Waarom las de koningin niet voor uit Márquez?

Voorlezen, dat doet alleen de koningin nog op prinsjesdag. De gewoonte om de troonrede voor een select gezelschap zo welluidend mogelijk ten gehore te brengen, moet stammen uit de tijd dat de van godswege boven ons gestelden zich niet schaamden voor het celebreren van Het Woord....

Thuis las moeder voor uit Andersen en leerde je al jong de kleren van de keizer kennen. Op school reserveerde de meester altijd wel een uurtje voor de adembenemende avonturen van Fulco de Minstreel. 's Zondags op de kansel droeg dominee - of voor de katholieken onder ons meneer pastoor - een van de oeroude evangeliën voor. En zelf heb ik het nog mogen beleven dat een hoogleraar, prof. dr. W.A.P.

Smit te Utrecht, het collegejaar begon met Vondel te declameren.

Het voorlezen heeft iets koninklijks, maar als alleen hare majesteit het nog doet verliest het zijn betekenis. Als de voortekenen niet bedriegen, heeft de moeder des vaderlands ons dit jaar voor het laatst mogen inspinnen met het sprookje van de troonrede. Die tekst kan ook op Internet. Aan het begin van het parlementaire jaar een borrel, en dan aan de slag. Weg met die flauwekul, roepen de nuchterlingen op het Binnenhof.

Jammer, want wie - buiten de kantoortuin van de Haagse politiek - zou het jaarlijkse voorleesuur van hare majesteit willen missen? Zoals Beatrix dat doet! Daar is werk van gemaakt, zóveel, zou je haast zeggen, dat haar telkenjare een mooier verhaal vergund zou zijn geweest. Waarom las ze gisteren niet iets voor uit Ontvoeringsbericht van Gabriel García Márquez? Of uit Diane, de eenzame jachtgodin van Carlos Fuentes? Of uit Denk morgen op het slagveld aan mij van Javier Marías? Allemaal prachtige boeken, waarvan deze week de Nederlandse vertalingen het licht zagen.

Ik zou haar ook wel iets hebben willen horen voorlezen uit De kut van Irène (van Louis Aragon), maar ik begrijp dat er - majesteitelijk gezien - grenzen zijn aan wat kan en wat niet kan.

De Fransman Louis Aragon, in 1897 ontsproten aan de verhouding van zijn 24-jarige moeder met de aanzienlijk oudere, gehuwde politicus Louis Andrieux, was al jong een dwangmatig schrijver. Hij schreef altijd. Hij kwam door toedoen van André Breton terecht in de kring van de surrealisten in Parijs en hij werd lid van de Communistische Partij en wat voor lid, een vooraanstaand lid. In 1923 begon hij aan een groot, allesomvattend werk, dat La défense de l'infini zou gaan heten. Voorpublicaties eruit mishaagden zowel de surrealisten - die tegen 'de roman' waren - alsook de communisten, die Aragons obsceniteiten maar matig konden waarderen. Tijdens een reis door Spanje, in 1927, vernietigde Aragon het manuscript. Le con d'Irène bleef als fragment van dat grote werk bewaard. Het is nu, vertaald door Mirjam de Veth, als De kut van Irène in het Nederlands gepubliceerd (AP, ¿ 19,90).

Is het pornografie? Als je Aragons beschrijving van het vrouwelijk geslachtsdeel leest, ontkom je niet aan de indruk dat hij het verzamelde werk van D.A.F. de Sade in één klap tot kwezelarij heeft willen reduceren - 'Hoe fraai ligt het vlees tussen het krullend schaamhaar: onder het borduursel zo mooi in tweeën gedeeld door de liefdeskerf schemert teder de huid, zuiver, wit als schuim, als melk. . .', enzovoorts - maar gelukkig wijst Mirjam de Veth er in haar nawoord op dat Aragon zich in De kut van Irène meer een geobsedeerde lyricus betoonde dan een pornograaf.

Heel interessant. Een kwalificatie die zeker ook opgaat voor de door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes uit het Russisch vertaalde Dagboeken van de vermaarde danser Nijinski, die al jong - net als Hölderlin - aan de waanzin ten prooi viel. Rudi van Dantzig vertelt in een mooi geschreven, véél-, niet állesomvattend voorwoord wie Nijinski was, waarom hij zo beroemd werd en hoe het hem verging, en hij weet ook goed aan te geven waarom deze Dagboeken zo intrigeren. Van Dantzig schrijft: 'Wat Nijinski neerschreef, doet aan dadaïstische pamfletten denken, aan de orgie van beelden die de Amerikaanse dichter Walt Whitman oproept of aan de eenzame observaties van Hans Lodeizen.'

Wie begint te lezen, heeft aan een paar bladzijden genoeg om te begrijpen wat Van Dantzig bedoelt: 'Ik heb goed geluncht, want ik heb twee zachtgekookte eieren gegeten en gebakken aardappels met bonen. Ik houd van bonen, alleen zijn ze droog. Ik houd niet van droge bonen, want er zit geen leven in. Zwitserland is ziek, want het ligt helemaal in de bergen. In Zwitserland zijn droge mensen, want er zit geen leven in. Ik heb een droog dienstmeisje, want ze voelt niet. Ze denkt veel, want ze hebben haar ergens anders, waar ze lang in dienst is geweest, uitgedroogd. Ik houd niet van Zürich, want het is een droge stad, er zijn veel fabrieken en bovendien veel zakenmensen. Ik houd niet van droge mensen en daarom houd ik niet van zakenmensen.'

Zo gaat het door in deze waanzinnig obsessieve taal die fascineert en tegelijkertijd, haast huiveringwekkend, het radeloze innerlijk blootlegt van iemand die zich tegen zijn definitieve uiteenvallen, zijn Umnachtung, verzet. Besefte hij dat hij de grens al had overschreden? In het Zwitserse ziekenhuis waar hij was opgenomen, wist Nijinski in elk geval dat hij nooit meer zou dansen (Ambo, ¿ 49,50).

Erotiek, tragiek - misschien zijn het geen dingen die zich ervoor lenen koninklijk te worden voorgelezen. Is Ontvoeringsbericht van Márquez daarvoor meer geschikt? Van horen zeggen zullen de fans van de Nobelprijswinnaar de inhoud van deze 'reportage' al enigszins kennen. Márquez begon aan dit boek nadat Maruja Pachón en haar echtgenoot Alberto Villamizar hem voorstelden Maruja's verhaal te vertellen waarin zij slachtoffer was van de drugsmafia in Colombia. Márquez voelde daar alles voor, maar hij besloot ook andere ontvoeringen in zijn land nader te onderzoeken en zo slaagde hij erin deze episode 'in de bijbelse holocaust die Colombia al twintig jaar verslindt' voor de hele wereld vast te leggen. Een griezelig verhaal, dat er niet alleen om vraagt gelezen te worden, maar ook een uitnodiging inhoudt aan een filmer, die de 'verschrikkingen' in het gemaltraiteerde Colombia indringender zou kunnen doorgeven dan 'de fletse afspiegeling' die Márquez er volgens zijn eigen woorden op papier van wist te geven (Meulenhoff, vertaald door Arie van der Wal, ¿ 39,90; ¿ 55,- gebonden).

Carlos Fuentes (Panama, 1928, afwisselend in Londen en Mexico woonachtig) kennen we van De dood van Artemio Cruz en recent van Apollo en de hoeren, en hoewel hij in het nu door Francine Mendelaar vertaalde Diana, de eenzame jachtgodin niet anders, en zeker niet minder schrijft, zit er dit keer een uitgesproken autobiografische kant aan zijn boek. Openlijk heeft Fuentes toegegeven dat de Mexicaanse schrijver die in Diana verliefd wordt op een jongensachtige actrice, veel van hemzelf weg heeft en de actrice van Jean Seberg, de Jeanne d'Arc die we ons herinneren uit een Franse nouvelle vague-film. Ze werd door de FBI tot zelfmoord gedreven (Meulenhoff, ¿ 36,90).

Zo bekend als Márquez en Fuentes is Javier Marías niet, maar daarin komt vermoedelijk snel verandering nu hij in Duitsland - dankzij Das Literarische Quartett - aan een zegetocht is begonnen met zijn boek Een hart zo blank. In Nederland lopen we voor, want hier verscheen inmiddels Marías' vierde roman, Denk morgen op het slagveld aan mij, waarin het plotselinge overlijden van een overspelige geliefde de verteller voor onvermoede problemen plaatst (Meulenhoff, vertaald door Aline Glastra van Loon, ¿ 45,-).

De voorraad vertaalde literatuur is als gebruikelijk onuitputtelijk. Ik kan - om de vaderlandse literatuur niet tekort te doen - alleen maar wijzen op een paar bijzondere titels. In de eerste plaats Hartedier van de Duitstalige, in Roemenië opgegroeide Herta Müller, die opnieuw de weerzinwekkende binnenkant van de Ceaucescu-dictatuur laat zien, maar dan wel met behoud van haar eigen onvervreemdbare, magische taalgebruik (De Geus, ¿ 39,90). Dan Schreeuwen in de nacht, een ouder boek van de Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë die door zijn Nederlandse vertaler Jacques Westerhoven in een nawoord helder wordt belicht (Meulenhoff, ¿ 37,90). Voorts de Russische roman van Meir Shalev, die in dit boek de geschiedenis van een Russisch-Israëlische familie vertelt (Arena, vertaald door Ruben Verhasselt, ¿ 49,90), en ten slotte het zeer geprezen debuut van de in Guyana opgegroeide en in Londen woonachtige Fred D'Aguiar: De langste herinnering, een navrant, poëtisch getoonzet verhaal over slavernij (De Geus, ¿ 29,90).

Op het gebied van de Nederlandse literatuur manifesteerden zich deze week twee nieuwe romancières, Betsy Udink en Conny Braam. Beide schrijfsters werden bekend door ander werk. Betsy Udink schreef in Achter Mekka over haar leven als diplomatenvrouw in Saudi-Arabië. Ze heeft nu een roman geschreven over een journaliste die bij een gijzeling in België ervaart hoe bij dergelijke gebeurtenissen het menselijk leed ondergeschikt wordt gemaakt aan het belang van de media. De primeur van Caro Darmont heet Udinks literaire debuut (Meulenhoff, ¿ 39,90).

Conny Braam, die als strijdster tegen de Zuidafrikaanse apartheid eerder Operatie Vula en De bokkeslachter publiceerde, heeft de mogelijkheden van de roman benut om haar verzetsmotieven uit te diepen. In Zwavel verbindt ze haar Zuidafrikaanse ervaringen met de strijd tegen de Duitse overheersers in de Tweede Wereldoorlog (Meulenhoff, ¿ 39,90).

Ook in de autobiografische roman van Milo Anstadt, De verdachte oorboog, gaat het om de oorlog, over pech en geluk van de joden in die tijd, herinneringen die Anstadt onmogelijk in de ik-vorm aan het papier kon toevertrouwen, omdat 'een ander dan het subject uit de jaren 1940-1945' verslag uitbracht van zijn oorlogsjaren, waarin hij zich - volgens zijn nawoord - ondanks momenten van verdriet doorgaans vrij gelukkig heeft gevoeld (Contact, ¿ 34,90).

Met Fred Bornstein blijft de lezer in een joodse sfeer. Bornstein, die in Amsterdam werd geboren en na zijn studie wiskunde naar Israël emigreerde, vertelt in een drietal novellen over de lotgevallen van degenen die net als hij hun vaderland verruilden voor Israël. Zoals de Roemeense pedagoog Kaltwasser, naar wie het boek is genoemd, een merkwaardige type dat door Bornstein zo werd geportretteerd dat hij er zijn kritische visie op de Israëlische samenleving in kwijt kon (Ambo, ¿ 29,90).

De Duytse lier. Omdat ik mede door de voordracht van W. A. P. Smit heb leren houden van álle poëzie, ook die van de Middeleeuwen en die van de zeventiende eeuw, heb ik weer met veel plezier zitten lezen in dit bundeltje van Jan Luyken, waarmee hij in 1671 als 22-jarige debuteerde. Liefdespoëzie: 'De liefde blust het leet./ Een hart in rouw verdronken,/ Wordt door zijne vonken,/ In vreugden door-heet,/ En gloeit, al was het van louter staal gesmeet.' A. J. Gelderblom, A. N. Paasman en J. W. Steenbeek maakten een mooie, toegankelijke, nieuwe uitgave (Amsterdam University Press, ¿ 25,-).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden