Vonk

'Waarom wij Nederlanders zo weinig van het WK verwachten'

Van Oranje wordt opvallend weinig verwacht op het WK. Nederlanders zijn hun zelfvertrouwen kwijt, constateert Sander van Walsum, en dat is misschien weleens goed.

Beeld anp

In gedachten zijn we al menigmaal wereldkampioen voetbal geweest. We waren het op 6 juli 1974, daags voor de finale tegen West-Duitsland. En eigenlijk waren we het daarna ook nog. Totdat schrijver Auke Kok ons in 2004 van de illusie beroofde dat wij de besten waren. Hetgeen ons er niet van weerhield om ons in 2006 tot de achtste finale - die rampzalige wedstrijd tegen Portugal - rijk te rekenen. Twee jaar later wisten we na drie briljante wedstrijden zeker dat we Europees kampioen zouden worden. En in 2010... Enfin, de afloop is bekend.

Dit jaar is het anders, vooralsnog ontbreekt het vertrouwen dat het er tijdens het komende WK eindelijk van komt. Aan de Belgen worden betere kansen toegedicht. Dat een regenbui Oranje er onlangs van weerhield om te trainen, werd door Trouw als een 'slecht voorteken' aangemerkt. Als een van de vele trouwens.

Aarzelend op gang
Naar vindingrijke Oranje-parafernalia, die bij eerdere toernooien ruim tevoren onontkoombaar waren, moet je goed zoeken. De gewoonte huizenblokken in oranje landbouwplastic te wikkelen, komt dit jaar aarzelend op gang. Misschien is er ook geen reden voor het geloof in de eindzege. Maar die was er bij de vorige WK's en EK's ook niet. Misschien is de ontnuchtering van het EK-echec van 2012 nog niet uitgewerkt. Misschien heeft Louis van Gaal effectief verwachtingsmanagement bedreven, al mag worden betwijfeld of zijn invloed zó ver reikt.

Waarschijnlijker is dat we van Oranje niet méér verwachten dan we van onszelf verwachten. Als de Nederlandse stemmingsconjunctuur haar piek bereikte in de tweede helft van de jaren negentig, moeten we nu onderhand toch wel op de bodem van het dal zijn aangekomen. Over het aangekondigde herstel van de economie wordt vooral geschamperd. Inderdaad blijkt een kwakkelwinter in combinatie met een late Pasen al tot een krimp van 1,4 procent te hebben geleid. Veel reden voor vertrouwen is er dus niet. Dat houden we onszelf dan ook met graagte voor. Zoals we ook op de betrekkelijkheid wijzen van alle ranglijstjes waarin Nederland prominent figureert.

Duitsland
De overslag in de Rotterdamse haven is op een hoog niveau stabiel? Bij de concurrenten neemt hij toe. Nederland scoort goed bij het PISA-onderzoek met het kernvak wiskunde? Ja, maar met een lagere score dan de vorige keer. De huizenmarkt trekt aan? Misschien, maar het herstel is pril en er liggen her en der nog wat tijdbommen te tikken. Staan maar liefst acht Nederlandse universiteiten in de top-100 van The Times Higher Education World University Rankings? Deze positie laat vooral zien dat hier veel wordt gepubliceerd, niet dat het onderwijs aan de betrokken instellingen zo goed is. Nederland wist in 2012 door te dringen tot de topvijf van meest concurrerende landen? Dat kwam vooral door de zwakke prestaties van andere landen. Het bericht kreeg hoe dan ook minder aandacht dan het feit dat Nederland een jaar later alweer uit de topvijf verdween, nee: duikelde. Waar de eerdere stijging aan externe factoren werd toegeschreven, kwam de daling wel overwegend op het conto van Nederland, en dan vooral op zijn onvermogen om te innoveren.

Ons nationale zelfbeeld wordt vaak gespiegeld aan dat van Duitsland. In de jaren negentig was de gangbare opvatting dat het ons beter ging dan de grote buurman. We meenden ook te weten hoe dat kwam: de Duitsers waren te lang blijven inzetten op de oude maakindustrie en hadden de afslag naar de diensteneconomie gemist. Hoe dan ook hielden wij onszelf voor veel flexibeler en innovatiever te zijn dan die enigszins vadsige Duitsers. Inmiddels is die zienswijze 180 graden gedraaid: de diensteneconomie en de grote bancaire sector hebben ons de achterliggende jaren de das om gedaan. De flexibiliteit van weleer wordt nu vertaald als wispelturigheid en bestuurlijke inconsistentie. Daarentegen zijn de Duitse machinebouw, de automobielindustrie en de kleine familiebedrijven die tien jaar geleden nog getuigden van de Duitse onbeweeglijkheid opgewaardeerd tot de dragers van het 'tweede Wirtschaftswunder'. Wij, in Nederland, proberen nu amechtig de restanten van de ooit afgeschreven maakindustrie overeind te houden.

Beeld anp
Beeld anp

Mentaal hard geraakt
We zijn niet meer zo bedreven in het tellen van onze zegeningen. En al helemaal niet in het vieren van onze successen. Zelfs als die evident zijn, zoals tijdens de Olympische Winterspelen in Sotsji, worden ze opgevoerd als opmaat van toekomstig verval. De Zwarte Zwadderneel, de creatuur van Marten Toonder die hoogmoed en ongepaste vrolijkheid bestreed, heeft bezit van ons genomen. We zijn van het ene uiterste, een overspannen geloof in eigen kunnen, in het andere vervallen. De crisis lijkt ons, Nederlanders, mentaal harder te hebben getroffen dan de ons omringende volken.

Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met de jubelstemming van de jaren negentig, hoe ongefundeerd die ons nu ook voorkomt. Destijds meenden we, met die mooie nieuwe economie van ons, het recept voor eeuwigdurende groei te hebben gevonden. We stelden de beschaafde wereld, en wie daartoe wilde behoren, onbeschroomd ons poldermodel ten voorbeeld. En we gingen prat op onze tegendraadsheid. Wij stoorden ons niet aan rode voetgangerslichten, dat was meer iets voor die gezeglijke Duitsers. Wij deden niet moeilijk over graffiti. Over kinderen die op voet van gelijkheid met hun ouders en hun docenten omgingen. Over fietswrakken aan de brugleuning. Zo waren wij nu eenmaal. En zo zijn we nog. Alleen vonden we al die getuigenissen van onze eigenzinnigheid toen nog lollig. Nu zien we ze eerder als een probleem.

De recente Nederlandse geschiedenis is hoe dan ook rijk aan snelle en felle slingerwegingen. Vrijwel nergens voltrok de de-industrialisatie zich zo snel als in Nederland in de jaren zeventig, en vrijwel nergens in de westerse wereld was de daaropvolgende crisis zo manifest. Vrijwel geen ander land boog zo sterk mee met de modes van de jaren zestig, en vrijwel nergens zijn de instituties er zo structureel door beïnvloed. Als wisselende stemmingen kenmerkend zijn voor een romantisch gemoed, waren wij de laatste decennia het meest romantische volk van West-Europa.

Diepe val

De huidige val is zo diep omdat de vlucht ervoor zo hoog was. We zijn zo hard geraakt door de crisis omdat we onszelf zo radicaal hadden bekend tot de nieuwe economie en omdat we zo overtuigd waren van de onveranderlijkheid van onze sociale verworvenheden. Aan die crisis gingen bovendien twee politieke moorden - op Pim Fortuyn en Theo van Gogh - vooraf die ons land ten diepste hebben geschokt. Dat was 'de valse start van de 21ste eeuw' zoals historicus Jos de Beus het heeft omschreven.

De slinger zal wel weer een keer de andere kant op gaan. Laten we onszelf echter toewensen dat we niet opnieuw in een ander uiterste vervallen, want hoe verleidelijk de opgewektheid van de jaren negentig er vanuit het huidig perspectief ook uitziet, ze heeft ons ernstig parten gespeeld. De jaren negentig waren de tijd van: iedereen vindt ons aardig. Van: een zesje is goed genoeg. Van: hier moeten ze het maar mee doen. We hebben geen enkele reden daarnaar terug te verlangen. De jaren stonden ver af van de bezonnenheid waarop we ons eerder lieten voorstaan. En ze vormden de opmaat van de teleurstellingen die erop zijn gevolgd. De Zwarte Zwadderneel, 'die een zekere faam genoot wegens zijn ernstige levensbeschouwing', zou zich er ontheemd hebben gevoeld. 'Hoedt u voor de winderige die in ledigheid over de wegen gaat', was een van de uitspraken die zijn schepper hem in de mond legde.

We zijn de overmoed en de illusie voorbij. In die toestand kunnen we ons beter beraden op de toekomst dan in een staat van zelfbegoocheling. En misschien, heel misschien worden we wel wereldkampioen. Omdat niemand daar op rekent.

Beeld anp
Beeld anp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden