieleiding in de spreekwoordelijke slangenkuil?

Alles overziend passen ook de jongste voorstellen voor het opschudden van de parlementaire democratie in de periodieke wenteling van de democratische gebedsmolen.

Waarbij opvalt dat de nieuwe suggesties, met name over het als eenheid functioneren van de ministerraad en de reorganisatie van de departementen, wat meer naar het bedrijfsleven zijn gemodelleerd. (Daar schijnt alles beter en efficiënter te gaan.)

'Het buitenland moet niet alleen jaloers zijn op ons sociaal-economisch poldermodel, maar ook op de manier waarop onze democratie functioneert', zei Wallage.

Misschien weten ze daar dat de onontkoombare spanning tussen de vertegenwoordigende democratie met zijn omstreden mandaat en de steeds weerkerende vervreemdende elementen, om minder oppervlakkige, minder opportunistische en minder zelf-ontziende voorstellen vraagt.

Kees Kolthoff was van 1973 tot 1981 lid van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden