Waarom vloeken we eigenlijk? @#$%&!!!

'Godverdomme, eikel, wat een kutrapport nou toch weer'

Keihard vloeken kan soms zó lekker zijn. Maar waarom eigenlijk? Anna Kiosse schreef er een boek over. @#$%&!!!

'Als ik tegen mijn zoon zeg: 'Godverdomme, eikel, wat een kutrapport nou toch weer', maakt dat allang geen indruk meer op hem' Foto Anna Maria Kiosse

'Vloeken is aangeleerd', stond er op de beroemde papegaaienposter van de Bond tegen vloeken, 's Neerlands grootste vechters tegen de bierkaai sinds mensenheugenis. (website: godverdomme.nl. Echt waar.) Ja, vloeken is aangeleerd. 'Bidden ook!', kalkte de al even beroemde, zij het anonieme lolbroek eronder. Vloeken onderscheidt ons, mensen, van de dieren (behalve dan van papegaaien, maar die weten niet wat ze zeggen) en is dus in zekere zin een teken van beschaving.

Het nieuwtje 'intelligente mensen vloeken meer dan anderen' verbaasde me dan ook niets. Vooral ook omdat dezelfde types die zo van schelden houden tevens graag een hartig ontbijt eten en naakt door het huis lopen, zo bleek uit details van het betreffende onderzoek: ook al dingen waar ik dól op ben, dus dat kon geen toeval zijn. Helaas stelt niemand in mijn huis het op prijs als ik 's ochtends vroeg naakt uien sta te bakken; maar vloeken doen ze gelukkig allemaal wél.

Het bleek trouwens niet waar, van die hogere intelligentie bij fervente vloekers, las ik onlangs. Het onderzoek was verkeerd geïnterpreteerd, zoals dat steevast gaat bij onderzoeken: de hardste schelders bleken niet zozeer slimmer dan anderen, maar alleen welbespraakter. Hoe groter iemands vloekvocabulaire, des te rijker ook de rest van zijn woordenschat.

Foto Anna Maria Kiosse

Tegenstanders van het vloeken vinden scheldwoorden juist geen verrijking van de taal, maar een zwaktebod. Een teken van machteloosheid. 'Dat soort woorden heb jij als taalliefhebber toch niet nodig?', mailen lezers me vaak als ik weer eens 'kut', 'klootzak' of 'godverdomme' heb geschreven in een stukje. 'Ik heb die woorden juist wél nodig', schrijf ik dan terug. 'Ik houd te veel van taal om woorden uit te sluiten. Ik wil elk woord kunnen gebruiken dat er in me opkomt, of dat nu 'non-valeur' is of 'teringlijer', 'malafide vrouwmens' of 'kutwijf'.

Niet voor niets is een ander woord voor vloek 'krachtterm': zo'n woord komt vaak sterker, krachtiger over. Al moet ik toegeven: wie vaak en veel vloekt, loopt het risico dat die woorden hun kracht verliezen. Als ik tegen mijn zoon zeg: 'Godverdomme, eikel, wat een kutrapport nou toch weer', maakt dat allang geen indruk meer op hem. Ik heb mijn kruit verschoten, terwijl er ongetwijfeld nog vele kutrapporten zullen volgen. Dan zal ik nog harder moeten gaan vloeken. Teringtyfuskutrapporten! Tot ook dát geen indruk meer maakt. Uiteindelijk kan ik waarschijnlijk beter in tranen uitbarsten, het meest machteloze zwaktebod van allemaal.

De vraag blijft: waaróm vloeken wij eigenlijk? In het onlangs verschenen boek The F!$*@ing history of swearing probeert Anna Kiosse een verklaring te geven. Ze haalt een wetenschappelijk artikel aan van psychologieprofessor Timothy Jay, die uitlegt dat er in alle culturen en sociale lagen gevloekt wordt. De taboewoorden, zoals hij ze noemt, kunnen sterk verschillen: ze kunnen verwijzen naar geslachtsverkeer (fuck), naar godslastering (godverdomme, Jezus Christus), naar viezigheid (shit, merde), naar dieren (zwijn, teef, Schweinhund) naar iemands geslacht, etnische afkomst, seksuele geaardheid (kutwijf, poepchinees, homo) of twijfelachtige afkomst (hijo de puta, bastard, son of a bitch).

Zulke taboewoorden, die dus eigenlijk verboden zijn, tóch gebruiken is een soort stoom afblazen. Volgens Jay is vloeken zoiets als toeteren in de auto; er zijn verschillende aanleidingen, van schrik, woede en frustratie tot vreugde, zoals bij een Turkse bruiloft.

Vloeken met ziekten is trouwens een geval apart, internationaal bekend als een typisch Hollands fenomeen. Ook daarvoor geldt trouwens dat veel van die vloekziekten inmiddels hun kracht hebben verloren, zowel letterlijk als figuurlijk. De pleuris, de tyfus, de kolere, de tering en de pokken; je zult er, althans in Nederland, niet gauw meer aan sterven, en daarmee zijn ook de vloeken tam geworden. Ooit was het uitermate grof om iemand een 'klerelijer' te noemen; diegene zag zich direct geconfronteerd met een dodelijke ziekte. Tegenwoordig zal niemand zich zo'n verwensing meer aantrekken. In mijn gezin geldt het zelfs min of meer als koosnaampje voor de jongste, 'kleine klerelijer'. Alleen al die lekkere alliteratie!

Foto Anna Maria Kiosse

Met kanker ligt dat vooralsnog gecompliceerder. Een van mijn lievelingsschrijvers, de Amerikaan David Sedaris, vreest het doorbreken van taboes bepaald niet, maar verbaast zich toch hogelijk over een Nederlands scheldwoord als 'kankerhoer'. 'In Amerika zou je iemand die zoiets tegen je zegt waarschijnlijk voor het gerecht kunnen slepen', zei hij. 'En waarom wordt er wél met 'kankerhoer' gescholden, maar bijvoorbeeld niet 'diabetesslet' of 'gonorroelul?' Het is inderdaad raadselachtig.

Toen mijn jongste zoontje, de kleine klerelijer dus, een jaar of 3 was, woonden we in Den Haag, en bezocht hij dus een Haags peuterschooltje. Hij kreeg daar blijkbaar nogal verwarrende informatie te verwerken; in zijn prentenboekje zag ik hem eens een plaatje van een kangoeroe aanwijzen, waarbij hij vertederd 'kankerhoer!' uitriep. Hij bedoelde het goed. 'Kanker' is de meest gebruikte vloek in Nederland, las ik laatst. Al ben ik, zoals gezegd, dol op vuilbekken, vloeken met kanker heb ik bij mijn kinderen altijd ontmoedigd. Uit bijgeloof? Uit piëteit met kankerpatienten? Uiteindelijk heb ik de strijd met de tijdgeest moeten opgeven. Zoals bekend werkt een verbod alleen maar averechts; van de weeromstuit spraken mijn kinderen doodgemoedereerd van een 'kankerlekker toetje' en een 'kankerheftig feest'. Onlangs las ik op een scholierenforum een discussie van 13-jarige jongetjes over de lengte van hun lul; de kinderen riepen (onwaarschijnlijke) afmetingen in centimeters heen en weer, tot er één de wedstrijd onmiskenbaar won met de troef: 'de mijne is gewoon kánkergroot'.

'Voor de zekerheid blijf ik gewoon maar lekker hard vloeken' Foto Anna Maria Kiosse

Zo verandert de naam van een doodenge ziekte in feite in een aanprijzing, een superlatief. Sommige mensen schrikken daarvan, maar met enige goede wil kun je er ook iets positiefs in zien. De pokken, de tyfus, de klere en de pleuris spelen (in Nederland) geen rol van betekenis meer. Je kunt tegenwoordig gerust spreken van een 'pokkeproefwerk' zonder de klas uitgestuurd te worden. Wellicht gaat het met kanker dezelfde kant op; het woord wordt salonfähig, de ziekte verdwijnt. Ik kan niet hard maken dat er een oorzakelijk verband is, maar je weet het nooit.

Voor de zekerheid blijf ik gewoon maar lekker hard vloeken.

Illustraties uit: Anna Maria Kiosse, The f***ing history of swearing. BIS Publishers, 168 pagina's.