Waarom zogenoemde kunstexperts maar beter kunnen zwijgen

Kunst heeft recht op afgewogen woorden, secuur gemaakte woordkunst, niet op de ontaal van de zelfbenoemde expert.

Rond de heropening van het Stedelijk Museum spitste de discussie onder kunstcritici zich toe op het Gebouw en op Het Veranderd Kunstklimaat en de Gemiste Kansen voor het Stedelijk. Dat was, ondanks alle feestvreugde, om een tikje mistroostig van te worden. Het Gebouw kreeg dartpijltjes toegeworpen door beroepsklagers. Lijkt het Gebouw niet ietsje te veel op de lounge van een luchthaven? Imiteert het Gebouw misschien te schools de transparantie van de Tate Modern? Wordt de ondergrondse elfhonderd vierkante meter wel optimaal benut? En het geel dat rond de roltrap zweemt, is dat wel het juiste geel?


Het zal. Ik wandelde door de zalen van de oudbouw, betrad de boekwinkel en de ondergrondse nieuwe mammoetzaal - en vergaapte mij. Het hernieuwde Stedelijk ademt zowel grandeur als intimiteit - en nee, ik plaats voor het grandeur nu even niét het belegen adjectief 'on-Hollands'. Soms vraag je je af of het de Nederlandse keurmeesters van de beeldende kunst ontbreekt aan de wil en het vermogen om, met dank aan JC Bloem, 'domweg gelukkig' te zijn. Op de dag van de feestelijke opening hoorde ik een kunstcriticus tegen een collega zeggen: 'En toch... en toch...', en het wachten was op de oordeelkundige genadeklap, '.... míst er iets.'


Aha. Die bevinding doet denken aan het eeuwige mishagen onder kinderen in Amsterdam-Zuid tijdens pakjesavond op 5 december, nadat zij vreugdeloos en razendsnel tweeëndertig prijzige cadeaus hebben gekregen en uitgepakt. Aan de geblaseerde loomheid waarmee zij die cadeaus na het uitpakken nog eens observeren, kun je zien dat dit soort kinderen ook altijd tóch nog iets mist: een drieëndertigste prijzig cadeau.


En dan het Veranderde Kunstklimaat. Natuurlijk, het Stedelijk is veel te lang gesloten gebleven, en het gemis was tergend voor de liefhebbers van het museum - maar het Stedelijk is geen patiënt dat uit een grondeloze coma ontwaakt en vervolgens moet zien verder te leven in een onherkenbaar veranderde wereld.


In de jaren van de sluiting heeft tussenpaus Gijs van Tuyl een aantal aankopen gedaan, evenals de huidige directeur Goldstein, en of die aankopen beantwoorden aan onze smaak en eisen is een tweede, maar het is licht hysterisch om te denken dat we in zulke accelererende tijden leven dat een gapend gat van acht jaar een hernieuwd geopend Stedelijk Museum onvermijdelijk in de richting van een soort dependance van het Rijksmuseum torpedeert. Alsof die gemiste acht jaren tezamen een onnavolgbaar en uniek tijdvak omvatten, dat met geen acquisitie of nieuwe expositie valt te heroveren.


Het gehamer op het Veranderde Kunstklimaat verraadt een zekere mate van actualiteits-fetisjisme onder sommige professionele kunstcritici. De tragiek is dat zij dit fetisjisme zélf aanzien voor een 'reflexieve benadering'. Men is niét verheugd dat na jaren weer de -ik doe maar een greep - Chagalls, De Koonings, Newmans en Naumans weer te zien zijn - nee, ze missen dat ene 'sleutelwerk' van het in de kunstwereld opgeborrelde Chinese of Koreaanse of Oost-Groningse wonderkind dat nu is aangekocht door het 'avontuurlijk aankopende' museum uit - ik noem maar wat - Leipzig, Singapore of Buenos Aires.


Met het uiten van deze onvrede laat de criticus ons onbedoeld weten erg veel Air Miles te hebben verzameld en dat wij, argeloze schoenlappers, dan misschien wel blij zijn met de hernieuwde kennismaking met Malevitsj, maar die kennismaking vinden de actualiteits-fetisjisten hopeloos oudbakken - want the real thing anno 2012 hebben wij, onkundig van de aankopen in Singapore en Leipzig, toch maar mooi gemist, en daar kan geen gemusealiseerde Malevitsj of Matisse tegenop.


De staf van het Stedelijk Museum moet iets van deze zoektocht naar spijkers op laag water hebben voorvoeld, getuige de publicatie van de vuistdikke huiscatalogus Stedelijk Collectie: Refelcties. De mammoetcatalogus inventariseert en bepeinst de collectie, van Rietveld tot Dijkstra en van Kokoschka tot Koos Breukel.


Je weet niet wat je ziet als je begint te bladeren. De huidige semipermanente opstelling van de collectie is - laten we dat niet vergeten - een keuze uit de schatkamers van het Stedelijk. Er is nog zoveel in depot dat het niet anders kan of in de komende jaren zal die collectie op onderdelen wijzigen.


De catalogus Stedelijk Collecties: Reflecties geeft niet alleen inzicht in de aard en omvang van de collectie, ook staan er drie en veertig essays in, geschreven door curatoren, critici, kunsthistorici uit binnen- en buitenland.


Wie zijn die drie en veertig personen uit de kunstwereld precies? De personalia liegen er niet om. Het namenregister van de deelnemers ademt een kosmopolitisme dat zich ook weerspiegelt in de modern-historische collectie van het Stedelijk. Dat is de zonzijde.


Dan de schaduwkant van Stedelijk Collectie: Reflecties. Die kant is er helaas ook, en nu en dan aanvallig en overdadig. Bij het lezen van de essays is de neiging niet te weerstaan om Gerrit Komrijs De taal van de kunstkritiek te herlezen, om vervolgens moedeloos te constateren: non, rien n'a changé. Komrij vroeg zich af: 'hoe komt het toch dat schrijven over kunst (..) leidt tot gewichtige prietpraat? Waarom blaast, als het om kunst gaat, het onverstand zich altijd zo dik op ...?' In Reflecties heerst allesbehalve het onverstand, iedereen in de catalogus heeft ongetwijfeld kennis van zaken - wat de erbarmelijke verbale luchtfietserij en opgepompte krompraat er des te dramatischer op maakt. Nog altijd schijnt schrijven over kunst gepaard te moeten gaan met een even bombastisch als onwelriekend jargon dat zelfs de meest hartstochtelijke liefhebber verslagen achterlaat.


Het slotessay in Reflecties gaat over 'politieke strategieën in de kunst van nu'. Eén van de kortere, eenvoudiger zinnen uit het stuk gaat zo: 'Als hedendaagse kunst met politieke ambities het idee aanhangt om 'kritische' beschrijvingen en analyses van de samenleving te geven, richt het kritisch discours dat aan deze strategieën ten grondslag ligt zich allereerst op de politiek van de representatie.'


Lees deze zin hardop in de nieuwe ondergrondse zaal van het Stedelijk, en men ontvlucht alsnog in drommen het Gebouw. Geen wonder: zodra ingewijden in de hedendaagse kunst zich uitlaten in termen van 'strategieën', is de kans groot op jargon van dikke woorden die niets dan mist en stofwolken veroorzaken.


Je moet er intussen niet aan denken dat je in volle ernst aan een kunstenaar vraagt: 'Wat is, binnen je kritisch discours, je strategie?'


De kunstenaar als zetstuk op het Stratego-bord, met de ingewijde kunstscribent die het speelbord ongevraagd domineert met taal die geen taal is, maar loos jargon. Kunstjargon is de ontaal van de zelfbenoemde expert die niet beseft dat hij met zijn stinkende adem de kunstwerken bezwaddert waar hij zich, opgepompt en dikgemaakt, over uitlaat.


Gelukkig zijn er onder die drie en veertig ook genoeg die wél aandacht besteden aan de accuratesse van hun taalgebruik. Emeritus hoogleraar Carel Blotkamp schrijft lenig en aanstekelijk over de (schijnbare) verdwijning van het stilleven in de hedendaagse kunst. Dominic van den Boogaard bepeinst de heropleving van de schilderkunst in de laatste twintig jaar.


De mooiste bijdrage komt van de enige schrijver uit het gezelschap van drie en veertig. K. Schippers schrijft over Nederland en de dadabeweging. Hij is de enige die niet iets uiteenzet, maar een verhaal vertelt; een verhaal dat het midden houdt tussen essay en anekdote. Alle informatie die hij wel degelijk aandraagt, ondersteunt soepel en speels de suspense van zijn verhaal. Over de dag in 1966 dat Marcel Duchamp, Max Ernst, Man Ray en René Magritte zomaar met zijn vieren op de trappen van het Stedelijk stonden. Over de aanleiding van hun bezoek: een solo-tentoonstelling van de inmiddels obscuur geraakte William Copley. Over de geschiedenis van Dada en de unieke rol van outsider van Duchamp. Over het Stedelijk zélf vraagt Schippers aandacht voor de 'atmosfeer van vrijheid en democratie' in het museum, een sfeer 'die nergens te koop is en toch deel uitmaakt van het Stedelijk'.


Het slot van zijn verhaal is als een spannende climax in een whodunit : de herinnering aan Duchamp die deelnam aan een zogeheten screentest van Andy Warhol. Warhol zette tientallen mensen voor de camera, gaf geen enkele aanwijzing, maar filmde minuten lang puur om het filmen zelf. Een screentest voor noppes, zonder doel of zin - en juist daarom spannend om naar te kijken. Er staat niets op het spel en juist daardoor is vrijwel automatisch heel veel te zien op de gezichten van degenen die de screentest ondergaan. De screentest bevalt Duchamp zeer. Schippers: 'Geen woord hoeft hij te zeggen. Hij is de acteur in een bewegende still. (..) Hij wantrouwt de taal, vindt elk gesprek niets meer dan een spel (..). Alleen maar wat klanken, tot de stilte weer invalt.'


Poëzie in de vermomming van een verhalend essay, te vinden in een catalogus die om méér precieze poëzie en minder jargon schreeuwt. Schippers weet: kunst heeft recht op afgewogen woorden, secuur gemaakte woordkunst. 'Strategieën' bewaren we wel voor het leger, landspolitiek, media en bedrijfsleven; kunst gedijt bij spannende verhalen, waarbij eerst en vooral de stijl die spanning veroorzaakt. Precisie in taal scherpt de blik.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden