Waarom we elkaar zo snel op de smoel slaan

Het ligt, zeg ik maar meteen, aan Michail Michailovitsj Zosjtsjenko. Dat u niet denkt, burgers en burgeressen, dat ik een klap van de molen heb gehad....

Michail Michailovitsj Zosjtsjenko was een Sovjet-satiricus. In zijn kijk op het dagelijks leven was hij duidelijk beïnvloed door Guy de Maupassant. Beiden hadden althans geen hoge pet op van de mensheid, met haar ijdelheden en ondeugden, en haar diepgewortelde egoïsme. De satirische teksten van Zosjtsjenko gingen voornamelijk over het gesjoemel en de hardhandigheid waarmee Russische burgers in de eerste helft van de 20ste eeuw probeerden overeind te blijven te midden van het collectief.

Wanneer gevoelige mensen in onze tijd weleens klagen over de snelheid waarmee wij moderne burgers en burgeressen elkaar op onze smoel plegen te slaan, komt dat dan ook vooral voort uit een gebrek aan historisch besef. Noch de 19de eeuw van De Maupassant, noch de 20ste eeuw van Zosjtsjenko was veel harmonieuzer dan de onze. De onbuigzaamheid van het systeem en de onverschilligheid van hooggeplaatsten geven in elk tijdsgewricht gemakkelijk aanleiding tot agressie.

De 20ste-eeuwse misantropie van Zosjtsjenko leerde ik zelf als kind al vroeg kennen. Naast ons gezin woonde namelijk een aanhanger van het Sovjet-regime, zo’n doodgewone dokter met een Lada. Die auto had hij, denk ik achteraf, gekocht omdat de carrosserie grijs was en omdat er een hulpbrandstofpomp in zat voor het geval je in Siberië zou belanden. Een ander zou voor hetzelfde geld misschien een kapitalistische rode cabriolet hebben gekocht, maar zo was deze kameraad niet. Hij stelde zijn communistische plicht boven zijn persoonlijke burgermanslusten. Hij deugde, zou je kunnen zeggen.

Op een dag gaf deze modelburger mijn ouders een boek cadeau. Niet om het een en ander, maar gewoon omdat hij prijs stelde op een beschaafde omgang met de buren. En daar stond dus dat boek van Michail Michailovitsj Zosjtsjenko in de boekenkast. En dat las ik. En dat beviel me. Ik had er vooral lol in, als ik eerlijk ben, omdat de helden van Michail Michailovitsj elkaar om het minste geringste op hun smoel timmerden. Kijk, zuchtte ik, als klein meisje met een onschuldige strik op het achterhoofd, dat lucht lekker op.

Deze gewelddadige trek in mijn karakter had ik u natuurlijk allang eens moeten opbiechten, burgerlezer, maar het kwam er niet van. De Sovjet-achtergrond ervan schoot me pas weer te binnen toen deze week die onaangename geschiedenis opdook van die politicus. Laten we hem Alexander noemen. Zijn achternaam kan ik me niet herinneren, maar, zoals Zosjtsjenko zou zeggen: die doet er ook niet toe. Van deze Alexander hadden ze zijn vuilniszak bij de stoep weggehaald en opengeknipt en de inhoud gefotografeerd en in de krant gezet. De vuile donders. Je zou ze het liefst op hun kiezen timmeren.

Natuurlijk kwam er gedoe van. Onze held Alexander was eigenlijk de enige die beheerst bleef. Ik kan toch moeilijk, burgers, zei hij, rekening houden met onverlaten die aan de haal gaan met de eierschalen en wattenschijfjes van mijn geliefden. Maar de boeven, die op de televisie ook uitgebreid hun verhaal mochten doen, spraken fermere taal. Wat zijn dat voor kleinburgerlijke praatjes van dat stuk vuil van een politicus?, zeiden ze. Die kerel ondermijnt de Nieuwe Economische Politiek.

Vervolgens bogen natuurlijk alle deftige journalisten en wetenschappers zich over de vuilniszak. Ze vertelden ons eerst wat er precies in had gezeten en spraken er toen schande van dat we dat nu allemaal wisten. En nadat binnen 24 uur alle intimiteiten van alle Nederlanders over alle redacties waren uitgestrooid, kwam tot slot de idealistische stukjesschrijver aan het woord, en die was nog deftiger dan alle journalisten en wetenschappers tezamen, en die schreef dat iedereen dood moest.

Er bestaat, denk ik, een relatie tussen de hardhandigheid van ons, simpele burgers, en het fatsoen van de boven ons gestelden. Als hoofdredacteuren vuilniszakken gaan openknippen en stukjesschrijvers ons dood wensen, moet je niet raar opkijken als wij vervolgens op straat erop los gaan meppen. Het is een simpel inzicht dat ik heb overgehouden aan mijn bestudering van de Russische literatuur.

Dit heb ik ooit ook voorgehouden aan ambtenaren die zich verzetten tegen de gewoonte van hun clientèle om baliemedewerkers op hun smoel te slaan. Aan hen vertelde ik Zosjtsjenko’s verhaal over Koeljkow, die stuitte op onverschilligheid van de bureaucratie. Maandenlang hadden ambtenaren geweigerd hem te woord te staan, en nu begon het te nijpen. ‘Ik zal meteen maar’, dacht hij, ‘iemand van dat bureaucratenpersoneel bij z’n kraag pakken en hem een voorzichtige tik op z’n smoel geven. Misschien zullen ze na zo’n voorval hun welwillende aandacht ook eens aan mij willen schenken en mijn zaak ter hand nemen.’

Het is, mijn geliefden, een kwestie van zinkend cultuurgoed: als ambtenaren en journalisten zich gedragen, zullen ze op straat minder gauw meppen. Ik beschouw dit alles zelf intussen met filosofische gelatenheid. Smerige duivels, denk ik wel van tijd tot tijd, ze zouden jullie op je smoel moeten slaan. Maar in mijn geval ben ik heel tevreden met die houding, want die staat, zoals gezegd, in een lange en verheven literair-culturele traditie van geloof in de onverbeterlijkheid van de mens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden