Wachten op de Afrikaanse Malcolm X Het filmfestival van Ouagadougou: stof, aids en déjà-vu

De Afrikaanse film is te braaf en te traag, zeggen de bezoekers van het Fespaco-festival in Burkina Faso. Al sinds 1969 biedt de hoofdstad Ouagadougou onderdak aan dit festival voor filmmakers uit geheel Afrika....

OUAGADOUGOU verdwijnt in een rode stofwolk. Duizenden sloffende voeten van bezoekers van het grote Afrikaanse filmfestival Fespaco doen het zand opstuiven. Ronkende brommers voor de filmzalen voegen blauwe wolkjes toe aan de mist. Eens in de twee jaar ontrukt de hoofdstad van Burkina Faso zich aan de vergetelheid en waant zich het culturele centrum van Afrika.

Een menigte verdringt zich voor de ingang van de openluchtbioscoop Oubri. Binnen is geen zitplaats meer over. In de zaal hangt een zware urinestank, ook al is het dak de hemel. Het lijkt niemand te deren. Op het grote scherm beweegt de nieuwe nationale trots, de film Keïta, le Griot.

Deze week gaat iedereen in Ouagadougou die de vijftig cent toegang kan betalen naar de bioscoop. En wie het niet heeft, kan naar het plein van de revolutie. Daar staan elke avond duizenden mensen te kijken naar een reusachtig scherm. De stem van Peter Tosh weerkaatst tegen het flatgebouw aan de rand van het zandplein. In zeven zalen in het centrum en vijf in de arme buitenwijken draaien uitsluitend Afrikaanse produkties. Op straat is het elke avond feest. Overdag slenteren drommen mensen langs de honderden stalletjes in de omgeving van het hoofdkantoor van het Filmfestival van Ouagadougou en het hotel Independence, de plek waar de jet set van de Afrikaanse film converseert aan de rand van het zwembad. Voor de souvenirverkopers is dit hun grote kans.

Fespaco wordt voor de veertiende keer gehouden. Het eerste festival vond plaats in 1969. Het feest van de Afrikaanse film doorstond alle machtswisselingen en militaire staatsgrepen. Alle leiders van het Sahelland zagen het festival als een viering van nationale trots, als teken dat het onbeduidende Burkina Faso, voorheen Opper Volta, meetelde op het continent.

Daarom knipt Blaise Compaoré, de huidige president, in het volgepakte stadion zelf de drie grote ballonnen in de nationale kleuren los. De opening van het festival heet een 'mega-spektakel'. Afrikaanse popgroepen, waaronder de Zuidafrikaanse Mahlathini en de Mahotella Queens uit het gevolg van eregast Winnie Mandela, brengen de stemming er in. Een Frans carnavalsbedrijf verzorgt een groots vuurwerk. De toespraakjes van de minister en de premier gaan over de noodzaak dat Afrikanen hun eigen beelden scheppen. Er lijkt weinig veranderd sinds 1969.

Compaoré houdt zelf geen toespraak. Dat zou nare herinneringen wekken aan zijn charismatische voorganger en boezemvriend Thomas Sankara, die Fespaco aangreep voor vlammende, revolutionaire betogen. Compaoré liet zijn wapenbroeder in 1987 vermoorden en trok vervolgens de macht in de junta van jonge, toen nog linkse officieren naar zich toe. Hij heeft later gezegd dat het hem speet.

Op zijn laatste Fespaco, in het jaar van zijn dood, zei Sankara tegen de Franse krant Libération dat het festival veel op een 'carnaval met als voorwendsel de film' ging lijken. Dat vond hij eigenlijk maar goed ook. Fespaco was niet meer alleen een 'onderonsje van cineasten en cinefielen'. Maar hij wilde wat meer pit zien bij de filmmakers - Sankara wilde altijd van iedereen meer pit zien. Waar bleef de waardigheid? (Sankara's lievelingsbegrip; hij herdoopte Opper Volta tot het 'Land der Integeren': Burkina Faso). Waar bleven de rechtvaardigheid, de hartekreten en de strijd?

Sankara's woorden hebben geen weerklank gevonden. Vier festivals en acht jaar verder is Fespaco groter dan ooit, maar een aanzienlijk deel van de meer dan drieduizend gasten komt uit Europa en de Verenigde Staten. De militante sfeer is slechts herinnering.

Een kwart eeuw geleden kwamen de pioniers van de Afrikaanse film onder aanvoering van Ousmane Sembene bijeen in Ouagadougou. Hun ideaal was zichzelf en het Afrikaanse filmpubliek te bevrijden van het juk van de westerse filmindustrie. Nu zoeken de Afrikaanse cineasten geld en hulp in Europa zo veel ze kunnen.

Sembene, die hier de traditionele eretitel 'oudste der ouderen' draagt, zag zijn eigen produktiemaatschappij aan geldzorgen ten onder gaan. Hij zoekt al bijna twintig jaar tevergeefs naar voor hem politiek onbesmette geldschieters voor wat zijn meesterwerk had moeten worden: een spektakelfim over het leven van de verzetsheld Samory, die streed tegen het Franse kolonialisme.

De jongere filmers grijpen de ontwikkelingshulp met beide handen aan. Ze laten Europese beeldtechnici en cameralieden hun films polijsten. In hun dromen draaien hun films niet in Ouagadougou, maar in Cannes, Venetië, Berlijn of Rotterdam.

De directeur van Fespaco, Filippe Sawadogo, wil graag een jaarlijks festival. Hij hoopt dat dat een nieuwe impuls aan Fespaco kan geven, zegt hij op de persconferentie. Het moet kunnen, want de westerse ontwikkelingshulp heeft de Afrikaanse cinema nu echt ontdekt. Sawadogo dankt Denemarken, de Europese Unie, Zweden, Finland, de Unesco en Kodak. Hij geeft de microfoon en het podium aan drie keurige blanke heren van de Europese Unie. Per slot van rekening betalen die een groot deel van de tickets voor de cineasten en acteurs, de glimmende catalogus, de T-shirts, de festival-tasjes, en de kilometers Fespaco-1995-stof verwerkt in overhemden, colberts, rokken en deux-pieces, waarin steeds meer festivalgangers zich hullen.

De Spaanse EU-vertegenwoordiger babbelt vrolijk voor zich uit, terwijl de mensen in de zaal een EU-informatiemap in de handen gedrukt krijgen. Wat hij nu zo leuk vindt aan het medium film, zegt hij, is dat het zo mooi kan worden ingezet voor 'ontwikkeling' en dat het nog werk schept ook. Hij telt de zegeningen van de EU-hulp: sinds 1990 stak de unie vier miljoen ECU in 33 Afrikaanse speelfilms, waarvan twintig lange.

Aids-voorlichting is populair bij westerse geldschieters. Idrissa Ouedraogo, Burkina Faso's succesvolste regisseur, wiens Samba Traoré in de Nederlandse bioscopen draaide, maakte daarom Afrique, mon Afrique (1994). Het is het verhaal van een Burkinese muzikant die het succes vindt in de Ivoriaanse metropool Abidjan met een liedje dat hij opdraagt aan de slachtoffers van aids. Henri Duparc uit Ivoorkust pakte het met Rue Princesse (1993) anders aan. Hij propageert het gebruik van condooms in een komedie met een groep vrolijke hoeren in een gewaagde hoofdrol.

Het is een nieuw en belangrijk thema in de Afrikaanse film. Dat is op zichzelf verfrissend. Maar hoe valt dit type door het westen geïnitieerde voorlichtingsfilm nog te rijmen met de idealen van Sembene?

Jean-Claude Biny Traoré volgt het filmfestival vanaf het begin. 'Ik zie geen enkele echte vooruitgang', zegt hij. 'De thematiek is in bijna alle films steeds dezelfde. Ze gaan altijd maar over de traditie, over de voorouderverering, over tovenaars die offers vragen.'

Hij legt zijn meningen vast in gestencilde artikelen, die jongens op straat verkopen. Sany Kouyaté, de jonge, succesvolle regisseur van Keïta, l'heritage du griot noemt hem tijdens een forumdebat vol respect het 'klankbord voor elke jonge filmer in Burkina Faso'.

Traoré: 'Alleen de vrouwen snijden nieuwe onderwerpen aan. Zij hebben een engagement. De jonge mannelijke filmers zoeken vernieuwing bijna alleen in de vorm. Hun films zien er misschien beter uit - hoewel ik de oude films van Sembene en Mambety Diop mooier vind - maar de inhoud is de grote zwakte.'

Waarom vertellen de Afrikaanse cineasten altijd van die brave verhalen, vraagt hij zich af. Politiek drama ligt toch voor het oprapen in Afrika. Waar is de Afrikaanse tegenhanger van Malcolm X of zelfs maar JFK? Hij buigt zijn met littekens versierde gelaat naar voren: 'Ik zal u wat toevertrouwen: de president houdt het tegen, en de cineasten hier kunnen niet zonder de steun van de president.'

De jongste geschiedenis van Burkina Faso heeft alles in zich voor een meesterlijke tragedie op het doek, vindt Traoré. 'We hebben hier een revolutie gehad in 1983. Een groepje militairen greep de macht. Sankara was de populairste, dus zijn maten aanvaardden hem als hun leider. Maar het zaad voor het verraad wasgezaaid. De climax was de moord op Sankara door zijn oude vriend. De huidige president heeft bloed aan zijn handen. Als je daar toch een film van zou maken: een complot, intriges, een dramatische afloop. Dat zou spannend zijn, maar niemand durft het.'

De meeste onderwerpen zijn banaal, vindt hij. Neem nou de film Wariko (1994), een Ivoriaanse komedie die hier volle zalen trekt. Het verhaal is grappig en het publiek joelt en klapt, maar wat is nu eigenlijk de strekking? 'Geld is de bron van alle ellende.' (Een arme agent wint de loterij, maar het biljet raakt zoek, als hij het biljet vindt in het plakboek van zijn zoontje heeft hij meer geld aan familie, vrienden en corrupte politici toegezegd dan hij heeft gewonnen). 'De liefde als medicijn voor alle problemen. Alsof dat wat oplost.'

De enige film die zijn goedkeuring kan wegdragen is Keïta, l'heritage du griot van Kouyaté. De film is net uit en is immens populair in Burkina Faso. Het mag dan wéér over de moderne Afrikanen en hun verhouding tot de geschiedenis gaan, maar Kouyaté heeft er tenminste een goede vorm voor gevonden.

'De film handelt over de manier waarop Afrikanen communiceren, over de rol van de tussenpersoon. Een Afrikaanse koning spreekt alleen met anderen via zijn tolk, de griot.' In de film vertelt een oude griot een jongetje de legende van zijn voorouder Sundjata, grondlegger van het Mandinka-rijk en de Keïta-familie. Het moderne gezin raakt in rep en roer omdat de jongen spijbelt. In het openluchttheater Oubri krijgt de oude griot, ook een Kouyaté, grote bijval.

Kouyaté de filmer ziet zich als een nieuw type griot, zegt hij tijdens het debat. Zijn beide ouders zijn griots, de dragers van de mondelinge overlevering. Zo verdringt de film het verhalen vertellen, meent een criticus. Kouyaté ziet het liever als een mogelijkheid een uitstervend beroep nieuw leven in te blazen.

Fespaco 1995 staat in het teken van honderd jaar filmgeschiedenis. Niet zozeer omdat de Afrikaanse film al zijn plekje in de filmwereld heeft veroverd, zegt Fespaco-directeur Sawadogo, maar omdat die er nog steeds ten onrechte bijbungelt. Hij bedoelt het als aansporing, maar de constatering stemt niet vrolijk. De jammerklacht over het gebrek aan middelen en erkenning is in al die jaren niet verminderd.

'Mogen we na meer dan een kwart eeuw bestaan maar doorgaan met jammeren over ons lot?', vraagt het onafhankelijke Burkinese weekblad Journal de Jeudi zich in een commentaar af. 'We kunnen toch moeilijk volhouden dat we nog steeds in onze adolescentie verkeren.' Eerst moet er een eigen industrie komen. Dat kan alleen als er films voor een groot Afrikaans publiek worden gemaakt. Een Ivoriaanse distributeur prijst zichzelf aan met de slogan: 'Negentig procent van de Afrikaanse films wordt niet gezien door Afrikanen.'

Afrikaanse cineasten verwachten veel investeringen uit het nieuwe Zuid-Afrika, het enige land met een welvarende filmindustrie. De Zuidafrikanen zijn met een grote delegatie naar Ouagadougou gekomen. Mickey Madoda Dube probeert de hooggespannen verwachtingen van de collega's die hem aanschieten te temperen. Zijn korte film Imbazo heeft hij in de Verenigde Staten gemaakt en voor zijn nieuwe plan zoekt hij geld buiten Zuid-Afrika.

De Zuidafrikaanse filmindustrie is nog helemaal blank, zegt hij. De distributeurs halen hun films uit Hollywood en zijn niet geïnteresseerd in kwaliteitsfilms, laat staan politieke. Eigenlijk bestaat er nog geen zwarte Zuidafrikaanse cinema. De films die de delegatie heeft meegenomen zijn vooral films óver Zuid-Afrika: A World Apart, A Dry White Season, Sarafina, Jobman, Cry Freedom.

Er gaapt bovendien een kloof tussen het filmpubliek in Zuid-Afrika en de kijkers die Dube in Burkina in de zaal ziet zitten. 'Ik vind veel Westafrikaanse films heel traag. Het publiek in Soweto zou het moeilijk vinden zo'n film uit te zitten. Ons leven zit zo vol spanning, is erg gehaast. De kijkers hier zullen snelle films vast ook leuk vinden, maar ze blijven ook geboeid door de langzame. Ik denk daarom dat je niet kunt spreken van dè Afrikaanse film.'

Veel tijd om films te kijken heeft hij niet gehad. Zijn vrienden van de Mahotella Queens hadden hooglopende ruzie met de organisatie omdat hun hotels en tickets niet in orde bleken. Dube moest de gemoederen tot bedaren brengen. Tijdens het optreden waren er ook nog eens geen frisdrankjes. Het werd geen swingfeest. Ja, er is ook nog een cultuurkloof tussen Zuid-Afrika en Afrika, zegt hij.

Mickey Dube geniet nog het meest van de ontmoetingen in hotel Independence en op straat. Hij sprak voor het eerst van zijn leven met een Touareg, een volk dat hem al lang fascineert. De informele contacten zijn het belangrijkst, belangrijker dan de Franse tentoonstelling over de blanke kijk op zwarten in de koloniale film en de reclame, en die over opgravingen langs de Niger (die vorig jaar ook in Leiden was te zien), die maar door weinig Burkinezen worden bezocht.

Maar of dat genoeg reden is voor een jaarlijks festival? Biny Traoré zou het prachtig vinden, elk jaar feest, maar eerlijk gezegd: 'Er zijn niet genoeg goede films. De festivalorganisatie doet er alles aan Fespaco te laten voortleven, ze onderdrukken elk geluid dat tot sombere gedachten kan leiden.

'Maar volgende week kun je in Burkina Faso bijna geen Afrikaanse film meer zien. Keïta en de Ivoriaanse kassuccessen zullen nog wel even draaien. Maar voor de rest programmeren de distributeurs, ook de staat, weer gewoon westerns en Amerikaanse politiefilms. Dan zeggen ze weer dat de Afrikaanse films te simpel zijn. En er is een gebrek aan verbeelding. Amerikaanse special effects zijn nu eenmaal opwindender.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.