Waarom ik geen republikein zal worden

In het debat over de monarchie en het erfelijk koningschap is een argument nog niet genoemd, aldus Govaert C.J.J. van den Bergh....

Govaert C.J.J. van den Bergh

BIJ de telkens terugkerende, onlangs weer aangezwengelde discussie over het erfelijk koningschap, zijn constitutionele positie, zijn macht en zijn betekenis, wordt in de regel nogal vaag gesproken over het nut van het hebben van een koning. Het is iemand die boven partijen staat, een figuur die de nationale eenheid symboliseert over de onvermijdelijk bestaande tegenstellingen heen. Dat argument is behalve vaag ook niet erg overtuigend, al was het maar omdat een president zonder regeermacht, zoals bijvoorbeeld Duitsland die heeft, die functie natuurlijk evengoed kan vervullen.

Bovendien gaat het bij de discussie in theorie misschien wel, maar in feite natuurlijk niet om het koningschap of een andere staatsvorm in abstracto, maar om de vorst die wij hebben: een vorst uit het huis van Oranje-Nassau. Als er geen mensen uit dat huis meer bestonden, zou ongetwijfeld een grote meerderheid van het Nederlandse volk niet voor het koningschap als staatsvorm kiezen, of eerder er zich nauwelijks druk over maken.

Het lijkt me daarom belangrijk, een meer concrete reden te geven waarom voor Nederland het erfelijke koningschap, opgedragen aan een telg uit het huis van Oranje-Nassau, de beste staatsvorm is. Die reden is niet moeilijk te vinden. In de kleine twee en een halve eeuw dat wij een erfelijk staatshoofd hebben uit het huis van Oranje, hebben wij nog nooit een militaire staatsgreep gehad, of zelfs maar een poging daartoe, en daarvoor ook niet. Er zijn niet zo heel veel landen die dat ons na kunnen zeggen, zelfs Groot-Brittannië en Frankrijk niet. De enige staatsgrepen die onze geschiedenis kent, zijn die van generaal Daendels in 1798, in een tijd dus dat geen Oranje staatshoofd was en de Oranjes uit het land waren verbannen.

Wij hebben in de afgelopen twee en een halve eeuw goede en kwade vorsten gehad, goede en kwade regeringen, grote en kleine schandalen, maar nooit een kolonelsregime. Menig Oranje was autoritair en arrogant (wat dat betreft is Beatrix helemaal niet zo bijzonder), maar door de merkwaardige structuur van ons republikeinse staatsbestel en de lotgevallen van hun huis hebben de Oranjes zich nooit kunnen ontwikkelen tot echte absolute vorsten. Zelfs onder de machtigste Oranje-vorst ooit, de door Beatrix zo bewonderde koning-stadhouder Willem III, bestond er geen dictatuur, was er een relatief grote, in heel Europa opvallende vrijheid van meningsuiting en kon, om maar wat te noemen, de rector van de Leidse universiteit ex cathedra pleiten voor volkssoevereiniteit. In het Frankrijk van die dagen had hem dat ongetwijfeld de kop gekost.

De verklaring hiervoor vinden we in de geschiedenis. Bijna vanaf het begin van onze Republiek heeft er een machtsstrijd bestaan tussen Oranje en de regenten. Voor de Oranjes was daarbij, in ieder geval sinds de dagen van de grote militaire successen van de Republiek, de dagen dus van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik, de krijgsmacht de belangrijkste bondgenoot. Ook het gepeupel kon natuurlijk zo nodig worden ingezet tegen de regenten, bijvoorbeeld om hun huizen kort en klein te slaan of de gebroeders De Witt te lynchen, maar dat was geen stabiele politieke factor en bovendien moeilijk te controleren.

Zo ontstond een hechte, bijzondere band tussen Oranje en de krijgsmacht. Dat laat zich op allerlei manieren illustreren. Wij kunnen bijvoorbeeld heel concreet de positie en invloed van de krijgsmacht vergelijken in de periodes dat er een stadhouder was, met die in de beide stadhouderloze tijdperken (1650-1672 en 1703-1747). Om een enkel, klein voorbeeld te noemen: als er een stadhouder was, werd in de garnizoenssteden het wachtwoord uitgegeven door de garnizoens commandant, als er geen stadhouder was door het burgerlijk stadsbestuur.

Oranje had de krijgsmacht nodig, maar ook de krijgsmacht Oranje, want de regenten hadden (en hebben) nogal sterk de neiging om fors op de krijgsmacht te bezuinigen als er geen direct gevaar was. De band tussen Oranje en de krijgsmacht vergde overigens een subtiel evenwichtsspel. De militaire moesten helpen om de regenten tegenwicht te bieden, maar zij moesten het natuurlijk niet volledig voor het zeggen krijgen, want een militaire dictatuur zou voor de Oranjes uiteindelijk slechts een Pyrrhus-overwinning kunnen betekenen. Zij weten waarschijnlijk als geen ander dat een Oranje als boegbeeld van een militaire dictatuur onherroepelijk het einde zou betekenen van het machtsspel en van hun dynastie. Zoals Talleyrand zei: 'Men kan alles doen met bajonetten, behalve er op gaan zitten.'

Het 'Oranje-gevoel' van de krijgsmacht is diep geworteld in onze militaire traditie en wordt nog altijd levend gehouden in de officiersopleidingen. Niet voor niets zijn al onze regimentsvaandels nog altijd oranje. Toen in 1918 Troelstra zijn halfbakken poging tot revolutie deed en menig burger zich stilletjes erop voorbereidde, zo nodig de huik naar de wind te hangen, demonsteerde het leger op het Haagse Malieveld zijn aanhankelijkheid niet aan onze democratische constitutie, maar aan koningin Wilhelmina.

Weliswaar is helaas een jaar of twintig geleden in een vlaag van constitutioneel purisme uit de Grondwet de bepaling geschrapt dat de koning het hoofd is van de krijgsmacht, maar de woorden van de wet hebben natuurlijk niet zoveel te betekenen tegenover zo diep gewortelde en nog altijd levende tradities. Onder onze kolonels zijn er vast ook wel houwdegens van het type Pinochet, die politici verachten en parlementaire democratie een ongeregeld zoodje vinden, maar de gedachte om een staastgreep te plegen tegen een regering met een Oranjevorst als staatshoofd kan bij wijze van spreken in hun hoofd gewoon niet opkomen. Alles bijeen redenen genoeg om ons huidige constitutioneel bestel niet lichtzinnig af te danken.

Men moet daarbij trouwens de constitutionele erfelijkheid van het koningschap ook niet verwarren met de biologische. Feitelijk is, in het patrilineaire stelsel dat wij officieel nog altijd belijden, het huis van Oranje, dat geacht wordt te zijn begonnen met Willem de Zwijger, al tweemaal uitgestorven: in 1703 met het kinderloos overlijden van koning-stadhouder Willem III, en in 1948 met de dood van koningin Wilhelmina.

In 1747 kwam het erfelijk stadhouderschap aan een heel andere (Friese) tak van de Oranjes en in onze eeuw heeft de Grondwet er meerdere keren voor gezorgd dat het huis van Oranje werd voortgezet, namelijk door achtereenvolgens de kinderen van Wilhelmina, Juliana en Beatrix. Wie geroepen is om de constitutionele rol van Oranje-vorst te spelen, heeft ongetwijfeld voordeel van de breeding die hij heeft meegekregen door 'in de familie' geboren te zijn, maar anderzijds kan niets ter wereld iemand van de familie verplichten, die rol op zich te nemen, als hij zich daar niet toe geroepen voelt.

Nu, als inderdaad ons historisch gegroeide staatsbestel een verzekering vormt tegen het optreden van kolonelsregimes, dan is de premie die wij betalen in de vorm van enige niet helemaal democratische arrangementen mij niet gauw te hoog. Uiteindelijk kan toch geen enkele constitutie helemaal consequent zijn. Juist linkse mensen (Melkert? Rosenmöller? Marijnissen?) zouden uit welbegrepen eigenbelang tegen de republiek moeten zijn. Zij zijn immers te allen tijde de eersten die slachtoffer worden van een kolonelsregime.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden