Waarom we de April-meistakingen van 1943 niet mogen vergeten

Van de drie stakingen in oorlogstijd waren die in april en mei 1943 de grootste. En toch wordt daarover zelden gesproken. Terwijl ze toch het keerpunt markeren van de Duitse bezetting. 

Stakers in Veendam dwingen de buschauffeur om mee te staken. Beeld Roelf Geert H. Venema / RHC Groninger Archieven

Vraag een Nederlander naar een staking tijdens de Duitse bezetting, en hij zal steevast de Februaristaking van 1941 noemen – het spontane protest na de eerste Jodenrazzia. Een enkeling zal misschien over de Spoorwegstaking van 1944 beginnen. Maar de April-meistakingen van 1943 zullen niet snel worden genoemd.

Dat zit de 90-jarige Joke Pelser-van der Veer dwars. Want van de drie stakingen in oorlogstijd was die van 1943 de grootste. En bij het neerslaan van het protest vielen in korte tijd zeker 175 doden. Twee van hen waren de broers van Pelser, Wim en André. Ze waren 24, respectievelijk 22 jaar oud toen ze door de Duitsers op een onbekende plek werden geëxecuteerd. Hun lichamen zijn nooit meer teruggevonden. Ziehier, in alle bondigheid, de reden waarom Pelser zo slecht verdraagt dat de gebeurtenissen van 75 jaar geleden uit het collectieve geheugen zijn verdwenen.

Bij het uitbreken van de oorlog, in 1940, bewoonde de familie Van der Veer een groot huis aan de Molenstraat in Nijmegen. Joke Pelser toont een foto van de ongeschonden straat. Op de achtergrond staat nog de kerk die later, bij het zogenoemde ‘vergissingsbombardement’ van 1944, door de geallieerden zou worden verwoest. 

‘Misschien is dat achteraf maar goed, want nu zouden al die kerken maar leeg hebben gestaan.’ Op de voorgrond, aan de linkerkant van de straat, staat haar ouderlijk huis. Het uithangbord met de vulpen is goed zichtbaar. ‘Mijn vader was eigenaar van een winkel voor kantoorbenodigdheden, hét adres in Nijmegen voor vulpennen en drukwerk.’

Op de vroege ochtend van 10 mei 1940 werd Pelser door haar vader gewekt. ‘Normaal kwam hij als een heer zijn slaapkamer uit, in een maatpak en geurend naar brillantine. Nu stond hij aan mijn bed met ongekamde haren. Het is oorlog, zei hij, kijk maar. Hij wees naar langstrekkende vliegtuigen. En ik dacht: hij weet wat oorlog is.’ Broer Wim was dienstplichtige in het Nederlandse leger. Hij kwam terug uit de korte oorlog met een aandoening waarvan we nu weten dat het een posttraumatische stressstoornis is.

Thuis was de voorgaande jaren niet vaak, maar altijd met afschuw over Hitler gesproken. ‘Ik zie nog voor me hoe mijn vader na de Kristallnacht in 1938 in de achterkamer hoofdschuddend de krant las. ‘Het zal je maar gebeuren dat je etalageruiten worden ingegooid, zei hij.’ Broer André deed na het eten soms Hitler na. ‘Dan bracht hij met de kolen voor de kachel een snorretje aan, trok zijn lok over het voorhoofd en ging hij wild oreren. Dat deed hij toch zó ontzettend leuk.’

In de bezetting was André ook het strijdbaarst. Hij liep rond met een dasspeld met de beeltenis van koning Willem III. ‘De Duitsers hadden elk eerbetoon voor Wilhelmina verboden, maar over Willem III hadden ze niets gezegd.’ Hij raakte eens betrokken bij een handgemeen met een NSB’er die het speldje had willen afpakken en hij ging voor in de boycot van een foute slager. ‘Hij zei: ik vreet dat vlees van Oswald niet. Zó ben ik opgevoed. Met humor.’

Maar Wim en André waren ook betrokken bij het drukken en verspreiden van illegale pamfletten. In verband daarmee werden zij kort na het begin van de April-meistakingen van hun bed gelicht. ‘Ik had de bel horen gaan’, zegt Pelser, ‘en dacht dat het de buurman was, want op dat tijdstip mocht je je niet meer op straat begeven. Maar de volgende ochtend vertelde mijn moeder dat het de SD was geweest.’ Daarmee waren Wim en André, zoals Pelser het uitdrukt, ‘uit ons zicht verdwenen’. ‘’s Avonds zaten we stil aan tafel. Bij de aanblik van de lege stoelen van Wim en André begon ik vreselijk te huilen.’

Op maandag 3 mei ging de familie naar de vroege mis van half acht. ‘Op dat moment was al bekendgemaakt dat Wim en André waren doodgeschoten. Wij wisten dat nog niet. Uit de reacties van andere mensen in de kerk maakten wij op dat zíj het wel wisten.’

’s Middags kwam een SD’er langs met de mededeling dat de twee jongens in Hengelo ter dood waren veroordeeld en dat het vonnis al was voltrokken. ‘Es tut mir leid, zei hij tegen mijn vader.’ Korte tijd later ontving de familie via een predikant en een kapelaan twee brieven met enkele ‘krabbeltjes’ van Wim en André. ‘Ze schreven dat ze geen spijt hadden van wat ze hadden gedaan en dat ze niet meer aan wereldse zaken dachten.’ Meteen na de bevrijding ging hun vader in Hengelo en omgeving op zoek naar hun lichamen. ‘Ze zijn nooit gevonden.’

‘Over de dood van Wim en André hebben we nooit expres gezwegen’, zegt Pelser. ‘We hebben er geen zenuwslopend onderwerp van gemaakt.’ Maar als weer eens de indruk wordt gewekt dat alleen in februari 1941 is gestaakt, maakt een gevoel van opstandigheid zich meester van haar.

De oorsprong van de April-meistakingen

De April-meistakingen van 29 april tot 3 mei 1943 waren een reactie op de bekendmaking van de Duitse generaal Christiansen ‘dat de leden van het voormalige Nederlandse leger terstond in krijgsgevangenschap worden weggevoerd’. Hij rechtvaardigde deze straffe maatregel met het argument dat Nederlandse oud-militairen bij het verzet betrokken waren en daarmee hun in 1940 gedane belofte braken dat zij niets tegen de bezetter zouden ondernemen. Hitler had deze belofte van hen geëist als voorwaarde voor hun vrijlating uit krijgsgevangenschap – die als verzoenend gebaar van de nazi’s was verkocht. Slechts 71 beroepsmilitairen hadden geweigerd de geëiste ‘verklaring op erewoord’ af te leggen.

De bakkers in Vriezenveen besluiten tot deelname aan de April-meistakingen van 1943. Beeld Beeldbank NIOD

De bekendmaking van Christiansen werd op 29 april 1943 vermenigvuldigd bij drukkerij Smit in Hengelo. Toen de werknemers van de ernaast gelegen machinefabriek Stork nota namen van de inhoud, gingen zij meteen in staking. Een telefoniste van Stork, Femy Efftink, informeerde op eigen gezag een groot aantal bedrijven in de omgeving over de proclamatie van Christiansen en over de staking bij die daarop was uitgeroepen. Andere telefonistes volgden het initiatief van Efftink, en ontketenden zo stakingen in grote delen van het land.

Ruim 200 duizend mensen in uiteenlopende sectoren zouden het werk hebben neergelegd. In Friesland, waar de April-meistakingen als Melkstaking de boeken is ingegaan, kleurden sloten en vaarten nog dagen wit van de melk die de boeren niet bij de melkfabrieken hadden willen afleveren. Alleen in de Randstad werd doorgewerkt, wellicht omdat het nieuws van de stakingen er niet was doorgedrongen en omdat de brute reactie van Duitsers op de Februaristaking van 1941 er nog vers in het geheugen lag.

In 1943 tapten de bezettingsautoriteiten uit hetzelfde vaatje. Per 1 mei kondigden zij het politiestandrecht af. Mensen die ervan werden verdacht aan de staking te hebben deelgenomen, werden na een kort proces tot zware straffen – vaak de doodstraf – veroordeeld. Het eerste slachtoffer van deze repressie was een Groningse jongen bij wie de Duitsers een boksbeugel aantroffen. Deelnemers aan samenscholingen werden op straat doodgeschoten.

In totaal verloren minstens 175 mensen het leven, nog afgezien van de sterfgevallen onder stakers die naar concentratiekampen werden overgebracht. Van enkele tientallen is het stoffelijk overschot nooit teruggevonden. Of de doden metterdaad betrokken waren geweest bij de stakingen deed niet zoveel ter zake voor Hanns Albin Rauter, de hoogste vertegenwoordiger van de SS in Nederland. ‘Het komt er niet zozeer op aan dat de juiste man wordt neergeschoten. Het komt er op aan dat er op het juiste moment doden vallen.’ Die benadering sorteerde effect. Na enkele dagen verliepen de stakingen.

Nergens in de door nazi-Duitsland bezette landen is op zo’n grote schaal gestaakt als in Nederland van 29 april tot 3 mei 1943. Toch genieten de April-meistakingen niet de bekendheid van de Februaristaking van 1941 en de Spoorwegstaking van 1944. Over de mogelijke redenen daarvan wisselden geïnteresseerden onlangs van gedachten op een symposium dat het Verzetsmuseum had belegd in de marge van de presentatie van een boek van Petra Wolthuis over de stakingen van 75 jaar geleden. Een gangbare verklaring voor de onbekendheid van deze episode is dat er weinig foto’s van bewaard zijn gebleven.

Daar kwam bij, opperde publicist Ad van Liempt, dat de indruk van een drama dat zich op verschillende plaatsen voltrekt minder groot is dan van een drama dat zich op één plaats concentreert. ‘Twintig doden op twintig plaatsen is twintig keer klein nieuws. Twintig doden op één plek is groot nieuws.’

Een ding is echter zeker: na april 1943 groeide, met de toenemende repressie, ook de verzetsgeest. Zo beschouwd markeren de April-meistakingen het keerpunt van de Duitse bezetting.

Petra Wolthuis: Er hoeft er maar één te beginnen; de April-meistaking 1943. Te verkrijgen in het Verzetsmuseum voor 24,95 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden