Wachtmeester Melville

Wat maakt de gangsterfilms van Jean-Pierre Melville zo bijzonder? Eye Filmmuseum toont nu een retrospectief.

Wie haast heeft, kan de films van Jean-Pierre Melville beter ongezien laten. Wie geduld heeft, ontdekt een van de mooiste oeuvres uit de filmgeschiedenis. De in 1973 overleden Franse filmmaker liet dertien speelfilms na waarin het thema wachten een rode draad is.


Zijn laatste film, Un flic (1972), begint met een overval op een lullig bankfiliaaltje in een verlaten kuststadje. In een doorsneehollywoodfilm zou dat 3, 4 minuten in beslag nemen. Melville trekt er 16 minuten voor uit. Het wordt een tergend trage bankoverval. De overvallers moeten wachten op het juiste moment om de bank binnen te gaan (één voor één) en binnen moeten ze wachten op het juiste moment om toe te slaan.


Waarom zou je dat allemáál in beeld brengen? Waarom moeten ook wij, kijkers, zo lang wachten?


Jean-Pierre Melville is zijn hele leven tegen de stroom in gegaan. Geboren in 1917 als Jean-Pierre Grumbach groeide hij op in een links intellectueel milieu. Zijn gelukkigste tijd beleefde hij naar eigen zeggen in de oorlog. 'Ik bofte dat ik 22 was in 1939', zei hij ooit. Hij zat in dienst toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waarna hij zich aansloot bij het verzet. Uit die tijd dateert ook zijn zelfgekozen achternaam, naar de Amerikaanse schrijver Herman Melville.


Zijn liefde voor film bestond toen al. Hij maakte zijn eerste film toen hij 6 was, nadat hij van zijn vader een kindercamera had gekregen. En dat zijn schoolcarrière niet vlotte, kwam niet in de laatste plaats doordat hij hele dagen doorbracht in de bioscoop, waar hij zich laafde aan Amerikaanse misdaadfilms. Nog tijdens de oorlog besloot hij - 'Ik voelde dat de vrede nabij was' -- dat hij erna filmmaker zou worden. Zonder enige opleiding in die richting of stage bij een ervaren collega. Noodgedwongen begon hij zijn carrière als onafhankelijk filmmaker met een aantal lowbudgetproducties. Hij werkte met onbekende acteurs, verfilmde een boek zonder toestemming van de auteur (het oorlogsdrama Le silence de la mer, 1949) en maakte opnamen op locaties buiten de studio, wat later een van de kenmerken van de nouvelle vague zou worden, die in die dagen nog niet bestond.


In 1956 brak hij door met Bob le flambeur. Dat wil zeggen, een handvol filmliefhebbers liep weg met zijn gangsterdrama dat tegelijk een ode aan Parijs was, met zijn fraaie opnamen van (nachtelijk) Pigalle. Onder hen François Truffaut en Jean-Luc Godard. De laatste zou later bij hem aankloppen toen hij in de knoop zat met zijn debuutfilm A bout de souffle (1960). 'Kun je me helpen? Volgens mij is het rotzooi.' Melville bekeek de onaffe film en gaf Godard gelijk: 'Het is inderdaad rotzooi, maar verander er niks aan en je zult zien dat het een revolutie gaat veroorzaken.' Als dank kreeg hij een kleine rol in de film, als hoogst intellectuele schrijver.


Die ironie zal hem zijn bevallen, maar verder had Melville niets met de nouvelle vague. Hij perfectioneerde de door hem ingeslagen weg: films maken die de wereld uit de vooroorlogse Amerikaanse gangsterfilms oproepen. Iets wat de jonge honden van de nouvelle vague in woord beleden - liefde voor de klassieke hollywoodfilm - maar in de praktijk niet deden. Zij gingen juist met de camera de straat op en lapten alle klassieke filmwetten aan hun laars.


Melville, autodidact, groeide uit tot de grote kenner van die wetten. Er zijn weinig cineasten die zo de klassieke scène-opbouw van shot-tegenshot beheersten, perfectioneerden en exploiteerden. Volker Schlöndorff, die regie-assistent was bij Le doulos (1962) vertelt in een documentaire dat Melville de afstand tussen lens en ogen van het ene personage en het andere tot op de centimeter nauwkeurig mat, zodat in de shot-tegenshot-reeks die hij opnam de twee personages elkaar precies en recht in de ogen keken.


Maar wat Melville niet deed, was zijn voorbeelden imiteren. In feite raakte hij er naarmate hij zijn films perfectioneerde verder vandaan. Wat hij in zijn beste films doet, is het uitbenen van het verhaal om zich in individuele scènes compleet te kunnen uitleven. Een hollywoodfilm snelt zich voort in een zo compleet mogelijk en soepel verteld verhaal, waarin de vertelde tijd veel langer is dan de verteltijd. Doordat Melville het aantal scènes steeds verder beperkte, kon hij die zelf steeds langer maken en zich daarbinnen meer en meer toeleggen op details en stilering. Zodat niet zelden die twee tijden samenvallen, of dat in elk geval lijken te doen, en bijna films in een film worden.


De gangsterfilm Le cercle rouge (1970) is daarvan het schoolvoorbeeld en waarschijnlijk Melvilles beste film. Als de twee centrale personages elkaar eindelijk hebben ontmoet en beseffen dat ze samen verder gaan, is de film al drie kwartier bezig. We hebben dan alleen nog maar gezien hoe de een ontsnapt tijdens een transport per trein en de ander vrijgelaten wordt uit de gevangenis en zijn reis naar huis aanvangt.


Hoogtepunt in Le cercle rouge is de inbraak die de twee met een derde plegen bij een extreem goed beveiligde juwelier. Die kraak neemt in de film 25 minuten in beslag en is zo gedetailleerd en traag gefilmd dat de spanning bijna ondraaglijk is. Als de bewaker een geluid hoort, moeten de inbrekers wachten tot hij alles heeft geïnspecteerd en weer rustig is gaan zitten, en met hen moeten ook wij wachten.


Dat vreet tijd. En daarom hebben personages bij Melville zelden een achtergrond, een privéleven of een verleden. Niet zij zijn het die de kijker de film in trekken. Het zijn de perfectie en spanning van individuele scènes die dat doen.


De tragiek wil dat de mensen die aanvankelijk met hem wegliepen, hem verafschuwden toen hij op zijn hoogtepunt was. De wereld in het algemeen en de Parijse filmscene in het bijzonder was eind jaren zestig gepolitiseerd.


Melvilles ode aan tragische, maar moedige verzetshelden, l'Armée des ombres (1969), waarin generaal De Gaulle met zijn Vrije Franse Strijdkrachten een heldenrol kreeg toebedeeld, was verschenen toen in Parijs de studenten de straat op gingen om te protesteren tegen het autoritaire bewind van diezelfde De Gaulle. De nouvelle vaguefilmers, die de nieuwe elite vormden, waren mee gepolitiseerd en verweten Melville diens 'rechtse' opstelling.


Dat veranderde de vijf jaar erna die Melville nog zou leven niet meer. Hij overleed in 1973 aan een hartaanval en, o ironie, zou nog lang moeten wachten op rehabilitatie. Pas in 1996 wijdde Cahiers du cinéma, het gezaghebbende Franse filmtijdschrift opgericht door de nouvelle vague-filmers, een themanummer aan de cineast.


Retrospectief Jean-Pierre


Melville, 9/1 t/m 31/1.


Filmmuseum EYE, Amsterdam, eyefilm.nl


hoe herken ik een melville-film


1 Jassen en hoeden


Misschien wel het bekendste uit de films van Melville: de mannen met hoed en regenjas. Alain Delon groeide ermee uit tot een wereldberoemd silhouet. Ook andere acteurs in de gangsterfilms dragen ze. En zelfs in het oorlogsdrama l'Armée des ombres behoren ze tot de vaste garderobe. (Volgens Melville was er dan ook niet veel verschil tussen gangsters en verzetshelden). Zelf liep de filmmaker in het dagelijks leven rond met een Stetson op zijn hoofd, een


Burberry om zijn lichaam en een grote zonnebril voor zijn ogen. Als eerbetoon aan de door hem zo geliefde Amerikaanse gangster- en westernfilms? Misschien. Maar een van zijn vrienden noemt in een documentaire nog een mogelijke reden: Melville verafschuwde zijn uiterlijk; hij had grote en lelijke wallen onder zijn ogen en was voorzien van een weinig benijdenswaardige vleespet.


2 Uiterlijke verzorging


In lijn met de jassen en hoeden zijn de personages in Melville's films zeer begaan met hun uiterlijk. Onder alle omstandigheden. Als Bob (Roger Duchesne) in Bob le flambeur na een nacht gokken (en verliezen) zijn spiegelbeeld in een winkelruit ziet, zegt hij: 'Zo, dat ziet er nog prima uit.' Wanneer verzetsman Gerbier (Lino Ventura) in l'Armée des ombres aan de Duitsers is ontvlucht, rent hij een kapperszaak in om zich te laten scheren. In Le cercle rouge zien we de geplaagde politie-inspecteur twee keer thuiskomen na een lange werkdag. De eerste keer pakt hij, nadat hij zijn drie katten eten heeft gegeven, het scheerapparaat. De tweede keer draait hij eerst de badkraan open.


3 NAT, DONKER EN VAAL


Natuurlijk zijn de regen en de nacht in Melville's films hommages aan de Amerikaanse film noir. Zoals ook zijn naar zwart-wit neigende kleurgebruik dat is (Jefs gekooide goudvink in Le samouraï is een vrouwtje, omdat een mannetje een oranje borst heeft, vertelde Melville in een interview). Altijd ligt er een blauwgrijze deken over zijn scènes, die de wereld er kil doen uitzien, als op het grensgebied van nacht en dag. Maar zou Melville anders hebben gekund? Hij stond erom bekend bij voorkeur 's nachts te werken en ook alleen dan zijn huis te verlaten. Niets liever deed hij dat in de late nacht met zijn kettingrokende vrouw naast zich om op zoek te gaan naar locaties voor zijn volgende film.


Simone Signoret


Vrouwen zijn spaarzaam in de films van Jean-Pierre Melville. 'Het is niet dat ik niet van vrouwen houd, maar ik houd nu een maal meer van verhalen over mannen', zei de filmmaker daar zelf over. Feit is dat de vrouwen in zijn films, die dansen in nachtclubs of daar anderszins werken, hoogstens object van begeerte zijn, nooit van liefde. Opmerkelijke uitzondering: Simone Signoret (links). Zij speelt in het verzetsdrama l'Armée des ombres een belangrijk lid van de verzetsgroep. Maar meer dan een vrouw is de stevig rokende Signoret in die film one of the guys.


Vier essentiële Melville-films


1 Bob le flambeur (1956)


De film waarmee Melville zijn naam vestigde. Een mooie sfeertekening van en ode aan nachtelijk Parijs, in het bijzonder de wijk rond Place Pigalle. Het is de wereld waar gokker Bob de ongekroonde koning is. Maar hij verliest wel, nacht na nacht. Dus zal hij toch nog een keer een kraak moeten zetten. Hij kiest voor het casino van Deauville. Al in deze vroege film laat Melville zien waar het hem om gaat: de voorbereiding van de kraak, de problemen met zijn beschermelingen, de twijfels van zijn bendegenoten. Maar de toon is nog luchtig, net als de afloop.


2 Le samouraï (1967)


Waarschijnlijk zijn beroemdste film. De eerste van drie samenwerkingen met Alain Delon, de perfecte verpersoonlijking van Melvilles eenzame, gedoemde man. Hij is de huurmoordenaar Jef Costello die er na het plegen van een moord achterkomt dat hij van jager prooi is geworden, achternagezeten door zijn opdrachtgever en door de politie. Melvilles stilering bereikte in deze film een hoogtepunt. De luchtigheid is verdwenen, de hoofdpersoon is gedoemd en weet dat.


3 l'Armée des ombres (1969)


Beste van de drie films die Melville maakte over de Tweede Wereldoorlog, de tijd die hij zelf de mooiste uit zijn leven noemde. Lino Ventura krijgt als de gesoigneerde verzetsman Philippe Gerbier te maken met de heilloze kanten van het verzet: hij moet vluchten uit gevangenschap, een verrader liquideren en zijn vege lijf redden voor een vuurpeloton. Het grootste deel van de film draait om de voorbereidingen van de (mislukte) ontzetting van een kameraad. Ventura kon naar verluidt Melville niet uitstaan, maar de regisseur haalde wel het beste in hem naar boven.


4 Le cercle rouge (1970)


Melvilles een na laatste, beste en succesvolste film (4 miljoen bioscoopbezoekers in Frankrijk). Alain Delon, Gian Maria Volonté en Yves Montand zetten een spectaculaire kraak op: een extreem beveiligde juwelier aan het dure Place Vend¿me in Parijs. Melville slaagde er met deze film voor het eerst in met zijn eigen stijl - weinig maar extreem lange scènes - een film te maken die door een groot publiek werd gewaardeerd. Het was tevens de laatste keer. De opvolger, Un flic, deed het bij publiek en pers slecht en zou volgens een goede vriend bijgedragen hebben aan Melvilles hartaanval, die een einde aan zijn leven maakte toen hij 55 was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden