Waarom uw kind op school steeds slechter presteert

5 mogelijke oorzaken (en de bijbehorende oplossingen)

Nederlandse scholieren rekenen, lezen en bewegen steeds slechter, zo blijkt uit onderzoek van de Onderwijsinspectie. Hoe dat komt, is niet duidelijk. Vijf mogelijke oorzaken en de bijbehorende oplossingen. 

Meiden krijgen tekenles in het Baarnse Cantonspark tijdens de jaarlijkse 'buitenlesdag' van Jantje Beton.

Het is niet dat de leerlingen van wiskundeleraar Swier Garst de afgelopen 44 jaar dommer zijn geworden, of dat ze minder inzicht hebben in wiskundige vraagstukken. Toch valt het de 64-jarige docent op: zijn leerlingen gaan er langzaam maar zeker, beetje bij beetje, op achteruit. ‘Je merkt dat het er wel in zit, maar het komt er minder goed uit.’

De Onderwijsinspectie kwam woensdag in haar jaarlijkse rapport De Staat van het Onderwijs met een alarmerende boodschap. Nederlandse leerlingen in basis- en voortgezet onderwijs scoren steeds slechter. De gemiddelde resultaten voor vakken als lezen, rekenen, natuurwetenschappen en bewegingsonderwijs zijn de laatste twintig jaar geleidelijk teruggelopen. Vooral het aantal Nederlandse toptalenten daalt: er blinken steeds minder leerlingen uit in een bepaald vak.

‘Gemiddeld genomen doet Nederland het goed', zegt inspecteur-generaal Monique Vogelzang. 'Maar als je op de lange termijn kijkt, zie je dat we langzaam afglijden. Daar maak ik me zorgen om.'

Schommelende basisschoolleerlingen op de Parkschool in Zwolle. Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Laaggeletterdheid en minder excellente leerlingen

Helemaal nieuw is die conclusie niet. De inspectie baseert zich onder meer op grootschalige internationale onderwijsstudies die de afgelopen jaren verschenen, zoals het driejaarlijkse Pisa-onderzoek onder Oeso-landen. Eigen onderzoek van de inspectie bevestigt die trend nu.

Zo daalde het percentage leerlingen dat aan het eind van de basisschool op streefniveau (het gewenste niveau voor leerlingen die meer aankunnen) kon lezen in 2017 flink ten opzichte van het jaar daarvoor. In totaal 65 procent van de scholieren las toen zoals zou moeten - een jaar eerder was dat nog 76 procent. Het aandeel leerlingen dat het basisonderwijs laaggeletterd verlaat, steeg in twee jaar tijd van 1,4 naar 2,2 procent in 2017.

Op de lange termijn dalen de resultaten op het gebied van wiskunde en natuurwetenschappen het hardst. Zo daalde het percentage excellente leerlingen op het gebied van wiskunde van 25 procent in 2003 naar 15 procent in 2015, blijkt uit Pisa-onderzoek.

Voor de goede orde: de schoolprestaties dalen niet elk jaar en bij elk vak. Het gaat om gemiddelden op de lange termijn. Vaak gaat het maar om een kleine daling, of om stilstand. Maar omdat in andere Europese landen leerlingen de laatste jaren juist beter zijn gaan presteren, is Nederland volgens de inspectie zijn internationale toppositie in het onderwijs langzaam kwijtgeraakt.

'Eenzijdig en onterecht'

Helemaal onomstreden zijn de conclusies van de inspectie niet. De VO-raad, de organisatie van schoolbesturen in het voortgezet onderwijs, noemt het inspectierapport ‘eenzijdig en daarmee onterecht’. Voorzitter Paul Rosenmöller wijst erop dat uit het rapport ook blijkt dat meer leerlingen een diploma halen op een hoger niveau en dat er weer meer gestapeld wordt. Leerlingen halen bijvoorbeeld na een vmbo-diploma nog hun havo-examen.

Bovendien, zegt Rosenmöller, is het maar de vraag of Nederland hoog moet willen scoren op de Pisa-ranglijst. ‘Daar staan Aziatische tijgers als Singapore bovenaan. Kinderen gaan daar zestien uur per dag naar school en krijgen bijles en ouders worden er boos als ze een 8 halen in plaats van een 9 of een 10.’ Er zijn maar weinig landen waar kinderen zo gelukkig zijn en met zo veel plezier naar school gaan als in Nederland.

Leerlingen van groep 7 en 8 van de Amsterdamse basisschool De Rivieren krijgen les tijdens de Nationale Buitenlesdag. Beeld ANP

Onduidelijke oorzaken

Waarom de prestaties dalen, is niet duidelijk. De inspectie zegt daar meer onderzoek voor nodig te hebben. Omdat het probleem zich voordoet in ­zowel het basis- als het voortgezet onderwijs, bij taal, rekenen en creatieve vakken, is er niet één oorzaak aan te wijzen. Leraren, vakbonden en schoolbesturen kijken ieder door hun eigen bril en halen hun eigen stokpaardjes van stal.

Zo zegt de inspectie dat de ‘ambitie om het beter te doen’ verslapt op scholen. De PO-raad van schoolbesturen in het basisonderwijs wijt het juist aan een tekort aan overheids­financiering en een overschot aan verwachtingen van het onderwijs. ­Lerarenvakbond AOb wijst dan weer, niet geheel onverwacht, naar het lerarentekort en de werkdruk.

Wiskundeleraar Swier Garst ziet op zijn beurt dat zijn leerlingen steeds minder tijd hebben om de stof te ­oefenen. ‘Mijn lessen worden steeds vaker onderbroken omdat de leerlingen allerlei andere dingen moeten doen. Ze gaan op uitwisseling naar het buitenland, of er is een project over democratie of over Europa. Daardoor komen we minder aan oefening toe. Dat is funest.’

Ook al zijn zelfs de ervaringsdeskundigen en de experts het niet met elkaar eens, wie naar iedereen luistert, kan vijf mogelijke oorzaken voor de terugval identificeren.

1. Scholen moeten steeds meer

Curriculumvervuiling. Zo noemt ­basisschoolleerkracht Thijs Roovers het fenomeen dat er steeds meer problemen ‘over de schutting van de school gegooid worden, in de verwachting dat er daar iets mee wordt gedaan’.

Hij heeft een lijstje paraat: realistisch rekenen is belangrijk, obesitas en terrorisme zijn relevante thema’s en o ja, vergeet ook niet mee te doen aan de Week van het Geld. Allemaal interessant, allemaal belangrijk, vaak ook leuk om te behandelen. ‘Maar ja, het gaat wel ten koste van rekenen en taal’, zegt Roovers, een van de oprichters van de nieuwe vakbond PO in Actie. ‘De tijd moet toch ergens vandaan komen.’

‘De maatschappij is de afgelopen twintig jaar meer van scholen gaan vragen’, zegt ook Paul Rosenmöller van de VO-raad. ‘Er komen dingen bij, maar er gaat nooit eens iets af. En de politiek investeert geen cent extra.’

Beiden noemen ook de invoering van de Wet passend onderwijs in 2014, waardoor meer zorgleerlingen naar reguliere scholen gaan. Rosenmöller: ‘Dat heeft leraren voor een grote uitdaging geplaatst.’ Roovers: ‘Leraren hebben tijd geïnvesteerd in leerlingen die eigenlijk op een andere school zouden moeten zitten. Dat is frustrerend.’

Ondertussen hebben ze op school bij Roovers wel een oplossing voor het overvolle programma. Ze zijn streng, zegt hij, en hij raadt andere scholen aan dat ook te zijn. ‘Als de sponsorloop het reguliere onderwijs in de weg zit, dan doen we dit jaar maar geen sponsorloop. Wij zetten vooral in op de basisvaardigheden. Dat is niet altijd leuk, maar het is wel wat kinderen nodig hebben.’

Beeld ANP

2. Veel tijd gaat op aan nieuwerwetse fratsen

Waar het nu vaak over gaat? Over de 21st Century Skills, over de 21ste-eeuwse vaardigheden als samenwerken en kritisch denken. Dáár zou het onderwijs meer aandacht aan moeten besteden, dat zijn de vaardig­heden waarover de werknemer van de toekomst moet beschikken.

Wat een onzin, denkt hoogleraar Paul Kirschner van de Open Universiteit als hij dat hoort. Want waarom zou je meer tijd gaan besteden aan zulke ‘zachte skills’ ten koste van basiskennis en -vaardigheden? Hij denkt dat de dalende prestaties deels te wijten zijn aan de aandacht die aan zulke ‘modieuze vaardigheden’ wordt besteed – en dientengevolge niet aan de basisvakken als taal en ­rekenen.

Ook economieleraar, lerarenopleider en publicist Ton van Haperen gruwelt van zulke moderne fratsen. Hij verwijst naar het studiehuis, een onderwijssysteem dat eind vorige eeuw met veel bombarie werd ingevoerd. ‘De leerling was daarbij de eigenaar van het leerproces’, zegt Van Haperen. ‘Het mislukte totaal. Binnen twee jaar gaven alle scholen weer klassikaal les.’

Tot zijn schrik ziet hij dat vergelijkbare theorieën over het onderwijs weer in zwang raken. ‘Elke bestuurder is nu bezig met gepersonaliseerd leren. Daar hoort exact hetzelfde jargon bij als bij het studiehuis. Leerlingen worden wederom op leerpleinen gezet en het gaat weer niet werken. Het is schandalig dat dit weer wordt opgeboerd en uitgerold in scholen.’

3. Het ontbreekt scholen aan ambitie

‘Veel scholen voldoen aan het basis­niveau en nemen daar genoegen mee’, zegt Monique Vogelzang, inspecteur-generaal van de Onderwijsinspectie. De meeste schoolleiders en leraren zijn volgens de inspectie al snel tevreden als ze voldoen aan de minimumeisen.

Zo halen de meeste leerlingen wel het ‘fundamentele niveau’, het wettelijk vastgelegde minimumniveau dat scholieren zouden moeten hebben op gebied van taal en rekenen. Maar het ‘streefniveau’ wordt veel minder vaak gehaald.

Neem bijvoorbeeld rekenen. Vorig jaar haalde 48 procent van de leerlingen aan het eind van de basisschool het streefniveau, blijkt uit onderzoek van de inspectie. Terwijl het doel is dat 65 procent van de leerlingen dat niveau haalt.

Zijn scholen echt te lui? Volgens ­basisschoolleraar Thijs Roovers is het te makkelijk om de schuld bij scholen te leggen. ‘Al twintig jaar hebben we te maken met onderwijsvernieuwing van bovenaf. De salarissen bleven lang op de nullijn. En nu gaat het opeens over te weinig ambitie. Koekoek. Veel scholen werken zich uit de naad om klassen bemand te krijgen.’

Toch ziet ook Paul Rosenmöller dat op ‘sommige scholen de ambitie omhoog kan’. De voorzitter van de VO-raad wijst erop dat er al jaren grote kwaliteitsverschillen bestaan tussen scholen met een vergelijkbare leerlingpopulatie. De ene school weet meer uit leerlingen te halen dan de andere. ‘We moeten naar een cultuur waar scholen meer van elkaar leren’, zegt Rosenmöller. ‘Maar daar moet tijd voor zijn. Die is er onvoldoende.’

Beeld Hollandse Hoogte

De inspectie gaat naar eigen zeggen ‘niet over oplossingen’. Toch heeft inspecteur-generaal Vogelzang wel een tip. ‘De minister spreekt op dit moment met leerkrachten, schoolleiders en onderwijsorganisaties over een nieuw curriculum. Dat is een goed moment om ook te bespreken op welk niveau leerlingen minimaal moeten kunnen lezen en rekenen en hoe we ervoor zorgen dat veel leerlingen hoger uitkomen dan het basisniveau, dat vrij laag ligt.’

4. De leraar heeft het druk

Thijs Roovers roept het namens PO in Actie al maanden en hij herhaalt het nu met liefde: de werkdruk is een groot probleem in het basisonderwijs. Docenten hebben meer taken dan tijd en de leerling is daarvan de dupe. ‘Kinderen die extra aandacht nodig hebben, komen minder aan bod. De broek zit zo strak dat we bijna niet meer kunnen ademen.’

Volgens Paul Rosenmöller heeft het voortgezet onderwijs met vergelijkbare problemen te kampen. ‘Nederlandse docenten staan veel meer uren voor de klas dan collega’s in landen om ons heen. Dat moet veranderen. Leerkrachten moeten meer tijd krijgen om lessen te ontwikkelen, tijd voor professionalisering en verdere verbetering. Daarmee wordt het vak ook aantrekkelijker en trekken we meer docenten aan.’

5. Bestuurders hebben te veel vrijheid

Ja, Ton van Haperen weet het zeker. Dat de prestaties van de leerlingen dalen, is voornamelijk te wijten aan de bedrijfsmatige organisatie van het onderwijs, waarbij schoolbesturen grotendeels zelf mogen bepalen hoe ze het geld besteden dat ze vanuit Den Haag ontvangen.

Volgens de economieleraar, lerarenopleider en publicist leidt zo’n systeem ertoe dat besturen ‘voortdurend bezuinigen op het primair proces’. Het gevolg: de klassen worden groter, de salarissen blijven achter en de academisch geschoolde leerkrachten vertrekken. ‘Leerlingen krijgen les van steeds dommere leerkrachten.’

Paul Rosenmöller van de VO-raad verwerpt de kritiek op ‘zijn’ schoolbesturen. Hij verwijst naar de onderzoeken van rijkelandenclub Oeso. ‘Die stelt juist dat duidelijke kaders van de overheid en veel verantwoordelijkheid voor schoolbesturen ingrediënten zijn voor goed onderwijs.’

Toch is er de laatste jaren flink wat kritiek op het systeem met de zogeheten lumpsum, omdat niet altijd duidelijk is of geld dat bedoeld is voor bijvoorbeeld lerarensalarissen ook daadwerkelijk bij leerkrachten terechtkomt.

Van Haperen vindt dan ook dat het systeem op de schop moet. Er is een cruijffiaanse revolutie nodig, zegt hij, waarbij de macht van besturen weer wordt ingeperkt. ‘De school moet weer van de leraren worden, de beste leraar moet de baas zijn en scholen moeten hun kosten weer gaan declareren bij het ministerie in plaats van dat ze een grote zak geld krijgen.’

Makkelijk zal zo’n omslag overigens niet gaan, denkt hij. ‘Kijk naar Finland’, zegt hij. ‘Daar hebben ze in 1975 besloten om leraren beter op te leiden en pas in 1995 hadden ze het beste onderwijs van Europa. Het kost enorm veel tijd en moeite om het tij te keren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.